De geschiedenis van de kosmologie
De kosmologie is de studie van het heelal als geheel; het is de vraag naar het alpha en het omega. Dat de inzichten hierin in de loop der tijden aanzienlijk zijn veranderd, en dat nog zullen doen, hoeft ons niet te verwonderen. De eerste mensen moeten met verwondering, maar ook met een zekere angst naar de hemel hebben gekeken. De sterrenhemel leek onveranderlijk, alhoewel er af en toe wel iets gebeurde. De jaarlijkse gang van de Zon aan de hemel viel in onze contreien te rijmen met de seizoenen. De maandelijkse gang van de maan was een goed startpunt voor de uitbouw van een kalender. Dan waren er een aantal ‘sterren’ die niet op hun plaats bleven. Waren dat goden? Waren Zon en Maan dan ook goden? Er verschenen af en toe harige objecten aan de hemel, meestal niet ver verwijderd van de Zon. Boodschappers van de goden? Brengers van kwaad? De mens heeft steeds getracht de hemelse verschijnselen in te passen in zijn leven, in de verering voor zijn goden, om een verklaring ervoor te kunnen geven. De goden gaven tekenen die de mens moest interpreteren, waaraan hij gevolgen kon toekennen. Steeds is de mens geobsedeerd geweest in het voorspellen van zijn toekomst. Want deze is onzeker en onzekerheid is ongeborgenheid, is niet gewenst. Ook nu nog zijn velen dit stadium niet ontgroeid. De geschiedenis leert ons veel over de ontwikkeling van de kosmologie, van het wereldbeeld dat men had. We overlopen enkele mijlpalen in deze geschiedenis.
De astronomie in de oudheid
De hemelbol Wij
weten tegenwoordig, dat de diepte van de wereldruimte gevuld is met
talloze sterren en sterrenstelsels en dat wij deze wereld, die zich
tot een onafzienbare verten uitstrekt, gadeslaan vanaf een klein hemellichaam,
dat wentelt om zijn as en tegelijkertijd een wijde boog beschrijft om
één van die sterren “de zon”. De mensen in
de oudheid kenden deze samenhang echter niet en hield zijn verblijfplaats,
de aarde, voor iets dat geheel vaststond en niet van plaats veranderde.
Daar hij geen voorstelling had van deze afstand tot de sterren, schenen
deze hem lichtpunten toe, vastgehecht aan een bolvormige schaal van
onbepaalde afmetingen (door hem de sfeer of de hemelbol genaamd), in
het middelpunt waarvan hij zichzelf bevond.
De
schijnbare rotatie van de sfeer en de schijnbare beweging van de zon
langs de ecliptica dienden al in de oudheid voor het vastleggen van
het begrip tijd en voor de indeling van de tijd. De loop van de zon
langs de dierenriem bepaalt de duur van een grote tijdseenheid: het
jaar, is de tijdspannen die tussen twee opeenvolgende doorgangen van
de zon door het lentepunt verstrijkt; deze periode omvat de wisseling
van de jaargetijden. De beweging van de maan Voor
vele volkeren van de Oudheid, die als nomaden leefden, had de beweging
van de maan in haar licht wisseling een grote betekenis. Ook de maan
beweegt zich door de sterrenbeelden van de dierenriem, niet langs de
ecliptica, maar langs een zeer gecompliceerde baan, die haar tot circa
5° noordelijk of zuidelijk van de ecliptica kan brengen. Zij doorloopt
de dierenriem in ongeveer 27,3 dagen. Dit wil zeggen, ongeveer dertien
maal zo snel als de zon en in dezelfde richting. Elke negenentwintig
en een halve dag haalt ze de zon in en is onzichtbaar in de zonnestralen
verborgen(nieuwe maan). Daartussen bereikt zij een plaats diametraal
tegenover de zon en straalt dan als een geheel verlichte schijf (volle
maan) aan de nachtelijke hemel. De verduisteringen Daar
het baanvak van de maan een hoek van ongeveer 5° met de ecliptica
