De azimutale coördinaten

 

 

 

Azimutale coördinaten zijn volledig plaats gebonden en kunnen dus niet gebruikt worden voor de plaatsaanduiding van hemellichamen. Toch zullen we er aandacht aan besteden omdat zij later van pas kunnen komen wanneer je eventueel met een telescoop gaat werken, voorzien van een Dobson montering. Dit soort telescoop opstellingen laat enkel bewegingen van het instrument toe in azimut en in hoogte, dit wil zeggen om een horizontale as en om een verticale as. Dit is grotendeels de manier waarop wij de wereld om ons heen bekijken.

Azimutale coördinaten maken gebruik van de horizon en het zenit, het punt op de hemelbol vlak boven een welbepaalde plaats, waar de verticaal van die plaats de hemelsfeer snijdt, het punt vlak boven je hoofd. Omdat zenit en horizon voor elke plaats verschillen, begrijp je al dadelijk dat coördinaten die erop gebaseerd zijn eveneens voor elke plaats verschillen.

Een coördinaat in het azimutaal systeem wordt bekomen door vanuit het object een loodlijn neer te laten op de horizon. De lengte van de boog of nog de hoek die hij overspant wordt de hoogte van het hemellichaam genoemd. De hoogte wordt aangeduid met de letter “d” en in engels talige werken met “ Alt “. Zij wordt gemeten vanaf de horizon en als positief aangegeven naar het zenit toe, als negatief naar het nadir. De hoogte wordt uitgedrukt in graden, minuten en seconden of in minuten en tiende ervan. De horizon krijgt als hoogte nul en dus bevindt zich zenit op + 90°. De hoogte van een object dus kan dus enkel liggen tussen 0° en + of –90°.

 

De equatoriale coördinaten

 

We kunnen de sterrenhemel beschouwen als een hele bol met een ondefinieerbare, bijna oneindige, straal rond onze aarde die met haar kleine waarnemers in het midden staat zoals in het oude,geocentrisch wereldbeeld.

Hoewel dit wereldbeeld lang geleden door het heliocentrische werd verdrongen, biedt het nog steeds een handige manier om objecten aan de hemel van coördinaten te voorzien. Omdat de sterrenhemel schijnbaar een grote hemelbol lijkt, concentrisch met de aardbol, kunnen de aardse coördinaten gewoon worden uitgeprojecteerd op deze hemelbol. Nochtans zijn enkele wijzingen noodzakelijk om een duidelijke plaatsbepaling van de hemelobjecten te bekomen.

 


Door de evenaar door te trekken tot op de hemelbol, wordt deze laatste eveneens in twee gelijke helften verdeeld. Een noordelijke en een zuidelijke hemelsfeer. Op elke hemelsfeer wordt de hoogte van een ster boven de hemelequator bepaald door uit de ster een denkbeeldige loodlijn op de equator bepaald door uit de ster een denkbeeldige loodlijn op de equator neer te laten. De loodlijn vormt een boog op de hemelsfeer die een hoek overspant vanuit het midden van de bol. Voor de ster A is dit de hoek AOP. Deze hoek en ook de boog AP noemt men de declinatie van ster A. Wereldwijd werd overeengekomen dat de declinatie aangeduid wordt door de kleine Griekse letter d (delta).

Aan de hemelsfeer spreekt men echter niet van noorder- of zuiderbreedte, maar van positieve of negatieve declinatie. Algemeen werd overeengekomen dat de hemelequator de declinatie nul krijgt en dat alles ten noorden ervan een positieve declinatie heeft en alles ten zuiden ervan een negatieve declinatie.

Om een volwaardig hemelcoördinaten stelsel te bekomen, rest nu enkel te bepalen waar juist op de hemelequator het punt P gelegen is, de voet van de boog AP. Hiervoor dient een vast punt op de hemelequator te worden gedefinieerd en daarbij maakt men gebruik van de zon.

