Het waarnemen van planeten

Beginners starten nogal geestdriftig met planeetwaarnemingen. Planeten zoals Venus, Mars, Jupiter en Saturnus lokaliseer je immers makkelijk. Na de zon en de maan zijn het de helderste objecten aan de hemel. De eerste blik door een kijker op zo een wereld is voor de meeste mensen teleurstellend.
Pas na lang genoeg kijken, kun je op Jupiter twee donkere streepjes ontwaren die de equatoriale banden moeten zijn of zie je op het egaal - oranje oppervlak van Mars een klein donker vlekje dat alleen maar Syrtis Major kan zijn. Enkel Saturnus zal je van in het begin bevallen. De ring geeft echt een mooi ruimtelijk effect.
Voor een beginnend waarnemer is dit al gauw een reden om de kijker voorlopig maar met rust te laten, in de waan dat de rest van wat er aan de hemel te zien is waarschijnlijk ook niet veel zaaks zal zijn. Toch hebben de planeten heel wat te bieden. Het vergt alleen een pak geduld, veel doorzettingsvermogen. En zelfs al wil je er wat minder tijd aan spenderen, zijn er nog altijd andere waarnemingen te doen. Zo kan je de posities van de Jupiter maantjes bijhouden of trachten al de planeten in je leven te zien of zoveel mogelijk planeten in één nacht.

Waar vind je ze ?

Planeten aan de nachthemel opzoeken met alleen maar een planisfeer of een sterrenatlas zal moeilijk lukken. Planeten zijn ,zoals het woord “Planein” (zwerven) aangeeft, objecten die tussen de sterren “dwalen” of bewegen. Om ze te lokaliseren zal je gebruik moeten maken van een Hemelkalender. In deze jaarlijkse verschijnende publicaties vind je zoekkaarten voor praktisch elke planeet. Maar bovendien kan je ook best weten welke perioden van de jaar gunstig is voor je waarnemingen.

De binnenplaneten

De binnenplaneten Mercurius en Venus ga je altijd moeten zoeken in de buurt van de zon. Dat betekent dat je ze ofwel ’s avonds direct na zonsondergang zal moeten waarnemen. Binnen planeten zijn het best te observeren bij hun maximale elongatie, hetzij oost of west, want dan is de hoek tussen de planeet en de zon vanaf de aarde gezien het grootst. Op dat moment staat de planeet het verst van de zon weg en loopt de minste kans dat ze wordt overstraald.
Is de maximale elongatie oostelijk, dan zal je de planeet ’s avonds moeten observeren, want dan is ze oost van de zon en gaat ze uiteraard pas na de zon onder. Is de maximale elongatie echter westelijk, dan zal je de planeet ’s morgens moeten waarnemen want dan komt ze voor de zon op. Maar zelfs bij maximale elongatie is de waarnemingsperiode voor de binnenplaneten beperkt. De maximale elongatie voor Mercurius is 28 ° en voor Venus 46 °.
De zichtbaarheid van de binnenplaneten is ook afhankelijk van de stand van de ecliptica ten overstaan van de horizon. De ecliptica maakt een hoek van 23 ° 27’ met de hemelequator. Daardoor ga je haar gedurende de loop van een jaar een hoek zien maken met de oostelijke of westelijke horizon die voor elk tijdstip anders is. Dat is ook te zien aan de zon. Gedurende het jaar gaat die voor een bepaald tijdstip meer of minder steil t.o.v. de horizon opkomen en de ecliptica is tenslotte haar baan.
Nu vallen de banen van de planeten allemaal praktisch in het vlak van de ecliptica en zal je de planeten steeds moeten zoeken in de omgeving van de ecliptica. Wanneer bovendien een binnenplaneet net haar grootste elongatie bereikt, dan is die planeet optimaal zichtbaar.
Een avondverschijning ligt heel wat gunstiger in de lente want dan bevindt zich het deel van de ecliptica dat je ’s avonds ziet, ten noorden van de hemelequator en bijgevolg steiler op de horizon. ’s morgens bevindt het zichtbare deel van de ecliptica zich ten zuiden van de hemelequator. en dus minder steil en ook dichter bij de horizon. In de herfst daarentegen is het andersom. Dan staat de ecliptica ’s morgens steiler op de horizon en ligt een ochtendverschijning het gunstigst. ’s avonds krijg je dan weer een ecliptica te zien die minder steil en dichter bij de horizon ligt en dat is minder gunstig.

