De hemelmechanica
Inleiding
Visueel
ervaren wij de sterrenhemel vanop onze aarde als een enorme bol met
een bijna oneindige straal. Hierop lijken alle sterren en hemelobjecten
op dezelfde afstand te zitten. We kunnen dan ook slechts twee eigenschappen
van deze hemellichamen direct waarnemen en meten, hun helderheid en
de richting waarin ze, van ons uit gezien, staan. Dit laatste biedt
de mogelijkheid hun onderlinge posities op de hemelkoepel te vinden.
Deze
onderlinge posities worden aangegeven door de hoekafstand tussen de
twee richtingen waarin wij twee hemellichamen op de hemelbol van elkaar
zien verwijderd staan.
Zowel de gemeten hoek als boogafstand worden aangegeven in graden
en onderverdeling ervan.
1
booggraad(1°)=60 boogminuten(60’)
1 boogminuut(1’)= 60 boogseconden(60”)
1 booggraad(1°)= 3600 boogseconden(3600”)
Wanneer
men tijdens het waarnemen aan iemand wil aanwijzen waar iets aan de
sterrenhemel te zien is, kan men dat ook doen met hoekafstanden vertrekkend
van een bekend object of een bekende ster. Hierbij is de methode van
de gesloten vuist of uitgestrekte vingers een handige truc. De methode
werkt echter alleen met een uitgestrekte arm. De breedte van een gesloten
vuist is ongeveer 8°, hetgeen bij benadering overeenkomt met de
hoekafstand tussen de sterren Pheka en Merak in het sterrenbeeld Ursa
Major(Grote Beer). De breedte van één vinger kun je
voor ongeveer 2° nemen of 4° is iets minder dan de hoekafstand
tussen de sterren Alioth en Megrez in Ursa Major.
Probeer het zelf maar eens aan de sterrenhemel.

Efemeriden
Als
amateurastronoom is het handig, vertrouwd te zijn met de verschillende
manieren om het verschijnsel “tijd” in te delen en te
gebruiken. In het dagelijkse leven volstaat het de tijd te kennen
van de tijdzone waarin we ons bevinden. Dat is de tijd die je klok,
uurwerk of polshorloge aangeeft.
Wanneer we echter astronomische verschijnselen waarnemen, dan blijken
deze niet in de pas te lopen met de tijd die we op ons uurwerk aflezen.
Zo valt de middag, of het tijdstip waarop de zon precies in het zuiden
staat, voor Genk tien minuten vroeger dan voor iemand uit Ieper.
Onze
huidige kalender gaat terug tot het jaar 1582. Hij werd ingevoerd
door paus Gregorius XIII als vervolg en verbetering van de Juliaanse
Kalender, opgelegd door Julius Caesar. Onze kalender wordt dan ook
de Greogoriaanse Kalender genoemd. Het opstellen van een goede kalender
heeft door de eeuwen heen voor wat problemen gezorgd. Omdat de duur
van een jaar niet overeenstemt met het aantal dagen.
We
noemen één jaar de tijdsduur die de Zon nodig heeft
om van het Lentepunt via het Zomersolstium, het Herfstpunt en het
Wintersolstitium precies in het Lentepunt terug te komen. Wanneer
we uitgaan van de middelbare zonnedag, dan blijkt het jaar exact 365,2422
dagen te duren. Men noemt dit een “Tropisch” jaar.
Via
een kunstgreep is men er in geslaagd een bruikbare kalender op te
stellen. Deze kunstgreep is de zogeheten schrikkeldag( 29 februari)
en werkt als volgt:
Allereerst
is men overeengekomen om het jaar 365,25 dagen te laten duren. Vervolgens
wou men een nieuw jaar steeds op een dagwisseling zien beginnen. Daarom
heeft men het jaar 365 dagen laten duren en om de vier jaren een jaar
in te lassen van 366 dagen of een “schrikkeljaar”. Een
schrikkeljaar vindt plaats wanneer het jaartal deelbaar is door vier.
