Ik zag hem weer

 

Ik heb een deel van mijn jeugd doorgebracht in scholen zonder sportinfrastructuur, zo oud ben ik.  Toen ik in het vierde jaar middelbaar onderwijs, in wat toen een groot atheneum was, belandde, zag ik voor het eerst een gymzaal.  Ik had voordien slechts meegemaakt in open lucht, als het weer dat was, dat: armen om­hoog, benen omlaag en ook nog: links, rechts (pluralistische opvoeding) en ook: halve draai en draai rond je oren (autoritaire opvoeding).  In het groot atheneum hadden ze dus wel een gymlokaal met van alles in, o.a. een grote gymleraar, breedgeschouderd, zwaargewichtig.

Hij stelde de bok op en riep het lesuur uit tot het uur der bokkensprongen. Mijn beurt. Ik was van goede wil, ik bedelde mijn lichaam om een elegante sprong. Maar een niet nader te bepalen spier schoot een bok en ik maakte een vrij onzachte en vooral onelegante landing boven op het beest. Ik hing daar of ik de bok was en hij de geit. Ik hing er natuurlijk ongemotiveerd, als een bok, die niet wist wat hij daar te hangen hing...

Toen greep de breedgeschouderde bokkig in: hij schudde me van mijn landingsterrein af. Na aan de valwetten voldaan te hebben, krabbelde ik overeind. Hij, de breedgeschouderde, de zwaargewichtige, de grote, hij bekeek me van kop tot teen. Zijn blik was geringschattend. Doch blik is slechts blik en daarom deed hij ook zijn mond open:

" Jongen, is soms je klokhuis te zwaar?"

Ik had in de biologie nog nooit over het klokhuis van een jongen gehoord. Ik antwoordde dus niet. Er verscheen simpel een blos over mijn wangen en ik ben van toen af heimelijk bokken, plinten en paarden gaan haten.

Toen we van de beul, was de bijnaam van die gymleraar, een volgende les, weer over de bok moesten springen en ik aan de beurt was, riep hij: Uit de weg, uit de weg, de hercules van Duffel gaat springen. Na die aanmoediging was de mislukking volledig, ik raakte niet eens tot boven op het beest. Hij bleef dat roepen, ook bij de plinten en de paarden en telkens mislukte mijn sprong. Hercules, zei hij later, voortaan ga je tussen de poten van de bok zitten, rug tegen de achterste poten, voeten tegen de voorste gedrukt. Staat de bok stabieler, dien jij voor iets.

Toen ik met een diploma kon bewijzen, dat ik van boven een beetje wijs was, ben ik terug in het onderwijs afgedaald. Zekere dag werd ik zo leraar in datzelfde atheneum. Nu was er in die school een onderscheid tussen leraars en leerlingen: een verschil in ouderdom natuurlijk, in wijsheid misschien, in ingang en uitgang zeker. De leraars gingen in en uit door de voordeur. De leerlingen waren verplicht dit werk te vol­brengen  langs een zijdeur. De leerlingen werden er dus gespecialiseerd in het bewandelen van zijwegen...

Ik was er de eerste dag van het schooljaar. De school was uit, ik was in: ik kende het deurprotocol. Ik ben klein van gestalte. Ik begeleid mijn leerlingen tot aan de zijdeur en wil me plechtig begeven naar de deur voor academisch ge- en misvormden. Maar een studiemeester op post aan de zijdeur bestudeerde me meester­lijk, greep me onzacht bij mijn kraag en sprak nog onzachter, zodat al mijn leerlingen het konden horen: "Zijdeur, manneke!"  Gelach.

Gezien mijn persoonlijkheid gehoorzaamde ik niet...

Aan de goede deur gekomen zag ik hem ook: de grote, de breedgeschouderde, de zwaargewichtige. Hij kwam af en klopte me vriendelijk op mijn schouder. Aan elke deur kreeg ik dus klop...

"Bij god, wie we daar hebben!", zei hij.  "Bij god, de hercules van Duffel in hoogst eigen persoon."

Toen volgde de openbaring.

"Ik ben gisteren naar de catch geweest", orakelde hij verder. 
Je zag, dat hij zelf in de ring wou staan, zijn vlees speelde spier onder zijn pak, zijn ogen tintelden, vonkten.

"De witte engel tegen de gemaskerde", zei hij.  "Op een gegeven moment beet de witte engel in het klokhuis van de gemaskerde.  Aai." 
Hij, de breedgeschouderde, niet de gemaskerde genoot er nog van.  Op een gegeven moment beet de witte engel in het klokhuis... Het was voor hem een gegeven moment, een monument van een moment.  Hij hoorde de jubelklokken luiden.  Ik hoorde de gewone klok en wist de klepel hangen en het klokhuis ook.

Hij vertelde me later, dat hij op een humoristische wijze turnles gaf. Ik slikte. De hercules van Duffel was dus humoristisch bedoeld. Ik durfde niet zeggen hoe ik onder die humor geleden heb. Omdat ik klein van gestalte was kweekte ik me in mijn puperberteit reeds een minderwaardigheidscomplex en die hercules van Duffel kwam daar nog bovenop. Niets waard, hoewel ik in alle vakken, behalve voor lichamelijke opvoeding, goed was. Ondanks de slechte punten voor L.O. de eerste van de klas. Niets waard. Ik dacht dat seksuele potentie gekoppeld was aan sportief zijn, ik was dus ook geen vrouw waard. En in die te late Middeleeuwen was die gedachte geen zonde. Ik kreeg faalangst op alle gebied. Aan de universiteit was ik ziek in de examenperiode, at met lange tanden en moest daarna braken als ik die dag examen had. Toch aan een diploma geraakt. Uiteindelijk zelf humoristisch gaan denken, mijn vroegere ellende weglachen, dat geneest.

En seksuele potentie is niet gekoppeld aan het met zwier over een bok kunnen springen, maar denk ik nu, aan creativiteit.

 

    © Hugo Van Vlaslaer

 

terug naar de startpagina (klik)    naar de inhoudstafel van deze reeks (klik)   naar het volgend verhaal (klik)