De evolutie

         Ik ben geboren in 1932. Als kleuter ging ik naar de kleuterschool, die toen katholieke bewaarschool heette. De eerste twee “bewaarjaren” waren gemengd, maar in het derde jaar werden jongens en meisjes zeer preventief gescheiden. In dat derde en laatste jaar bewaarschool poogde zuster Magdalena ook zeer preventief onze zieltjes te bewaren voor God. Zuster Magdalena doceerde in de hoogste kleuterklas voor jongens de gewijde geschiedenis van Adam en Eva, van de plagen van Egypte, van Jezus die water veranderde in wijn en Lazarus genas en nog veel meer. Ze vertelde eigenlijk zo redelijk spannende verhalen. Ik vond Jezus een meer geloofwaardige held dan een prins die een draak met zeven vuurspuwende koppen moest doden voor hij de hand van de prinses kreeg, want draken bestonden niet volgens mijn vader. Wij moesten de heilige verhalen aanhoren met “slot op de mond”, de armen gekruist en de wijsvinger van de rechterhand in erectie voor onze lippen. De zuster hield ook een huisdier in een duister hok: het ijzeren varken. Het at stoute kinderen op. Indien een kleuter het slot op de mond verbrak en storend babbelde tijdens een Bijbels verhaal, zei de zuster “sst”. Werkte de “sst” niet, dan trad ze op. Ze pakte de stoute jongen bij de kraag, sleurde hem tot bij de deur van de klas, eventueel verder de gang in tot aan de deur van het hok van het ijzeren varken. Ze beweerde dat het ijzeren varken honger had. Klein kleutertje beloofde dan snikkend te zwijgen. Zuster Magdalena verleende telkens voor één keer gratie. Er werd beweerd door geëvolueerde kleuters dat het ijzeren varken de chauffage ketel was en niet kon bijten, maar zeker is zeker, ook in het kleuterleven, geen enkele kleuter weerstond de dreiging met het ijzeren varken. Zuster Magdalena had een ijzeren tucht.

         De lagere gemeenteschool Duffel-West volgde de bewaarschool op. Kleuters met een oudere broer hadden ons reeds voorbereid op dat hogere onderwijs: geen ijzeren varken, maar de meesters slaan. Was zo. Hoe hing af van de inspiratie van het ogenblik. Alleen de onderwijzer van het zesde leerjaar had een vaste stijl: op je knieën zitten op de trede voor het bord, dan je voorover buigen, met de handen op de trede steunen. Je broek stond zo gespannen en dan zette hij met een rieten stok je achterste warm of warmer naargelang het vergrijp. Maar op dit soort pedagogie zat sleet. Men kon de evolutie niet tegenhouden. We hadden reeds significante verschijnselen, tekens aan de wand, waargenomen. Spectaculair was dé gebeurtenis in het vierde leerjaar. Toen in mei, op het einde van de schooldag, verschenen de moeder van Jan en de vader van Marcel op de speelplaats. Ze wilden onze onderwijzer spreken. Ze spraken. Ze deelden hem mee dat uitsluitend de ouders het recht hadden hun kinderen te slaan. Hij betwiste dat. Ruzie. Tot besluit troefden de moeder van Jan en de vader van Piet de onderwijzer af. Jan en Marcel vertelden het ons de volgende morgend en onze meester begon die dag, na het klassieke kruisteken, met "Wie zijn kinderen mint, spaart de roede niet". Wij waren ook zijn beminde kinderen. Hij begreep bepaalde ouders niet. Hij noemde geen namen.

         We beleefden eigenlijk nog vroeger, zacht maar meer overtuigend, dat het einde van “eerder temmen dan opvoeden” in het zicht was. Onze onderwijzer van het tweede leerjaar was reeds vooruitstrevend, hij sloeg nooit en had ook gezag. Hij droeg een ring met een grote halfedelsteen in. Als ik het mij nog goed herinner: een rode, misschien een robijn. In elk geval had hij die ring van Sinterklaas gekregen. Hij moest over die steen in de ring wrijven en dan zag hij alles. Dus hij zei: “Die hun catechismus gisteren thuis niet uit het hoofd geleerd hebben, gaan achteraan in de klas staan.” Hij wreef over de steen en zij gingen. Hij duidde vervolgens in die groep kandidaat-verdoemden een paar jongens aan, die morgen de vragen en antwoorden uit de catechismusles van gisteren en van vandaag zouden moeten opzeggen. De volgende dag waren zij niet van gisteren en kenden zij hun catechismus, soms met haperen en hier en daar na voorzeggen, maar je best doen was voldoende. Die onderwijzer, mijnheer Mariën, was echt een lieve man, ook een vredelievende: hij verzocht ons aan Sinterklaas zelfs geen speelgoedgeweertje te vragen. Hij evolueerde zelf echter verkeerd. Hij werd oorlogsburgemeester. Zijn zonen droegen bij gelegenheid het Hitlerjugenduniform met een dolk aan hun broekriem. Hij was een uitstekende oorlogsburgemeester, deed zoveel mogelijk voor het welzijn van de mensen, heeft nooit - denk ik - iemand laten oppakken door de Duitsers. Hij bleef een lieve man. Werd bij de bevrijding gevangen genomen, veroordeeld tot levenslang, want hij had op meetings toespraken gehouden om mannen te bekeren tot zwarten, te ronselen voor het Oostfront. Zijn straf werd later geleidelijk verminderd. Toch is hij in gevangenschap gestorven. Van verdriet, vermoed ik. Waarom heeft hij in de ring van Sinterklaas niet gezien dat die van Hitler de catechismus van de mensenrechten niet kenden? Begrijp ik niet. Waarom heeft men hem veroordeeld tot levenslang, niet geprezen voor het milderen van de Duitse bezetting in Duffel? Begrijp ik niet. Maar de pedagogie is intussen wel sterk veranderd: onderwijzers slaan niet meer ondanks dat de kinderen tegenwoordig nog minder braaf zijn dan wij vroeger.

© Hugo Van Vlaslaer
 
Terug naar de startpagina (klik)       Terug naar de inhoudstafel van deze reeks (klik)