Maar dan blijft er nog een verschil bestaan van 365,25-365,2422=0,078
dagen per jaar. Dit levert een afwijking op van 11 minuten per jaar
of 18 uur per eeuw. Die afwijking is niet aanvaarbaar. Als oplossing
laat men opgezette tijd een schrikkeljaar niet doorgaan. Dat gebeurt
op de eeuwwisseling die niet deelbaar is door 400. Zo waren 1700,
1800 en 1900 geen schrikkeljaren, maar 1600 en 2000 wel.
Over
de eeuwen gezien, bracht men op die manier de duur van het jaar gemiddeld
op 365,2425. De laatste restfout van 365,2425-365,2422=0,0003 dag,
dit is aanvaarbaar. Ze levert pas een afwijking op van één
dag na 3333 jaren.
Al
met al is onze kalender dus een erg kunstmatig geheel. De natuur houdt
zich niet aan deze regels.
De
Juliaanse dag of datum (JD)
Deze
heeft niets te maken met de Juliaanse kalender die we hiervoor hebben
besproken, noch met de huidige kalender. De Juliaanse kalender werd
door Julius Caesar uitgevoerd, de Juliaanse dag of Juliaanse datum
door Joseph Justus Scaliger (1540-1609).
De
Juliaanse dag, afgekort JD- is gewoon een onafgebroken dagtelling.
Deze start op 1 januari 4713 voor Christus. Precies die datum werd
gekozen, omdat volgens oude religieuze opvattingen, op dat moment
de wereld zou zijn ontstaan. De JD is dus niets meer dan het aantal
dagen, verstreken sinds dat ogenblik.
Het
“Juliaanse-dag” systeem situeert de dagwisseling steeds
om 12 uur wereldtijd of 12 UT. Verder worden uren niet aangegeven,
maar uitgedrukt in delen van een dag. B.v. 5h30 wordt 5.5/24=0,2292
dagen. Deze dagdelen worden bijgevoegd als getallen na de komma.
Voorbeeld:
23
januari 2004 te 8h50 midden Europeese Tijd( MET):
Voor 23 januari 2004 vinden we JD= 2453027, (zie hemelkalender). We
hebben 8h50 MET, dit is 7h50 UT. Er zijn dan 19h en 50 minuten verstreken
sinds 12 UT (gisteren). Uitgedrukt in dagdelen is dat 19/24+50/24X60=0,83.
De JD is dus 2453027.83. Noteer dat men een punt gebruikt om de decimalen
te scheiden en niet een komma !
De
JD wordt in de astronomie vooral gebruikt om langlopende verschijnselen
te volgen zoals helderheidsveranderingen van veranderlijke sterren
of grafieken in functie van tijd. Rekenen met de JD over een langere
periode is eenvoudiger dan werken met de kalender. Ook een computer
gebruikt de JD.
De
uurhoek

De
uurhoek van een object is de hoekafstand tussen de meridiaan door
het object (of zijn declinatiecirkel) en anderzijds de meridiaan.
Deze laatste loopt van het zuidpunt op de horizon via het zenit naar
het noordpunt op de horizon. De uurhoek wordt gemeten vanaf het zuidpunt,
over West, Noord en Oost terug naar het zuidpunt. De uurhoek wordt,
evenals de rechte klimming uitgedrukt in tijdeenheden.
Let
wel op. Dit is niet het azimut!!!
De
uurhoek meet je af op de hemelequator en druk je uit in uren, het
azimut meet je af op de horizon en druk je uit in graden. Voor het
meten van de uurhoek gaan de twee bepaalde grote cirkels door de hemelpool.
Voor het meten van het azimut gaan ze beiden door het zenit. De uurhoek
zal je veel gebruiken wanneer je met deelcirkels wil werken op een
equatoriale of parallactische montering.
Wanneer
we praten over zonnetijd moeten we vooreerst een onderscheid maken
tussen de ware zonnetijd en de middelbare zonnetijd.
Wanneer
we de tijdsinterval meten tussen twee opeenvolgende doorgangen van
het middelpunt van de zon door de meridiaan (zuiden), bekomen we het
tijdsverloop van een ware zonnedag. Deze tijdsduur is over het jaar
gezien niet constant. Omdat de baan van de aarde om de zon een ellips
is, kan haar baansnelheid niet gelijkmatig zijn. Omdat de ecliptica
het spiegelbeeld is van de aardbaan, is dus ook de snelheid van de
zon langs de ecliptica veranderlijk. Op de ware zonnedag kun je dus
moeilijk een praktische tijdmeting baseren. De dagen zouden alle een
verschillende lengte hebben. Men heeft dan ook gezocht naar een manier
om die verschillen weg te werken.
