De man die ...

 

“De man die …” ben ik, gepensioneerd, 77 jaar. Ik beschrijf wat geschiedde in de voormiddag van zaterdag 17 oktober 2009, om die ‘ ...’ in te vullen.

Ik begin. Ik beschuldig mijn schoonvader, mijn goed uitgeruste auto, mijn onvolmaakte waarneming der feiten in onderbelichte omstandigheden. Zicht, licht: dat rijmt. Zicht, donker is ongerijmd.

Beschuldigde, sta op. Opsta(a)ndig is mijn schoonvader niet meer, hij overleed in 1974. Mijn schoonvader werkte aan de spoorweg, had treinkaartjes gratis. Hij schopte het ver om tijdens de oorlog aanvullend voedsel te kopen bij de boeren, ik bedoel hij zocht het ver van Duffel, in Vladslo, nu deelgemeente van Diksmuide. Vladslo met een klein stationnetje, nog 2 km van zijn boer. Heen: ingewikkelde treinreis, ver te voet en dan zwaar geladen terug. De boer heette Jonckheere en was waarschijnlijk een zodanige edele en goede man, dat mijn schoonvader hem na de oorlog nog bezocht en na het overlijden van die boer elk jaar met kerkhofbloemen naar Vladslo trok. Na de dood van mijn schoonvader, hebben wij de traditie voortgezet. Met de auto de zondag voor Allerheiligen naar nu reeds de  kleindochter van de boer, Lieve, die het bedrijf met haar man voortzet. “De zondag voor” paste dit jaar slecht, we stelden de zondag daarvoor voor, zondag 18 oktober. Dat kon.

Beschuldigde, sta op. Mijn auto is ook niet opsta(a)ndig of, anders gezien, staat altijd op vier wielen. Hij is die dag, 17 oktober 2009, zeven jaar en vijf maanden oud en heet “Renault laguna grand tour” en is goed uitgerust. Na het starten krijg ik even op een schermpje de bandendruk van de vier wielen te zien. Zo wist ik dagen voor onze rit naar Vladslo dat de banden voor ”rijden op de autosnelweg en/of in geladen toestand” te weinig druk hadden. Mijn wijs besluit: zaterdag 17 oktober pomp ik ze bij. Ik rij daarvoor de auto buiten de garage. Pompen, druk meten, bijregelen. Het boekje bij mijn auto beweert dat de meting na het starten, door de auto zelf, nauwkeurig is.  Voor een meting van de nieuwe druk moet de druksonde in de velg voorbij het afleesapparaatje gedraaid zijn. Ik rij daarvoor de auto terug in de garage. Motor uitschakelen, opnieuw starten om de bandendruk op het schermpje te zien. De cijfertjes zijn wat klein voor mijn zicht op die zaterdag in de garage. Ik neem mijn bril af en gebruik het leesgedeelte onderaan als loep. Druk O.K. Bril weer op. Mijn rechterhoorapparaat zit niet goed, ik wil het boven de bril brengen en stoot het uit mijn oor. Het valt. De autodeuren zijn gesloten.

Beschuldigde, sta op. Dat is mijn onvolmaakte waarneming der feiten. Dat is een ander feit dan het feit ‘val van mijn rechterhoorapparaat’. In plaats van dat beschuldigd feit sta ik zelf even op en beschrijf dan verder. Mijn besluit: wegens gesloten autodeuren viel het rechterhoorapparaat in de auto. Ik stap uit en ik zoek het achter de voorzetel, zijdelings van de voorzetel. Ik schuif de zetel vooruit, achteruit. Ik zie het apparaatje niet en het kan niet opgelost zijn in het niets.
Ondertussen komt mijn vrouw in de garage: “Waar blijf jij?”
“Ik zoek mijn rechterhoorapparaat, het viel achter mij in de auto”
“Zal ik zoeken?”
“Hoeft niet, ik rijd de auto terug buiten. Meer licht, zie ik ook uitstekend.”
Mijn vrouw hoort iets kraken als ik de auto buiten rijd. Ze raapt het lijk van mijn platgereden rechterhoorapparaat op.

Ik zoek de verklaring van ‘Rechterhoorapparaat valt in de auto en ligt in de garage achter het linkervoorwiel’. Ik vind ze traag: het ding viel op mijn schouder en is bij het uitstappen daarvan op de grond gevallen. 

Een duur geval, zegt de man die zijn rechterhoorapparaat overreed met zijn auto. Helaas, die man ben ik.  Te gek.

 

© Hugo VanVlaslaer 

         

 terug naar de startpagina (klik)             terug naar de inhoudstafel van deze reeks (klik)