 

Nu is dit alles voor het waarnemen van Venus niet zo kritisch. Deze planeet is zo helder dat ze altijd wel door de schemering, de nevel, laag aan de horizon door priemt. Maar wil je Mercurius waarnemen dat moet je er zeker rekening mee houden.
Tijdens de benedenconjunctie staat de planeet het dichtst bij de aarde. Dan zal zijn hoekdiameter, of de hoek waaronder je ze ziet, het grootst zijn. Helaas zit de zon in dezelfde richting. Je kijkt tegen de onverlichte zijde aan van de planeet die door het zonlicht wordt overstraald. Het is dan “ nieuwe planeet” zoals bij de maan. Bij een bovenconjunctie is de situatie net andersom. De planeet staat het verst van ons af en is dus op z'’ kleinst. Men ziet nu een kleine heldere verlichte "volle planeet".
Vlak voor en vlak na de beneden conjunctie kunnen we echter een grote smalle sikkel ontwaren. De binnenplaneten vertonen schijngestalten zoals de maan. De mate waarin een planeet die schijngestalten vertoont is afhankelijk van de hoek zon – planeet – aarde. Daardoor wordt de hele cyclus van schijngestalte doorlopen, nieuw, eerste kwartier, vol en laatste kwartier. Er is echter een belangrijk verschil met de maan. Gedurende het doorlopen van deze schijngestalten variëren de binnenplaneten sterk in hoekdiameter. Bij de volle fase is de planeet op zijn kleinst, bij de nieuwe fase het grootst, met de andere fasen er tussenin.


De buitenplaneten

Buitenplaneten lopen in een baan die verder van de zon liggen dan die van de aarde. Daardoor moet je ze niet steeds in de buurt van de zon gaan waarnemen. De buitenplaneten prijken vaak hoog en zelfs gedurende de hele nacht aan de hemel. Men moet ze gaan zoeken in de buurt van de ecliptica, in de sterrenbeelden van de zogenaamde dierenriem.
In plaats van een beneden en bovenconjunctie, kennen buitenplaneten een conjunctie en een oppositie. Wanneer een buitenplaneet in oppositie is, doorloopt ze haar oppositielus tussen de sterren. Dat is een schijnbaar teruglopende beweging die je ziet omdat de omlooptijd van de aarde rond de zon korter is dan die van de planeet.
Het waarnemen van een oppositielus aan de hemel is een fijne bezigheid en je kan het met het blote oog observeren. Schat om de paar dagen de positie van de planeet tussen de omringende sterren en duidt ze aan op een sterrenkaart. Zo zie je de wetten van de hemelmechanica voor je ogen tot leven komen, zoals de astronomen uit de oudheid dit deden.
Wanneer een planeet in conjunctie staat kun je in principe niet meer waarnemen want de zon zit in de weg. Als de planeet in oppositie staat, komt ze op bij zonsondergang, blijft de hele nacht aan de hemel staan en gaat onder bij zonsopgang.
Een planeet kan ook in oostelijke of westelijke kwadratuur staan. Staat ze in westelijke kwadratuur, dan zal ze om middernacht opkomen en door de zuidelijke meridiaan gaan bij zonsopgang. Bij oostelijke kwadratuur komt ze ’s middags op en gaat bij zonsondergang door de meridiaan.