De
middelbare zonnetijd(tm)
Om
de verschillen in daglengte bij gebruik van de ware zonnetijd te omzeilen,
heeft men toevlucht genomen tot een fictieve zon. Dit is een zon die
de ecliptica op een eenparige wijze, dus met een constante snelheid
doorloopt. Daarbij gaat ze wel op exact hetzelfde moment als de ware
zon door het perigeum. Daar echter de hemelequator een hoek maakt
met de ecliptica, zal de rechte klimming van deze eerste fictieve
zon niet gelijkmatig toenemen.
Men voert daarom een tweede fictieve zon in die ditmaal over de hemelequator
loopt en niet over de ecliptica. Deze zon beweegt eveneens met een
constante snelheid langs de hemelequator, zodat haar rechte klimming
nu wel gelijkmatig toeneemt. Zodoende heeft deze tweede fictieve zon
een dagelijkse looptijd van exact 24 uur. Zij komt samen met de eerste
fictieve zon in het lentepunt en niet in het perigeum. Deze tweede
fictieve zon wordt de middelbare zon genoemd en zij bepaalt de middelbare
zonnetijd. Je begrijpt dat haar posities dienen te worden berekend
omdat zij niet waarneembaar is.
De tijdvereffening of de analemma

Het
verschil tussen de ware en de middelbare zonnetijd noemt men de tijdvereffening.
Zij wordt aangeduid met de letter E.
E=tw-tm
De
grootte van de tijdvereffening over één jaar is weergegeven
in tabelvorm en grafisch.
De
analemma ontstaat door gedurende een gans jaar, steeds op hetzelfde
tijdstip van de middelbare zonnetijd, om 12 uur, het azimut en de
hoogte van de ware zon te meten. Soms vind je die figuur wel eens
afgebeeld op een zonnewijzer.
De
burgerlijke tijd en universele tijd
Daar
de meridiaandoorgang van de tweede fictieve zon het middaguur is van
de middelbare zonnetijd, is de burgelijke tijd niets anders dan de
middelbare tijd plus 12 uur. We beginnen onze uurtelling immers om
middernacht en niet ‘s middags.
tb=tm+
12 uur
Omdat
de middelbare tijd betrekking heeft op een meridiaandoorgang, is hij
automatisch afhankelijk van de plaats waar je je bevindt. Daar men
behoefte had aan een tijd die voor het ganse aardoppervlak dezelfde
is, heeft men de wereldtijd ingevoerd. Dit is eenvoudig de burgerlijke
tijd van Greenwich. Hij wordt steeds aangeduid als UT (universele
time).
Bij het rapporteren van waarnemingen gebruiken we dus alléén
“UT”. Want deze tijd is voor een Japanner of Amerikaan
hetzelfde.Zeker als men gebruik maakt van het internet.
De
lokale tijd en zonetijd

De
middelbare zonnetijd is in feite een lokale tijd. Het is 12 uur ‘s
middags als de middelbare zon door de plaatselijke meridiaan gaat..
Dit tijdstip is dus verschillend voor elke plaats, die ten Oosten
of ten Westen van die meridiaan ligt. Per graad Ooster of Westerlengte
zit er een verschil van 4 minuten. Positief naar het oosten, negatief
naar het westen. Vandaar dat men tijdszones heeft ingesteld, die van
pool tot pool lopen en 15 graden breed zijn, hetgeen overeenstemt
met één uur.De zones zijn genummerd van 0 tot 23, gaande
van West naar Oost, met de zone waarin de meridiaan van Greenwich
loopt als zone 0.
De
tijd binnen een zone is gelijk aan de universele(UT) verhoogd met
een aantal uren, gelijk aan het zonenummer. Onze klokken zijn afgestemd
op de meridiaan van Görlitz, 15 graden ten oosten van Greenwich.
Om het nog ingewikkelder te maken voeren wij in de zomer nog een extra
uur toe.