maakt, zal de maan in het algemeen ten Noorden of ten Zuiden van de
ecliptica staan. Maar ze zal deze tweemaal gedurende haar maandelijkse
tocht langs de dierenriem overschrijden. De punten waarop deze overschrijding
plaats heeft heten de knopen van de baan van de maan en die bij de doorgang
van de maan door deze knopen en ook de zon zich op dezelfde plaats van
de ecliptica bevindt, dan plaats de maan zich voor de (veel verdere)
zon en bedekt die: er ontstaat een zonsverduistering. Staat echter de
zon op dit tijd stipt diametraal tegenover de maan, dus in de andere
knoop van de maanbaan, dan bevindt de maan zich in de schaduw van de
aarde en spreken we van een maansverduistering. Aarde en maan Dat
de aarde bolvormig is, was de oude Grieken reeds vroeg bekend. Aristoteles
(384-122 voor onze tijd srekening) spraken niet alleen over de bolvorm
van de aarde, maar voerde er ook bewijzen voor aan, onder andere het
feit, dat bij maansverduisteringen de aardschaduw altijd een cirkelvormige
begrenzing heeft, hetgeen slechts mogelijk is als men uitgaat van de
bolvorm van de aarde. Ongeveer 100 jaar later slaagden de Alexandrijnse
geleerde Eratosthenes (276- 194 voor onze tijdsrekening) er in de omtrek
van de aarde uit astronomische waarnemingen af te leiden: hij nam waar,
dat de zon op haar hoogste stand ‘s middags in Alexandrië
altijd zeven-en-een-halve een graad lager staat dan in het 5000 stadiën
zuidelijker gelegen Seyene (het huidige Assoean). Omdat zeven-en-een-halve
graad bijna precies het 50e deel is van de complete cirkel (360°),
trok hij hier uit de conclusie, dat de omtrek van de aarde ook 50 maal
zo groot was dan de afstand van 5000 stadiën dus 250.000 stadiën
moest bedragen. Als wij de Griekse lengtemaat de stadie of stadion op
185 meter aanhouden (wat bij benadering wel juist zal zijn) dan komt
men op een aardomtrek van 14.250 km. Deze waarden ligt ongeveer 15 %
hoger dan de werkelijke veertigduizend kilometer. De planeten Buiten
de zon en de maan kende men in de oudheid nog vijf sterachtige hemellichamen,die
eveneens van plaats veranderden ten opzichten van de vaste sterren:
de planeten Mercurius, Venus, Mars, Jupiter en Saturnus. Ook zij bewegen
in zich langs de dierenriem en blijven steeds dicht bij de ecliptica.
Ze bewegen zich in het algemeen in dezelfde richting als de zon en maan,
dus van het Westen naar het Oosten, maar op tijdstippen met regelmatige
tussenpozen staan ze stil, bewegen zich dan een tijdlang in tegengestelde
richting om pas daarna hun bewegingsrichting te hernemen. Daar zij bovendien
nu eens ten noorden en dan weer ten zuiden van de ecliptica staan krijgen
hun banen de vorm van lussen. De antieke astronomie berust op twee grondstellingen: 1.
De aarde staat vast in het middelpunt der om de hemel als draaiende
bol der vaste sterren; Voor
de beweging van de zon is de zon beweging daardoor nu eens sneller,
dan weer langzamer. De precessie Reeds
Hipparchus van Nicea (190 - 125 voor onze tijdsrekening) had waargenomen,
dat het lentepunt, het snijpunt van de hemelequator en de ecliptica,
dat de zon bij het begin van de lente van het zuiden naar het noorden
doorloopt, niet vaststaat tussen de sterren, en zich langzaam langs
de ecliptica terug beweegt, dat wil zeggen in aan de zon beweging tegengestelde
richting. door de vergelijking van zijn eigen waarnemingen met die uit
vroegere eeuwen, kwam hij tot de conclusie, dat deze precessie van de
dag - en nachteveningen een graad per 100 jaar bedraagt,zodat het lentepunt
in 36.000 jaar eenmaal de gehele dierenriem door loopt.