Waarnemingen

Planeetwaarnemingen doe je best met een telescoop. Het haalt helaas niet veel uit om met een binoculair naar de planeten te kijken. Buiten een telescoop zijn er nog een paar dingetjes die je beter in huis kan halen.

Instrument

Echte planeetwaarnemers kopen of bouwen speciaal daarvoor bedoelde optische instrumenten. Dit zijn over het algemeen instrumenten met een lange brandpuntsafstand en dus een grote focale verhouding, bij voorkeur N=15(f15) zelfs tot 20. Ze komen dan meestal uit op een refractor of een speciaal daartoe gebouwde Newton want de klassieke Newtons hebben meestal een lagere focale verhouding, zo van 4 tot 10.

Vergroting

Voor de studie van planeetoppervlakken heb je een hogere vergroting nodig dan voor het observeren van andere objecten. Bij een lage vergroting zijn de planeetschijfjes, behalve dat van Jupiter, zo klein dat zij zich zelf overstralen. 2 maal D de diameter van het objectief in millimeter is zowat de bovengrens voor de vergroting. Meer vergroten heeft geen zin want dan ga je als het ware “leeg” vergroten. Je ziet het beeld wel groter worden en de details wel verder uit elkaar maar ze worden wazig en je zal zeker geen bijkomende details zien.
Werken met vergrotingen in de buurt van de bovengrens kan je rustig vergeten als je niet beschikt over een zeer stevig en volledig trillingsvrij statief en dito montering, liefst voorzien van volgmotoren. Bovendien moet ook nog de atmosfeer rustig zijn wil je de bovengrens van de vergroting halen.

Filters

Wanneer je kleuren met filters wel doorlaat en andere gaat onderdrukken, kunnen details op het oppervlak ineens stukken beter zichtbaar worden en duidelijk afgetekend.
Kleurfilters dragen over het algemeen een codenummer dat de aard van de kleur en de kleurdiepte aangeeft. Soms is dat het Schotnummer maar het meest ga je het Wrattennummer tegenkomen. Dat werd ingevoerd door Kodak voor gebruik in de fotografie. Je zit het op filters staan als een “W” gevolgd door een nummer.
Je zal alvast begrepen hebben dat een planeetwaarnemer beschikt over een setje kleurfilters die op het oculair kunnen geschroefd worden. Filters zijn wel heel nuttige hulpmiddelen bij planeet waarnemingen. Bij Mars betekent het gebruik ervan details waarnemen of niet en bij Jupiter zijn de wolkenbanden pas echt uitgesproken zichtbaar.

De atmosfeer

Afgezien van wolken, mist of dauwvorming kunnen, zelfs bij helder weer, de onderlinge beweging van de diverse luchtlagen het beeld flink doen trillen of de scherpte ervan aardig doen variëren.
De mate waarin het beeld van een object door een kijker gezien trilt, wordt de “seeing” genoemd. Het verschijnsel wordt veroorzaakt door opstijgende warme en dalende koude luchtbellen. Daardoor gaat de brekingsindex van de diverse luchtlagen variëren. Dan gaan lichtstralen voortdurend van richting veranderen waardoor sterren gaan flikkeren, schitteren en details op de planeetschijfjes en zelfs de planeet gaat dansneigingen krijgen. Deze ongemakken moet je als waarnemer erbij nemen.

De seeing volgens Pickering

Zeer slechte seeing 1 Zeer slechte seeing 2 Zeer slechte seeing 3
Zwak 4 Middelmatig 5 Gunstig 6
Gunstig tot goed Goed Zeer goed
   
  Uitstekend maar zelden  

 

 

De planeten

Mercurius

Mercurius is de meest moeilijkste planeet om waar te nemen. Toch met veel geduld en de nodige informatie zal het je lukken, vooral met een binoculair en in het voorjaar visueel door de hoge stand van de ecliptica en in de herfst ’s morgens.
Mercurius is helder, rond magnitude 0 , maar omdat de planeet zo dicht in de buurt van de zon zit, kan blote oog waarneming, omwille van de avondschemering of het ochtendgloren, best moeilijk zijn. Een vrije horizon is wel noodzakelijk