Belangrijk
als waarnemer is kennis te hebben van uw juiste geografische ligging,
noodzakelijk bij verduisteringen, opkomsten en andere fenomenen.
Genk
bevindt zich op 5 graden oosterlengte. Dit is 10 graden minder dan
Görlitz. Om de lokale tijd, dit is de lokale middelbare zonnetijd,
te bekomen moet je van de MET 40 minuten aftrekken. Immers 10 graden
verschil komt overeen met 10X 4 minuten. Je kan ook vertrekken van
de UT of Greenwich tijd. Dan ligt Genk op 5 graden méér
dan de meridiaan van Greenwich. Om de lokale tijd dan te bekomen moet
je 5X4 minuten= 20 minuten bij UT optellen. Voor Genk is de lokale
tijd dus:
MET-40
minuten of UT+ 20 minuten
Deze
tijdscorrectie is belangrijk voor het instellen van een draaibare
sterrenkaart of “software” planetariumprogramma die niet
voor het tijdsverschil tussen lokale en zone tijd werd gecompenseerd.
De
sterrentijd is de uurhoek van het lentepunt(firstpoint of Aries) op
een gegeven plaats en op een gegeven ogenblik.
We
gaan er vanuit dat de positie van de aarde op haar baan zodanig is
dat we de zon en een ster pal op één lijn zien. We zouden
denken dat we de volgende dag de zon en die ster op hetzelfde uur
weer op één lijn zullen zien. Dit klopt dus niet.
De
aarde staat niet stil in haar baan. Zij is tijdens de omwenteling
om haar as opgeschoven van A naar positie B. Hierdoor zullen we de
ster eerder zien dan de zon. De aarde zal nog ongeveer 4 minuten langer
om haar as wentelen, alvorens we weer pal naar de zon kijken. Die
4 minuten komen overeen met één graad.
24
uren= 24X60=1440 minuten
Als
je 360 deelt door 1140 minuten bekom je 4 minuten voor één
graad of 3600/240= 15 boogseconde van & seconde.
De
sterrendag is ongeveer 4 minuten korter dan de zonnedag. Om precies
te zijn, 23 uur, 56 minuten en 4,905 seconden.
Dus
na een jaar zijn we terug bij af.
-4minuten per dag=4X30=120 minuten per maand, 2uren per maand X 12
maanden, is 12X2 uren= 24 uren per jaar.
Per dag zullen we de sterrenhemel van Oost naar West een beetje zien
opschuiven. Wanneer we steeds op exact hetzelfde tijdstip van de nacht
naar het Oosten kijken, zullen we daar elke keer weer nieuwe sterren
en sterrenbeelden zien verschijnen. Dit is de reden waarom we lente,
Zomer, Herfst en Wintersterrenbeelden kennen. Maar na één
jaar zijn we weer rond en staan dezelfde sterren op dat zelfde moment
op de zelfde plaats als het jaar eerder.
De
sterrentijd is hier eveneens opgebaseerd. We weten dat de sterrenhemel
in één etmaal éénmaal ronddraait. Alleen
doet hij dat 4 minuten sneller dan de zon schijnbaar rond gaat. De
klok die door de sterrenhemel gevolgd wordt loopt dus vierminuten
per etmaal voor op de zonneklok. Alle sterrenbeelden draaien in één
etmaal, éénmaal rond en gaan dan ook alle éénmaal
door het zuiden of door de nulmeridiaan. Ook het lentepunt, dat zich
in het sterrenbeeld Vissen bevindt, doet dat.
Nul
uur sterrentijd of het begin van de sterrendag begint wanneer het
lentepunt door de nulmeridiaan gaat en het doet er helemaal niet toe
of dat ‘s nachts of overdag gebeurt. Je verstaat nu dat de sterrentijd
voor alle plaatsen op aarde, die niet op dezelfde meridiaan liggen,
verschillend zal zijn. De sterrentijd is een lokale tijd.
Slechts
éénmaal per jaar is de sterrentijd dezelfde als de middelbare
tijd. Namelijk op 23 september om 12 uur ‘s middags de zon staat
dan in het Herfstpunt.