Van Copernicus tot Newton Het heliocentrische stelsel De intelligente Griek Aristarchus van Samos, die in het midden van de derde eeuw voor onze tijdsrekening leefden, had al de gedachte geopperd dat men de rotatie van de vaste sterrenbol zou kunnen vervangen door een rotatie in tegenovergestelde richting van de aardbol. Verder was de bewegingen van de planeten veel beter te verklaren als men aannam, dat in het middelpunt van de bol van de vaste sterren niet de aarde stond, maar de zon en dat de aarde jaarlijks een excentrische cirkelbaan om de zon doorliep en de planeten het zelfde deden. De zo moeilijk te begrijpen beweging van de planeten kon dan gemakkelijk worden verklaard als een perspectivisch effect, dat ontstond doordat men de cirkelvormige bewegingen van de planeten niet vanuit een vast punt in het heelal, maar vanuit een bewegend punt waarnam. Deze
vernuftige theorie vond echter in de oudheid geen bijval, daar zei in
tegenspraak was met het geocentrisch principe, volgens wat de aarde
onbeweeglijk in het middelpunt van de wereld staat. Tycho
Brache (1546 – 1601), een Deens astronoom, die van 1575-1595 op
zijn sterrenwacht op het eiland Hveen in de stond tussen Seeland en
Schonen met de beste instrumenten van zijn tijd ,astronomische waarnemingen
verrichten, wees de nieuwe heliocentrische theorie op de volgende gronden
af: als de aarde in een kring om de zon zou bewegen, dan moesten de
vaste sterren tijdens deze omloop parallactische verschuiving ondergaan.
Daar hij zelf met behulp van van zijn voortreffelijke instrumenten (weliswaar
nog zonder telescoop, die eerst negen jaar na zijn dood zou worden uitgevonden)
en grote bedrevenheid in het waarnemen geen parallax van de vaste sterren
kon ontdekken, hield hij vast aan de oude opvattingen van de rustende
aarde. Echter nam hij van Copernicus over de grondgedachte, dat vijf
planeten zich in excentrische cirkels om de zon zouden bewegen en hij
kwam tot een wereldbeeld, dat tussen het systeem van Ptolemaeus en dat
van Copernicus in staat. De wetten van Kepler Door een geniale mathematische analyse van de door Tycho Brache uitgevoerde waarnemingen van de planeet Mars kwam Johannes Kepler tot de conclusie, dat de beide grondstellingen van de astronomie van de oudheid niet konden worden gehandhaafd. Ook het tweede principe, dat van de gelijkmatige cirkelbewegingen, dat Copernicus nog had aangehouden, moest Kepler laten vallen om de nog bestaande tegenspraken tussen theorie en waarneming weg te nemen. Volgens Kepler bewegen de planeten en ook de aarde zich om de zon, echter niet langs cirkelvormige banen en ook niet gelijkmatig. De beide eersten wetten, die Kepler in 1609 in zijn geschrift “ nieuwe astronomie” publiceerde, luiden:
De eerste helft van de 17e eeuw bracht behalve de werken van Kepler nog twee belangrijke vorderingen van de wetenschap die voor latere ontwikkeling van de astronomie van beslissende betekenis zijn geweest: in het jaar 1610 werd de verrekijker uitgevonden en in de beide volgende decennia legde Galilei (1564 – 1640), die dit instrument ook als eerste voor waarnemingen van de hemel gebruikte, de grondslag voor de moderne waarneming en experiment berustende fysica. Zijn conclusies en ontdekkingen (de belangrijkste waren de wetten betreffende de vrije val van lichamen en die betreffende de slingerbewegingen)maakte het een halve eeuw later de grote Engelse onderzoeker Isaac Newton(1643 – 1727) mogelijk de grondbegrippen van de mechanica exact te formuleren.
Thales van Milete (circa 625-545 v.C.) was de stichter van de Ionische school. Rond het einde van de zevende eeuw v.C. introduceerde hij de Egyptische astronomie in Griekenland. Hun heelalbeeld was eenvoudig: centraal bevond zich de Aarde, een platte schijf drijvend op water.
Pythagoras Van historisch grotere betekenis was Pythagoras (circa 500 v.C.). Volgens hem waren alle hemellichamen, ook de Aarde sferisch. De Aarde bevond zich, zonder steun, in het midden van het universum. Nu ontstond een kosmologisch idee dat van grote invloed is geweest op de astronomie van de Oudheid tot de Middeleeuwen. Volgens dit idee waren de sterren bevestigd aan een kristallen sfeer die dagelijks draaide rond een as die midden door de Aarde ging. Elk van de zeven planeten – Zon, Mercurius, Venus, Maan, Mars, Jupiter en Saturnus – bewoog eveneens op een eigen sfeer. Alhoewel onder andere Philolaus (circa 480 v.C.) geloofde in het feit dat de Aarde om haar as wentelde, was Aristarchos van Samos (circa 300 v.C.) de enige Griekse astronoom die, om wetenschappelijke redenen, geloofde dat de Aarde bewoog. Hij beweerde dat de Zon en de sterren stilstonden en dat de Aarde en de andere planeten rond de Zon draaiden. Verder was hij erin geslaagd om voor die tijd vrij nauwkeurig de afstand van de Maan tot de Aarde te berekenen.