Venus

Venus is steeds een boeiende verschijning. Wanneer de planeet ’s avonds aan de hemel schittert, is dit een voor bode van een beloftevolle waarnemingsnacht. De verleiding is dan sterk om je kijker dadelijk met volle vergroting op Venus te richten, maar dat gaat lelijk tegenvallen. De schitterende Venus is zo helder dat je deze moet afdekken door gebruik te maken van een maanfilter, dan kan je ook de schijngestalten waarnemen. Eigenlijk zijn de schijngestalten het enige interessante wat je aan de mooie Venus kan zien.

 

Mars

Deze planeet heeft altijd sterk tot de verbeelding gesproken, maar voor je de komende opposities vol verwachting tegenmoet kijkt, eerst een waarschuwing. De hoekdiameter waaronder je Mars kan bekijken bedraagt maximaal 25.7”. Wil je dus de fijnste details op de planeet waarnemen, dan is niet alleen een goede kijker op stabiele montering vereist, maar eveneens de nodige ervaring een flink pak geluk met de seeing. Een kleine kijker toont heus wel de poolkappen, Syrtis Major, Hellas en andere details op de planeet

De Marsopposities

Mars doorloopt een baan die buiten de Aardbaan ligt en is bijgevolg een buitenplaneet. Nu zijn planeetbanen geen cirkel maar wel ellipsen, waarbij de zon in één der twee brandpunten staat. Twee andere karakteristieke punten van een ellipsvormige baan zijn het perihelium en het aphelium de punten het dichts en het verst van de zon verwijderd.
Nu spreek je van een oppositie als, vanaf de aarde gezien, de zon en betrokken planeet diametraal tegenover elkaar staan. Bij een oppositie die plaats vindt wanneer de planeet in haar perihelium is ga je deze laatste onder een veel grotere hoekdiameter zien dan bij een oppositie met Mars in zijn aphelium. Men spreekt dan ook van gunstige (perihelium) en ongunstige (aphelium) Marsopposities. Daar varieert de hoekdiameter tussen 27.5 en 13.8 boorseconden.
Nu is de omloop van Mars om de zon iets minder dan tweemaal de omloop van de aarde, een marsjaar duurt 1.88 aardjaar. Daarom zullen er ongeveer om de twee jaar opposities plaatsvinden, dus om de 780 dagen. Door de verschillen in excentriciteit tussen de banen van aarde en Mars, zal er slechts om de 17 jaar een perihelium of gunstige oppositie plaatsvinden en om de 17 jaar een aphelium of ongunstige oppositie. Tussen die twee extremen in zal je uiteraard opposities krijgen met allerlei tussenliggende hoekdiameters.
Met de Marsopposities is er nog iets anders aan de hand. De rotatie as van Mars maakt, net als die van de aarde, een hoek met de ecliptica. Die hoek bedraagt 24 graden en daarom heeft Mars evenals de aarde seizoenen. Maar door die stand van de rotatie as, zie je de ene maal meer van het zuidelijk Mars halfrond en de andere maal meer van het noordelijk halfrond, inclusief de opvallende poolkappen. Nu wil het geval dat je bij de gunstigere (perihelium) opposities tegen het zuidelijk halfrond aankijkt en bij de ongunstige (aphelium) opposities meer het noordelijk halfrond ziet.
De gunstige perihelium opposities vinden altijd in de zomer of het najaar plaats, de ongunstige daarentegen in de winter of het voorjaar. Nu weten we over de ecliptica dat deze in de zomer of het najaar ’s avonds en bij het begin van de nacht laag boven de horizon staat. Dat betekent dat een planeet die op dat moment zichtbaar is eveneens laag boven de horizon zal staan en je daarbij ook meer last zal hebben van een slechte seeing. In de winter en het voorjaar is de situatie uiteraard net andersom. Men kan dit probleem omzeilen door naar het zuidelijk halfrond te reizen.

