Het standaardmodel van de deeltjesfysica

In 1977 vatten de theoretische fysici alle kennis samen in het standaardmodel. Volgens dit model bestaat alle materie uit twee soorten deeltjes: quarks en leptonen. Daarnaast bevat het model nog krachtvoerende deeltjes. Er zijn zes quarks met wat wonderlijk aandoende namen up, down, charm, strange , top en bottom. Er zijn eveneens zes leptonen. Het bekendste is het elektron; daarnaast onderscheidt men nog de bosonen; het muon, het tauon, het elektronneutrino, het mounneutrino en het tauonneutrino. De quarks en leptonen worden gerangschikt in drie families. De drie families zijn kopieën van elkaar; ze verschillen alleen in massa. Gewone materie bestaat uitsluitend uit deeltjes van de lichtste familie. De andere deeltjes kunnen alleen in het laboratorium geproduceerd worden.

Alle quarks en leptonen hebben een antideeltje, dat in sommige opzichten een exacte kopie is van het deeltje, in andere opzichten er het spiegelbeeld van vormt. Zo hebben het elektron en het anti-elektron , het positron, dezelfde massa, maar verschillende elektrische en magnetische eigenschappen.

Quarks en anti-quarks zijn de bouwstenen van de elementaire deeltjes. Deze vallen in twee groepen uiteen: de baryonen, die uit drie quarks bestaan en de mesonen, die uit een quark en een anti-quark zijn opgebouwd. Voorbeelden van baryonen zijn het proton en het neutron.

Daarnaast onderscheidt men nog de bosonen. Dat zijn de krachtvoerende deeltjes van de vier natuurkrachten. Elke kracht heeft zijn eigen karakteristiek boson. Alle tot nog toe genoemde deeltjes zijn direct of indirect waargenomen, met één uitzondering: het graviton, het krachtvoerend deeltje wordt op theoretische gronden aangenomen , al was het maar omdat het wat vreemd zou uitzien als één van de viernatuurkrachten géén boson zou kennen.

Naast de quarks, leptonen en bosonen voorspelt het standaardmodel ook het bestaan van het zogenaamde Higgs-deeltje. Ook dit deeltje is niet waargenomen, maar wel noodzakelijk uit theoretische overwegingen. Men is er namelijk in geslaagd aan te tonen dat de elektromagnetische kracht en de zwakke kernkracht in feite twee vormen van één kracht zijn. Het Higgs-deeltje is nodig om te verklaren dat het foton, de drager van de elektromagnetische kracht, geen massa bezit, terwijl de W- en Z- bosonen van de zwakke kernkracht juist heel zwaar zijn.
 

De vier natuurkrachten
Kracht
Krachtvoerende deeltjes
Relatieve sterkte
Werkend tussen
Sterke kernkracht
Gluonen
100
Quarks
Elektromagnetische kracht
Foton
1
Geladen deeltjes
Zwakke kernkracht
W- en Z- bosonen
10-6
Quarks en leptonen
Zwaartekracht
Graviton
10-40
Deeltjes met massa

Atomen bevatten één type lepton, het elektron. De kern is opgebouwd uit protonen en neutronen, die elk uit drie quarks bestaan.


De opbouw van een kern


Quarks bestaan in zes typen, die ieder in drie kleuren voorkomen. De term "kleur" heeft hier niets met de dagelijkse betekenis van het woord te maken. Het is alleen een handige type- indeling , omdat men dan ook beeldende kleurcombinaties kan uitzoeken. Zo kan men de anti-quarks met de complementaire kleur aanduiden. Quarks en anti-quarks rangschikken zich steeds zo dat de combinatie" wit " is. Een proton bijvoorbeeld bestaat uit twee up-quarks en een down-quark en steeds zo dat er van iedere kleur één is. Welke precies de blauwe is doet daarbij niet ter zake.
 
 

Het quark model

 



 

De werking van de sterke kernkracht op schaal van de quarks.
 


 


(A) In het nucleon zitten de drie quarks dicht bij elkaar. Zij voelen geen kracht. " Het elastiek tussen de quarks is slap".

(B) Wanneer we proberen één van de quarks uit het nucleon te schieten wordt de sterke kracht voelbaar. " Het elastiek tussen de quarks rekt uit".

(C) Op een bepaald monent wordt de kracht zo groot, dat de energie die is opgeslagen in het systeem wordt omgezet in massa: er vormen zich quark-antiquarkparen (q-(q)), ofwel mesonen. " Het elastiek breekt in stukken en op de uiteinden zitten opnieuw (anti)quarks".

(D) In plaats van één losse quark, is een "jet" van nieuwe mesonen gecreëerd uit de energie die in het systeem zat
opgeslagen.

 


 


 

 

Modellen van het heelal

 

Afhankelijk van de hoeveelheid materie in het heelal, kunnen we verschillende heelalmodellen onderscheiden.

Heelalmodellen: (a) parabolisch; (b)elliptisch; (c) hyperbolisch

1 Het elliptisch model: een eindig en pulserend heelal. Na een beperkte, maar zeer lange tijd zal op de uitdijing een inkrimping volgen en stort het heelal in elkaar. In zulk een heelal moet de dichtheid (Omega) groter zijn dan de kritische dichtheid (Omega) of O = Omega> 1. De kritische dichtheid is die dichtheid waarbij het heelal er vlak zou uitzien.