De
ecliptica is de schijnbare baan die de zon in één jaar
volgt tussen de sterren. Het is het spiegelbeeld van de baan van de
aarde om de zon. Deze beweging is in tegen wijzer in als je vanuit
de ruimte naar de noordpool van de zon kijkt. Deze beweging van de
zon tussen de sterren verloopt over twaalf vaste sterrenbeelden. Zeven
ervan dragen de naam van een dier en de band heet dan ook de dierenriem.
Je kan op een draaibare sterrenkaart, de planisfeer, duidelijk zien
dat de zon in één jaar van west naar oost door deze
dierenriem loopt.
Bekijk
in de figuur hieronder de baan van de aarde in het vlak van het zonnestelsel.
Je merkt hierbij dat de rotatie as van de aarde niet loodrecht op
haar baanvlak staat. Zij maakt met die loodlijn een hoek van 23 °
27’.

De
keerkringen en solstitia
Bij
het bekijken van de figuur, vallen twee punten van de ecliptica op.
Het zijn de hoogste punten boven en onder de equator. Daar de ecliptica
met de evenaar een hoek maakt van 23 ° 27 ‘ bevinden deze punten zich
dan ook op 23° 27’ noorderbreedte en 23° 27 ‘ zuiderbreedte. De zon
komt dus nooit méér dan 23° 27 ‘ boven of onder de hemelequator. Dit
wil niet zeggen dat we de zon ’s middags nooit hoger of lager dan
23° 27 ‘ boven de horizon kunnen zien.
De
breedtecirkels die overeenkomen met 23° 27 ‘ boven en onder de evenaar
worden” keerkringen” genoemd. Op die breedtegraden aangekomen, keert
de zon haar jaarlijkse “ klimmende” of “dalende” beweging. Wij noemen
deze punten de “zonnewenden” of solstitium. Zo onderscheiden we de
zomer -en de winterzonnewende of zomer -of winter solstitium.
De
eveningen en het lentepunt

In
deze figuur zien we twee opvallende punten, dit op de hemelequator.
Het zijn de snijpunten van de ecliptica met de hemelequator. Deze
twee punten noemt men de knopen van de ecliptica en de lijn die ze
verbindt heet de knopenlijn. Wanneer de zon zich tijdens haar jaarlijkse
baan in de klimmende knoop bevindt, begint de lente. De positie van
deze knoop op de hemelbol heet het lentepunt
Net
zoals de klimmende knoop lentepunt heet, noemt men om dezelfde reden
de dalende knoop tot herfstpunt. In deze twee punten bevindt de zon
zich pal op de hemelequator (declinatie= 0°). Daardoor zijn de dag
en de nacht even lang. Men noemt deze punten ook wel de eveningen.
Perigeum,
apogeum en de apsidenlijn.
Het
perigeum en het apogeum zijn oud Griekse woorden gevormd door de
samentrekking van geos dat aarde betekent met peri (dicht) en apos
(ver). In het perigeum staat de zon dus het dichts bij de aarde,
in het apogeum het verst. De lijn die deze twee punten verbindt
noemt men de apsidenlijn. In het perigeum heeft de zon de grootste
snelheid in haar schijnbare beweging op de ecliptica. Dit valt rond
3 januari. In het apogeum, rond 4 juli, is de snelheid van de zon
langs de ecliptica het kleinst. Een en ander volgt uit de tweede
wet van Kepler ofwel de perkenwet.
“Kepler
zegt dat alle planeten zich rond de zon bewegen in elliptische banen,
waarbij de zon zich in één van de brandpunten van de ellips bevindt”.
Daarom
is de duur van de seizoenen verschillend. Zo duurt de winter 89 dagen,
de lente 93 dagen, de zomer 93 dagen en de herfst 90 dagen. Hierdoor
staat de zon in het herfstpunt op 23 september en niet op 21 september.

Het
perigeum (of perihelium) en aopgeum (of aphelium) vallen niet samen
met het winter – en zomer solstium.
De
precessie van het lentepunt
Wanneer
je denkt dat alle coördinaten en punten die we tot hiertoe op de
hemelbol bepalen, echt vast en onveranderlijk zijn, ben je wel bedankt
voor de moeite. Het lentepunt verplaatst zich namelijk langs de
ecliptica. Weliswaar met een heel kleine snelheid, maar die is toch
groot genoeg om het hele equatoriale coördinatenstelsel regelmatig
te moeten herzien.