Schijngestalten

 

Hoewel Mars een buitenplaneet is, kan je toch een merkbare schijngestalte of fase ontwaren. Zij is vergelijkbaar met de maanfase enkele dagen voor of na volle maan. Die fase zijn een gevolg van de fasehoek. Dat is de hoek aarde – planeet – zon.

Instrument

In de meeste gevallen moet je naar een piepklein bolletje kijken. De beste tijd is enkele maanden voor en na een oppositiedatum om de planeet te observeren.
Wat kan je verwachten van een instrument 60-100mm refractor of van een 100-200 mm reflector? De eerste aanblik zal je vast en zeker zwaar teleurstellen. Al wat je ziet is slechts een klein, dansend oranje – geel bolletje. Bij Mars moet je de vergroting opvoeren, liefst tot de maximum toelaatbare en nog. Een vergroting boven de 100 maal begint acceptabel te worden. Je ziet dus eerst dat kleine wiebelende bolletje. Toch moet je nu echt volhouden want je oog moet even wennen aan het beeld. Na een tijdje observeren ga je af en toe merken dat het bolletje minder wiebelt. Dan zie je opeens iets wat op een detail lijkt. Een donker vlekje dat men een albedostructuur noemt of iets witachtig aan de rand van het schijfje, een poolkap. Zo moet je doorgaan en proberen vast te houden wat je gezien hebt, door een schets. Mogelijk ga je door langer waarnemen nog meer details zien. Vaak ontwaar je ook lichtere gebieden tussen de donkere albedoformaties, zoals Hellas of Argyre. Zo kom je er al doende achter dat je met een bescheiden instrument toch een behoorlijk scala structuren kan waarnemen.
Om nu al die structuren te herkennen kan je een kaart gebruiken. Je kan stellen dat vrijwel alle structuren op die kaart met een 80mm refractor of een 150mm Newton te onderscheiden zijn. Op dezelfde kaart merk je de donkere gebieden “Mares” of zeeën genoemd analoog aan de maan. Die Mares zijn hoger gelegen gebieden op Mars, de lichtere gebieden daarentegen zijn laaglanden. Dit weten we door de ruimtevaart.

 

Oriëntatie

Ook op Mars duid je iets aan met lengte en breedte, alleen tel je 0 tot 360 graden oostwaarts. Op Mars bestaat geen oosten – en westerlengte.
Voor een gegeven tijdstip komt het er op aan te weten welk lengtegraad bereik naar de aarde is gekeerd. Dit bereik beslaat ongeveer 60 ° ten westen en 60 ° ten oosten van wat de centrale meridiaan wordt genoemd. Die centrale meridiaan staat voor de waarnemer op aarde onbeweeglijk vast. Hij loopt van de noordpool van Mars over het midden van de planeetschijf naar de zuidpool. Omdat Mars roteert (24uur en 37 minuten) verandert de lengte van de centrale meridiaan voortdurend ten opzichte van het vaste coördinatensysteem dat met Mars meedraait.

Kleuren filters

Om details tijdens de waarnemingen beter te kunnen onderscheden wordt vooral bij marsobservatie het gebruik van kleurfilters aanbevolen. Zo kan het best zijn dat je geen of weinig details ziet omwille van de matige seeing. Door het gebruik van een filter kan dit wel lukken.
Voor kleinere instrumenten is een oranje filter (W-21, W23 A) de beste keuze.

De seizoenen op Mars

Je kan de verandering van de seizoenen volgen in de kijker. Vooreerst zie je de poolkap krimpen. Dit merk je pas op na enkele weken. Voor de oppositie zie je vaak nog een grote poolkap. Na de oppositie is er niet meer over dan een klein vlekje. Vooral de Zuidpoolkap toont duidelijke veranderingen. Een ander seizoensverschijnsel is een donkere kraag, die je rond de sublimerende poolkap ziet ontstaan. Deze effecten kan je reeds met een klein instrument waarnemen.