Uit de schijnbare beweging van de zon langs de hemelbol heeft men kunnen vaststellen dat elk jaar, bij het begin van de lente, de zon op dezelfde plaats aan de hemelbol staat. Ze staat op dezelfde plaats tussen de sterren, die men overdag uiteraard niet ziet. Bovendien heeft men opgemerkt dat de Zon dan ook net op de hemelequator staat. Men noemt dit punt dan ook het lentepunt en werd algemeen aanvaard als beginpunt van alle metingen langs heen de hemelequator. Het wordt aangeduid met het symbool voor het sterrenbeeld de Ram (Aries): (ook wel eens first point of Aries genaamd bij astronavigators).

 

De hoek, op de hemelequator gemeten, tussen het lentepunt en de plaats waar de loodlijn uit ster A de hemelequator snijdt noemt men de rechte klimming van de ster A. Dit is de hoek OP. Men duidt de rechte klimming aan met de Griekse letter a.

De hoek van de rechte klimming wordt gemeten tegen de wijzers van de klok in als men vanuit de noordelijke hemelpool naar de hemelequator kijkt. De hoek wordt niet uitgedrukt in graden maar in uren. Dit is een andere manier van aanduiden want als je 360 ° deelt door 24 uur bekomt men 15 °. Dus één uur rechte klimming is gelijk aan 15 °. Bij de verdeling in uren wordt eveneens gebruik gemaakt van de verdeling in minuten en seconden of in minuten en tienden ervan. De rechte klimming neemt toe van west naar oost. Dit zie je ook op sterrenkaarten en steratlassen. Het is ook logisch want sterren komen evenals het lentepunt, op in het oosten en hoe later een ster na het lentepunt opkomt, des te groter is de uurwaarde van de rechte klimming en des te later gaat ze door het zuiden.

 

 

De loodlijn uit de ster A op de hemelequator is in wezen niets anders dan een boog van de grote cirkel door de noordelijke en zuidelijke hemelpool en ster A. Dit zie je beter in de figuur. Men noemt die grote cirkel APB de uurcirkel van de sterren A en B en de grote cirkel door de uurcirkel van het lentepunt, uiteraard per definitie de cirkel van nul uur rechte klimming. Je ziet eveneens dat de ster B dezelfde rechte klimming heeft als ster A maar dan is de declinatie negatief.

Men spreekt dus bij equatoriale coördinaten niet van meridianen zoals bij de geografische coördinaten maar van uurcirkels, dit om verwarring te vermijden en vooral omdat in de sterrenkunde de meridiaan een specifieke betekenis heeft. De meridiaancirkel van een wel bepaalde plaats op aarde is de grote cirkel die door de noordelijke hemelpool en door de zuidelijke hemelpool gaat en door het zenit en het nadir. Het zenit is het punt waar een rechte van uit het midden van de aarde, door voeten en hoofd van de waarnemer heen de hemelsfeer snijdt. De meridiaancirkel snijdt de horizon in het noorden in het zuidpunt. Hij ligt dus vast voor elke welbepaalde plaats en zal verschillen voor plaatsen met verschillende ooster- of westerlengte.

In de sterrenkunde zal je dikwijls tegenkomen dat met “meridiaan van een plaats” eerder het deel van de meridiaancirkel bedoeld wordt dat gelegen is tussen het zenit en het zuidpunt.

Coördinaten gebaseerd op rechte klimming en declinatie worden “ equatoriale coördinaten” genoemd en zijn wereldwijd bruikbaar, onafhankelijk van de plaats van de waarnemer. Equatoriale coördinaten bepalen vaste plaatsen van sterren en hemelobjecten en ten overstaan van vaste referentiepunten op de hemelbol. Vergeet niet dat de hele hemelbol schijnbaar in één etmaal volledig van oost naar west ronddraait. Zo is het lentepunt wel een vast punt op die hemelbol maar geen vast punt ten overstaan van jouw waarnemingsplaats op de aarde. Het draait met de hemelbol in één etmaal éénmaal rond. Het komt dus net als sterren op en gaat onder.

 

 


-Home-