De aarde maakt een tolbeweging die als je vanaf
de aarde naar de hemel kijkt, in tegen wijzer in verloopt. Hierdoor
gaat de richting waarin de aardas wijst - of de hemelpool zich op
een cirkel evenwijdig aan de ecliptica tussen de sterren verplaatsen.
De hoek waaronder deze tolbeweging gebeurt bedraagt 23° 27 ‘.
De ecliptica en de hemelequator snijden elkaar in
het herfst – en lentepunt. Door de tolbeweging van de hemelpool
in wijzer zin zal het lentepunt zich automatisch langs de ecliptica
eveneens in wijzer zin verplaatsen, dus vanaf de aarde gezien naar
het westen.

Het
punt P is de pool van de ecliptica P1 en P2 zijn twee standen van
de tollende equator – of hemelpool.
“Evenaar 1” en “Evenaar 2” zijn de overstemmende
standen van het equatorvlak ten overstaan van het eclipticavlak.
Wanneer de hemelpool zich verplaat van P1 naar P2, verplaats de
equator zich van E1 naar E2 en verschuift het lentepunt –
snijpunt van equator en het eclipticavlak van ¡1 naar ¡2.
Deze verplaatsing noemt men de precessie van het lentepunt. Een
volledige toer van de hemelpool en lente punt duurt 25765 jaar.
De jaarlijkse verplaatsing bedraagt 50.26 boogseconden (50.26”).
De
aantrekkingskracht van de maan zal eveneens op de massa van de aarde
inwerken. Hierdoor zal de hoek van de aardas niet constant blijven
maar periodiek schommelen rond de gemiddelde waarde van 23 ° 27 ‘.
Deze schommeling wordt “ nutatie van de pool as” genoemd. Zij is relatief
klein. De waarde bedraagt 9.21 boogseconden (9.21”) .
De
pool as trilt als het ware om de cirkel die zijn 25765 jaar doorloopt.
Zij doet er 18.6 jaar over.
Omwille
van de precessie, verplaatst de hemelpool zich tussen de sterren en
loopt het lentepunt in wijzer in langs de ecliptica. Op 21 maart staat
de zon niet in de ram maar in de vissen. Daar ligt nu het lentepunt.
Drieduizend jaar geleden zagen de Babyloniërs en Egyptenaren
de zon op 21 maart wel in de ram. Daarom wordt het lentepunt aangeduid
met “¡ “ , het teken van de ram. De (Vernal quinox).
Een ander gevolg van de precessie is Polaris of de poolster. Die wijst
monenteel, het punt aan waarrond de sterrenhemel schijnbaar draait.
Vierduizend jaar geleden was de ster Thuban in de Draak (a Draconis)
onze poolster en rond het jaar 13775 zal de ster Wega in de Lier dicht
bij de hemelpool staan. Binnen 12000 jaar zou de aardas ondersom gekanteld
staan, dit zou betekenen dat de bewoners van het zuidelijk halfrond
dan een witte kerst krijgen terwijl wij in de zomer lui liggen te
zonnebaden. Welke gevolgen dit gaat hebben op mens ?, dier en klimaat
?
Voor het equatoriaal
coördinaten systeem heeft de processie zware gevolgen. Wij
weten dat de rechte klimming gemeten wordt vanaf het lente punt
en de declinatie vanaf de hemelequator. We weten dat de precessie
de hemelpool tussen de sterren verplaatst. Het lentepunt verplaatst
zich gelijktijdig langs de ecliptica en langs de hemel equator.
Door deze beweging verschuift het hele equatoriale coördinatennet
ten overstaan van de sterrenhemel. Dit heeft tot gevolg dat steratlassen
en ster catalogi op regelmatige tijdstippen zullen moeten worden
aangepast en dit om de 50 jaar. De periode waarvoor een steratlas
geldig is noemt men het “epoch” of “equinoctium”.
Strikt genomen is de steratlas slechts geldig voor het tijdstip
van de observatie of waarvoor hij is opgesteld zoals deze van heden
met het equinoctium van 1 januari 2000 om 12h 00minuten en 00 seconden
UT(universale time) de Epoch 2000.0.
|