Jupiter

 

In vergelijking met de “aardse” planeten Mars, Venus, levert Jupiter dadelijk een heel ander beeld op. De planeet is omgeven door een enorm wolkendek waarin het uitermate turbulent en woelig is. Reeds met kleinere kijkers zijn reeds details duidelijk waarneembaar. De Jupiter – opposities worden steeds met spanning tegen moet gezien. Als planeet is Jupiter onmiskenbaar te vinden tussen de sterren.

Jupiter opposities

Jupiter voltooit een omloop rond de zon in 11 jaar en 10 maanden. De opposities vinden steeds om de 13 maanden plaats. Omdat de Jupiter baan zich veel verder buiten de aardbaan bevindt zijn er geen wezenlijke verschillen tussen de opposities onderling. Bij lagere vergrotingen (50- 100 maal) zijn reeds toereikend om de hoofdstructuren te kunnen ontwaren.
Je zou alleen van gunstige of ongunstige opposities kunnen spreken uitgaande van de positie van Jupiter op de ecliptica. Wanneer een oppositie in de zomer of het najaar valt is die ongunstig voor een avond – of nachtwaarneming. Jupiter zal dan laag boven de horizon staan. Winter – of najaar opposities zijn heel wat gunstiger, want dan vind je de planeet hoog aan de avond – en nachthemel. Men kan door de enorme afstand buiten de aardbaan geen schijngestalten waarnemen.

Waarneming

Bij een eerste blik op Jupiter door een kijker, valt je dadelijk de fel verlichte geel – witte schijf op die een duidelijke ovale vorm heeft. Dit komt niet door een slechte seeing, maar je kijkt regelrecht naar de uitwerking van de middelpuntvliegende kracht. Jupiter draait in minder dan 10 uur om zijn as, waardoor de planeet een duidelijke afplatting vertoont. Wat je dadelijk zal opvallen zijn de vier Gallileïsche maantjes Io, Europa, Ganymedes en Callisto.

Oppervlaktestructuren


Bij nader toe kijken zul je oppervlaktestructuren gaan ontwaren en wat meteen opvalt is dat die parallel lopen aan de evenaar. Die is gemakkelijk te herkennen want hij loopt over de jupiter schijf waar deze het breedst is. De noord - zuid lijn daarentegen loopt over de planeetschijf waar die het platst is.
Uiteraard zorgt de hoge rotatiesnelheid van de planeet voor dit effect. Op Jupiter kan je de waarneembare details in twee categorieën onderbrengen, donkere banden en lichtere zones.
Je ziet eerst twee evenwijdige strepen, midden over de planeetschijf. Dit zijn de hoofdstructuren van Jupiter, twee equatoriale wolkenbanden die de Noord en de Zuid equatoriale band worden genoemd (NEB en SEB). Daarnaast kun je op hogere breedten banden en zones onderscheiden. Die springen minder goed in het oog zodat zij door beginnende waarnemers vaak over het hoofd worden gezien. Men noemt deze de gematigde banden en zones. Verder zie je ook in de polaire gebieden een verdonkering. Vaak kan je in de banden regelmatig uitstulpingen zien. Een ander goed waarneembaar detail is het festoon, een verbinding tussen twee banden en vaak tussen de SEB en de NEB, over EZ heen. Naast festoons, witte vlekken, treden ook nog andere details zoals condensaties, nodules en in hammen.
In de overgangszones worden wervelingen gezien die zich vaak manifesteren als witte vlekken die van enkele dagen tot weken zichtbaar blijven. De bekendste werveling is de Grote Rode Vlek (GRS) die al minstens 400 jaar bestaat.