c (384-322 v.C.) bouwde verder op de ideeën van Eudoxus (circa 400-347 v.C.) en Callipus (circa 370-310 v.C.) in verband met de sferen waarop de hemellichamen zich bevonden. De hemellichamen zelf moesten sferisch zijn, de perfecte en goddelijke vorm. Het bovenmaanse was goddelijk en onveranderlijk, het ondermaanse tijdelijk en aan veranderingen onderhevig. Zo moesten kometen en meteoren dus ondermaanse verschijnselen zijn, een idee dat het tot de 16e eeuw en voor meteoren nog langer heeft volgehouden.
Aan Eratosthenes (276-195 v.C.), een lid van de Alexandrijnse school, danken we de allereerste bepaling van de omtrek van de Aarde. Via een eenvoudig maar ingenieuze methode kwam hij tot op 1% van de huidige waarde. Tevens bepaalde hij de helling van de ecliptica op 23° 51’, een fout van slechts 7’.
Een immense vooruitgang in de astronomie danken we aan Hipparchus (circa 160 v.C.). Hij was een uitstekend waarnemer. Hij ontdekte onder andere de precessie van de equinoxen: de verschuiving van de snijpunten van de hemelequator en de ecliptica onder invloed van de aantrekkende krachten van Zon en Maan. Daardoor gedraagt de Aarde zich als een tol en één precessiebeweging duurt ongeveer 26 000 jaar. Zo was ten tijde van de bouw van de pyramides de ster Thuban poolster. Hipparchus ontwikkelde een speciale tak van de wiskunde (numerische berekeningen), maar vooral ontwierp hij een geometrisch schema om de bewegingen van Zon en Maan te verklaren. Hij is de vader van de zogenaamde epicykeltheorie, waarin het hemellichaam uniform bewoog op een cirkel (de epicykel), waarvan het centrum op zijn beurt op een andere cirkel (de deferent) bewoog. Verder bestudeerde hij eclipsen en stelde bij een sterrencatalogus samen met nauwkeurige posities van de sterren.
Ptolemeus (circa 150) heeft de astronomische kennis van de Grieken samengevat in zijn Almagest, wat het standaardwerk zou blijven tot in de 16e eeuw. Om de ingewikkelde beweging van de planeten aan de hemel te kunnen verklaren, was Ptolemeus verplicht om steeds meer en meer epicykels in te voeren. Dit lukte hem wonderwel, maar het systeem werd zo ingewikkeld dat het elke schijn van realiteit ging verliezen. Het systeem van Ptolemeus noemt men het geocentrisme: alle lichamen bewegen rond de Aarde die in het centrum van het heelal staat.. En zo bleef het dan haast zestien eeuwen onveranderd. In Europa werd er niets nieuws aan toegevoegd. De opvatting van Aristoteles was voor de katholieke kerk haast een dogma en in de Arabische wereld werden de werken van de Grieken en van Ptolemeus bewaard, vertaald en gecopieerd. Na de 13e eeuw begon de interesse voor de wetenschap geleidelijk weer toe te nemen. Namen zoals Roger Bacon (1214-1294), Sacrobosco (circa 1200-1256), Purbach (1423-1461) en Regiomontanus (1436-1476) dienen hier vernoemd te worden. Daarnaast groeide een conflict tussen gezag en waarneming. Een revolutie was op komst. We maken even een zijsprong naar Midden-Amerika. Een van de, volgens Spaanse priesters, zogenaamde “duivelsboeken” van de Maya’s, de Dresden Codex, bevat in tabelvorm de volgende gegevens. Begin met de heliakale opkomst van de planeet Venus in het oosten. Heliacale opkomst is de eerste keer dat in de loop van het jaar een hemelobject voldoende tijd vóór de Zon opkomt, zodat het 's morgens kan waargenomen worden. Venus zal zich nu steeds verder van de Zon verwijderen en als zeer heldere morgenster zichtbaar zijn. Het aantal dagen tussen deze opkomst en de volgende heliakale opkomst bedraagt 236 dagen. Het aantal dagen vooraleer Venus opnieuw verschijnt, maar nu als avondster in het westen bedraagt 90. Het aantal dagen vóór de planeet voor een derde maal verdwijnt is nu 250. En dan verlopen er nog eens acht dagen alvorens de planeet opnieuw een heliakale opkomst in het oosten kent. Telt men dit aantal dagen op dan komt men uit op 584, de lengte van de synodische periode van Venus. Een synodische periode is de tijd verstreken tussen twee opeenvolgende boven- of benedenconjuncties met de Zon. Rond het jaar 1000 waren de Maya’s zeer dicht bij het perfect kennen van de baan van Venus en waren ze misschien bezig een kaart van het zonnestelsel te maken. Misschien zou de Mayabeschaving, zonder onze Europese ‘tussenkomst’, ook een Ptolemeus of een Copernicus voortgebracht hebben.