2 Het hyperbolisch model: een oneindig heelal, met een dichtheid die kleiner is dan de kritische dichtheid (O < 1). Het heelal zal steeds blijven uitdijen, zij het trager en trager.

3 Het parabolisch model: ook dit is een oneindig heelal, maar de dichtheid is net gelijk aan de kritische dichtheid (O = 1). Dit kan men beschouwen als het grensgeval tussen het elliptisch en het hyperbolisch model. Dit is het vlakke heelal. De uitzetting zal vertragen en na een oneindige tijd stoppen.

Er zijn een aantal aanwijzingen die gaan in de richting van het parabolisch heelal. Zo bevestigen de waarnemingen van COBE en van ballonvluchten het vlakke heelal. De hoeveelheid gekende materie is hoogst onvoldoende om een gesloten heelal te bekomen. Er is echter die onzichtbare, zogenaamde donkere materie. Men weet niet in welke vorm ze aanwezig is en ook niet in welke hoeveelheid. Is het de normale materie - bestaande uit protonen, elektronen en neutronen - die we kennen of bestaan er exotische vormen van materie die we nog niet hebben ontdekt?

Basisrecepten van het standaardmodel

1 De fysicawetten zijn universeel.

2 Het heelal zet uit: roodverschuiving.

3 Het heelal is isotroop (ziet er in elke richting hetzelfde uit) en homogeen (op zéér grote schaal, zeg van de grootte-orde een miljard lichtjaar, is de verdeling van de materie gelijkmatig).

4 De gravitatie wordt nauwkeurig beschreven door de algemene relativiteitstheorie: materie vervormt de ruimte.

5 Het vroege heelal was in een toestand van zeer hoge druk en temperatuur.

6 Het heelal is geëvolueerd.

7 Het heelal heeft een inflatieperiode gekend.

Om een aantal moeilijkheden van de klassieke Big Bang op te vangen, stelde A. Guth in 1980 zijn inflatietheorie op. Volgens deze theorie zette het heelal eerst geleidelijk uit maar na 10-35 seconde werd de uitzetting zéér sterk versneld.

Gedurende een onnoemelijke fractie van een seconde werd het heelal 1030 maal groter, waarna het heelal weer zijn geleidelijke uitzetting hervatte. Geen wonder dat het heelal vlak lijkt te zijn, dat het homogeen en isotroop is. De inflatietheorie voorspelt tevens dat Omega = 1 moet zijn en dat de temperatuurvariaties in de achtergrondstraling aan de hemel van de grootte-orde 1° moeten zijn. En dat is nu net wat de ballonexperimenten gevonden hebben.

Voor een vlak heelal is er een bepaalde hoeveelheid materie vereist. Men heeft slechts 5% hiervan gevonden in de vorm van sterren en sterrenstelsels. Misschien nog eens 20 tot 25% bestaat uit de zogenaamde donkere materie. Wordt de resterende 75% dan vertegenwoordigd door de “donkere energie” ( de energie van het vacuum of Einstein’s kosmologische constante)? Een wel zeer rare vorm van afstotende kracht die er voor zorgt dat het heelal nu steeds sneller gaat uitdijen!

De satelliet WMAP (Wilkinson Microwave Anisotropy Probe) heeft met voor het ogenblik de grootste nauwkeurigheid de achtergrondstraling gemeten, vooral dan de grootte en de verdeling van de fluctuaties hierin. De eerste resultaten zijn:

1 De oudste sterren waren er reeds een 200 miljoen jaar na de Big Bang, veel vroeger dan men had verwacht.

2 De ouderdom van het heelal bedraagt 13,7 ± 0,2 miljard jaar.

3 De waarnemingen bevestigen de theorie van de Big Bang alsook de inflatie (het heelal is dus vlak en Omega = 1).

4 De samenstelling van het heelal: gewone materie 4 % ± 0,4 %; donkere koude materie (dus bijvoorbeeld geen neutrono’s) 23 % ± 4 % en donkere energie (versnelt de uitzetting van het heelal) 73 % ± 7 %.

5 De Hubbleconstante bedraagt 71 ± 4 km/s.Mpc.

Misschien nog vreemder is een versie van de superstringtheorie, de M-theorie. Elementaire deeltjes zijn in feite golfachtige vibraties van uiterst dunne zogenaamde strings. Driedimensionale membranen (het ruimtelijk equivalent van een string) drijven hierin in de vijfde dimensie (tijd is de vierde dimensie). Parallele branen botsen (dit geeft een big bang) en drijven terug uit elkaar. Dit proces kan zich herhalen in een voortdurende cyclus van creatie en destructie. Maar laat ons wel wezen, alhoewel de superstringtheorie successen kent, die dan wel (nog) steeds louter theoretisch zijn, ontbreekt elk experimenteel bewijs.

Alle massadeeltjes zijn het zelfde maar hebben verschillende vibraties. Het zijn" strings ". Een electron, neutrino, photons en quarks zijn strings. Tot op heden is men opzoek naar de Heilige graal van de fysica deze hoopt men te vinden in het zo gezegde en veronderstelde Higgs-deeltje. Een string bestaat uit 3 dementies plus de tijd 4 en 5 zijn compakte dementies van 9 tot 10 zijn het opgevouwen dementies.