[ Mercurius][Venus][Aarde][Mars][Planetoïden][Jupiter][Saturnus][Uranus][Neptunus][De kuipergordel ]

 

Mercurius 
   

Mercurius staat van alle planeten het dichts bij de zon. De planeet verwijdert er zich nooit meer dan 28 ° van. Daardoor is ze slechts gedurende korte periode waarneembaar: kort na zonsondergang en kort voor zonsopgang. Daarom ook was onze kennis van Mercurius tot voor kort uiterst beperkt. Mercurius blijkt er zo uit te zien als onze maan. Ze is overvloedig bedekt met kraters, wat onthult dat de planeet sinds haar ontstaan vier miljard jaar geleden nauwelijks geëvolueerd is. Daarentegen suggereert men het bestaan van en dunne atmosfeer rond de eerste planeet van het zonnestelsel. De atmosfeer van Mercurius bestaat niet uit moleculen, maar uitsluitend uit atomen. Mercurius heeft in feite nog het meeste weg van een "dode" planeet, maar dan wel een heel snelle… 

Mercurius verwijdert zich aan de hemel nooit ver van de Zon: het is de planeet die het dichtst bij de Zon staat. In haar perihelium kan de dagtemperatuur oplopen tot 467° C terwijl het ‘s nachts kan afkoelen tot -173° C, het grootste dag-nachtverschil in het zonnestelsel. Met zijn kleine massa en de nabijheid van de Zon is het niet verwonderlijk dat een atmosfeer ontbreekt (we vinden er slechts 105 atomen/cm3; aan het aardoppervlak bedraagt het aantal moleculen 1019/cm3). En dit ontbreken van een atmosfeer verklaart de extreme temperatuursverschillen tussen dag en nacht.
De planeet loopt in 88 dagen éénmaal rond de Zon en draait in 58,65 dagen éénmaal rond zijn as. Mercurius draait bijgevolg driemaal rond zijn as in de tijd dat de planeet tweemaal rond de Zon loopt. Er bestaat een 3:2 resonantie tussen de aswenteling en de baanperiode. Eén etmaal op Mercurius duurt dus tweemaal zolang als een jaar op die planeet. Ga dit zelf even na. Dit komt door de getijdenwerking van de Zon. Die veroorzaakt periodieke veranderingen in het oppervlakte van de planeet van ongeveer een meter. De dissipatie van die energie vertraagde de rotatie en leidde tot de huidige stabiele toestand.
De excentriciteit van de baan is de grootste, op die van Pluto na. Dit maakt dat nabij het perihelium de baansnelheid van de planeet groter is dan de aswentelingssnelheid. Dan zal de beweging van de Zon aan de hemel stoppen en van richting veranderen om, nadat de planeet zich van het perihelium verwijderd heeft en de baansnelheid kleiner is geworden, terug haar normale loop te hervatten. Ook ontvangt de planeet tweemaal meer energie van de Zon tijdens haar periheliumdoorgang dan tijdens haar apheliumdoorgang.

Oppervlak

In 1974-1975 is de planeet bezocht door het enige ruimtetuig (Mariner 10) dat Mercurius tot heden heeft aangedaan. Het ging dan nog om drie scheervluchten waarbij ongeveer 45% van het planeetoppervlak werd in kaart gebracht. En op het eerste gezicht lijkt dit oppervlak erg op dat van onze Maan. Ook het Mercuriusoppervlak is bedekt met regoliet, tot puin verpulverde rots. Er zijn echter belangrijke verschillen.
Twee terreintypes overheersen: de hooglanden met veel kraters en de interkratervlakten. Tussen beide is er een gering albedoverschil , in tegenstelling tot de situatie op onze Maan. Daar steken de donkere maria echt af tegen de lichtere gedeelten (de terrae). Op plaatsen is het terrein chaotisch met breuken, bergruggen en opschuivingen. Deze laatste vormen een bewijs voor het feit dat het planeetoppervlak verkleind, gekrompen is. Langs een breukvlak wordt een blok naar boven geduwd. Het overhangende deel stort in onder invloed van zijn eigen gewicht. Hierdoor verkleint het planeetoppervlak.
Kleine kraters gelijken erg op bomkraters. De grote kraters zijn explosiekraters. De kinetische energie (m·v2/2) van het inslaand projectiel wordt plots omgezet in hitte. Niet alleen verdampt het projectiel, ook een deel van de bodem, tot meerdere maal de massa van het inslaande projectiel. De kraterwanden zakken een beetje in elkaar en stromen gedeeltelijk naar binnen: er vormen zich terraswanden. Bovendien veert de kraterbodem terug omhoog en er ontstaan centraalbergen. Als benaderend vuistregeltje kun je stellen dat een projectiel met een diameter van 1 km een krater vormt met een diameter van 10 km.

Inwendige

Mercurius bezit een grote dichtheid. Voor zo een kleine planeet met een relatief kleine massa is het inwendige niet erg samengedrukt. Die grote dichtheid moet bijgevolg komen van een wel bijzonder grote ijzer-nikkelkern, die 75% van de diameter van de planeet uitmaakt. Mercurius is een éénplaatplaneet met één ononderbroken lithosfeer . Het warmteverlies gebeurt er door geleiding.
Mercurius bezit een zwak magnetisch veld. Dit veld is sterker dan dat van Mars. Toch draait de planeet zeer langzaam rond zijn as en zou de kern vast moeten zijn (kleine lichamen koelen vlug af). Misschien is de kern nog gedeeltelijk vloeibaar of ligt er een vloeibare schil rond de kern. De aanwezigheid van zwavel verlaagt het smeltpunt van ijzer.

Ontstaan

Hoe komt een zo kleine planeet aan een zo grote kern? Vermoedelijk is, in de beginperiode van het ontstaan van het zonnestelsel, de protoplaneet Mercurius in botsing gekomen met een ander groot lichaam. Hierbij verloor Mercurius een groot gedeelte van zijn gesteentemantel wat, samen met de ijzerkern van de indringer, de nu in verhouding grote kern kan verklaren.

 

   
 
 
 
 
Diameter (km) 4880
Rotatie periode 58.65 dagen
Polaire inclinatie
Aard massa's 0.055
Dichtheid 5.5
Ontsnappingssnelheid 4.3 km/sec
Oppervlak gravitatie 0.38
Magnitude 0
Albedo 0.06
 
[ Mercurius][Venus][Aarde][Mars][Planetoïden][Jupiter][Saturnus][Uranus][Neptunus][De kuipergordel ]