Copernicus (1473-1543) had helemaal niet de allures van een revolutionair. Het basisidee voor zijn theorie herschreef hij herhaalde malen maar hield dit ook geheim. Niet de Aarde, wel de Zon was het middelpunt van het heelal (heliocentrisme). De Aarde en de andere planeten draaien in cirkelbanen rond de Zon. De schijnbare bewegingen van de hemellichamen zijn dus een gevolg van de beweging van de Aarde zelf. Het verhaal gaat dat Copernicus de eerste druk van zijn De Revolutionibus Orbium Celestium op zijn sterfbed aangeboden kreeg. Ondanks de, zoals later pas zou blijken, revolutionaire inhoud van dit werk – Aristoteles kon nu wel vergeten worden – werd het zonder veel poeha ontvangen. Er was tegenstand van andere astronomen. Men kon zich een beweging van de Aarde niet voorstellen en men bedacht allerhande valse gevolgtrekkingen hiervan. Voor de kerk was er blijkbaar niets aan de hand. De hypothese van Copernicus diende voor berekeningen maar kwam niet met de werkelijkheid overeen, zo luidde hun standpunt. Toch loste ook dit werk alle problemen niet op. Er bleven fouten bestaan in de baanberekeningen van de planeten.
Tycho Brahe (1546-1601) was een uitzonderlijk waarnemer. Hij observeerde een supernova en kon onmogelijk een parallax van een komeet bepalen. Kometen moesten dus, in tegenstelling tot de leer van Aristoteles, bovenmaans zijn. Tycho was niet tevreden met het wereldbeeld van Copernicus, meer omwille van godsdienstige dan om wetenschappelijke redenen. Hij stelde een eigen wereldbeeld op waarin de planeten rond de Zon draaien maar deze, samen met de planeten, draait rond de Aarde. Het was een soort geoheliocentrisme. Maar bovenal bepaalde Tycho uiterst nauwkeurig posities van hemellichamen, en vooral dan van de planeet Mars
Johannes Kepler Deze posities kwamen na Tycho’s dood in handen van Johannes Kepler (1571-1630). Kepler worstelde hier een aantal jaren mee in de hoop een degelijke baan te berekenen voor de planeten, zodat de voorspellingen van hun posities nauwkeuriger werden. In het begin hield Kepler vast aan cirkelbanen, maar in uiterste wanhoop nam hij een ellipsbaan aan. En toen vielen alle puzzelstukken in elkaar. Kepler is beroemd om zijn drie planeetwetten. Hij was tevens een veelschrijver en een vurig aanhanger van de theorie van Copernicus.
Galileo Galilei Galileo Galilei (1564-1642) is de vader van de experimentele wetenschap. Hij had een broertje dood aan theorieën die niet op ervaring en op waarneming waren gebaseerd. Hij leverde baanbrekende bijdragen aan de mechanica en gebruikte voor het eerst een zelfgemaakte telescoop voor hemelwaarnemingen. Hij zag dat Venus een volledige fasecyclus vertoonde (hoe is dit te rijmen met het geocentrisme?), dat er kraters en bergen op de Maan voorkomen, vlekken op de Zon (Aristoteles had nochtans beweerd dat het bovenmaanse perfect was), dat vier satellieten rond Jupiter draaiden (niet alles draaide dus rond de Aarde!). Hij verdedigde hevig, misschien té hevig, de stelling van Copernicus waardoor hij, ook omwille van zijn waarnemingen, in conflict kwam met de kerk. We kennen allen het verhaal van zijn veroordeling, veroordeling die slechts enkele jaren gelden werd herroepen. Het boek van Copernicus kwam op de Index Librorum (1616) en het onderwijzen van zijn theorie werd verboden. Ook boeken van Kepler en van Galilei kwamen op de Index te staan. Slechts in de Indexuitgave van 1835 zijn ze hierin niet meer opgenomen.
Nu brak een tijd aan van waarnemingen en ontdekkingen. Studies van de Maan, van de Zon, van de planeten alsook ontdekkingen van nieuwe satellieten en nieuwe ringen rond Saturnus volgden elkaar snel op. De lichtsnelheid werd bepaald en ideeën over het ontstaan van het zonnestelsel begonnen op te duiken. Wat er echter nog ontbrak was het fundament van dit alles. Waarom draaien de planeten rond de Zon? Waarom in ellipsvormige banen? Waarom vloog de Maan niet weg van de Aarde?
Isaac Newton Dit fundament kwam van Isaac Newton (1643-1727). Newton, een teruggetrokken persoon, heeft fundamentele doorbraken in de fysica veroorzaakt. Hij bestudeerde de theorie van het licht (was de eerste die wit licht via een prisma in zijn kleuren ontbond), hield zich met chemie bezig maar ook met chronologie en theologie. Hij was een knap wiskundige die, samen met Leibniz (1646-1716), het infinitesimaalrekenen heeft uitgevonden. Hij heeft ook de spiegeltelescoop bedacht. Maar zijn grootste verdienste ligt in het opstellen van de theorie van de algemene gravitatie. Deze verklaart waarom de Maan rond de Aarde draait, waarom de planeten rond de Zon draaien, waarom een appel van een boom valt. De theorie kan de drie wetten van Kepler en de mechanica-experimenten van Galilei uitleggen. Getijden, de vorm van de Aarde en de precessie worden nu duidelijk. Nu nog worden dank zij deze theorie kunstmanen naar de rand van het zonnnestelsel gezonden, waar ze, in het geval van Neptunus, na 12 jaar en een afstand van 4,5 miljard km vier (!) seconden ‘te laat’ aankwamen en hun berekende positie 30 meter verschilde van de werkelijke. Een aantal onderzoekers ontwikkelden hieruit een mechanisch wereldbeeld. Men was ervan overtuigd dat het heelal een perfect Zwitsers uurwerk was. Men dacht dat de hoofdzaken in de fysica ontdekt waren en dat alles nu neerkwam op het invullen van nog enkele onbelangrijke details. Maar een nieuwe revolutie stond voor de deur. Steeds groter werd het aantal afwijkingen van de klassieke theorieën. Niet dat deze afwijkingen zo groot waren. Ze vormden wel een vervelende zaak die maar niet wou verdwijnen.
Albert Einstein En toen ontstond in het begin van de 20e eeuw de kwantummechanica met het onzekerheidsbeginsel van Heisenberg (1901-1976) en met bijdragen van onder andere Bohr (1885-1962) Planck (1858-1947), Schrödinger (1887-1961). Gedaan was het met ons Zwitsers uurwerk; de fysica was inherent statistisch geworden. Men kon exact voorspellen dat het ging gebeuren, wat er ging gebeuren, maar er bleef een onzekerheid in het waar en wanneer. Rond diezelfde tijd kwam Albert Einstein (1879-1955) op de proppen met zijn relativiteitstheorie. Het was een gravitatietheorie die geldig is in systemen die erg versneld worden (of zich bevinden in de nabijheid van zeer grote massa’s) en voor objecten die met een snelheid vergelijkbaar met (maar kleiner dan) de lichtsnelheid bewegen. In zulke systemen schiet de gravitatietheorie van Newton tekort. In zijn theorie legt Einstein het verband tussen de structuur van de ruimte en de in deze ruimte aanwezige materie. Nu werd het mogelijk mathematische heelalmodellen op te stellen. Deze werden berekend door onder andere De Sitter (1872-1934), Friedman (1888-1925) en Lemaître (1894-1966). Een derde hoofdrolspeler, die iets later op het toneel verscheen, was de hoge energiefysica en de studie van de elementaire deeltjes. Het mag dan op het eerste gezicht verwonderlijk lijken maar de elementaire bouw van de materie en de evolutie van het heelal zijn erg nauw met elkaar verbonden. |