 

De maantjes van Jupiter

Tot nu toe werd enkel aandacht geschonken aan Jupiter en aan de details die je op de planeet kan ontwaren. Maar Jupiter heeft nog een opvallende attractie, de vier heldere maantjes die reeds door Galileo Galileï werden waargenomen. De vier heldere satellieten van Jupiter. Io, Europa, Ganymedes en Callisto, samen worden ze de Gallileïsche Manen genoemd. Ze vormen een bezienswaardigheid op zich.
Reeds met een kleine kijker, kan je die maantjes dag na dag duidelijk van plaats zien veranderen. Je kan als ware in de voetsporen treden van Galileo Galilëi.
Met je kijker kan je al de verschijnselen van de Jupiter maantjes waarnemen. Dat zijn conjuncties, bedekkingen, verduisteringen, overgangen en schaduwovergangen.
Men spreekt van een conjunctie wanneer de verbindingslijn tussen twee maantjes loodrecht staat op het verlengde van Jupiter'’ equator. Conjuncties gebeuren omdat je ,als waarnemer niet steeds exact in het vlak kijkt waarin de maantjes rond de planeet draaien.
Bedekkingen ga je tweemaal per 12 jaar kunnen waarnemen dan zit je in het baanvlak van de maantjes en ga je dus onderlinge bedekkingen en verduisteringen observeren. Je kan dit vergelijken met de wijze waarop je tegen de ringen van Saturnus aankijkt. Die zie je ook soms als een streepje en soms maximaal open.
Heel spectaculair zijn de verschijnselen die je kan observeren wanneer de satellieten in de buurt van Jupiter komen. Dan kun je getuige zijn van bedekkingen, verduisteringen, overgangen en schaduwovergangen.
Een bedekking betekent dat de satelliet aan de rand van de Jupiter schijf verdwijnt of weer verschijnt. Dat noemt men het begin en het einde van de bedekking.
Bedekkingen gebeuren dus aan de Jupiter rand maar waarbij zie je het licht van het maantje niet plotseling uitgaan of aanflitsen. Dit gebeurt heel geleidelijk en dat is meteen het bewijs dat Jupiter omgeven is door een atmosfeer. Dit fenomeen doet zich bij verduisteringen niet voor want daarbij treedt het maantje in de schaduwkegel van de planeet (begin) of komt er terug uit te voorschijn (einde) en dat zie je plotseling gebeuren.
Schaduwovergangen treden op wanneer een maantje voor Jupiter door trekt waarbij je een donker stipje over de planeet ziet heen trekken . Bij goede seeing kun je vaak ook het maantje zelf als een witte vlek over de Jupiter schijf zien lopen. Je observeert dan een overgang.
Verwar echter een schaduwovergang niet met een donkere structuur in het wolkendek. Om overgangen en schaduw overgangen te kunnen zien, heb je minstens een objectief diameter nodig van 75 mm.
Omwille van de helling van het baanvlak der satellieten kan je soms ook een maantje boven of onder de planeet schijf zien doorgaan. Wanneer dat baanvlak maximaal naar ons toe is gekanteld, zie je het ook onder de maximale hoek, net zoals je de ringen van Saturnus “ maximaal open” kan zien. In die stand van het baanvlak kunnen de buitenste manen Ganymedes en Callisto, Jupiter “missen”. Zij schuiven niet achter of voor de planeet door maar blijven zichtbaar op het achter – of voorliggend gedeelte van hun baan.


Saturnus

 

 

 


In het zonnestelsel en mogelijk wel aan de ganse sterrenhemel spreekt geen enkel object meer tot de verbeelding dan Saturnus. Dit ligt ongetwijfeld aan het prachtige ringen stelsel dat je reeds met een kleine kijker kan bewonderen. Voor een binoculair heeft Saturnus maar weinig te bieden. De ringen ga je niet als zodanig herkennen, je ziet hooguit een klein langwerpig schijfje. Je kan mogelijk een glimp opvangen van de maan Titan. Maar dan moet je wel precies weten waar die zich bevindt om haar niet te verwarren met een sterretje dat toevallig in de buurt van Saturnus staat.

De zichtbaarheid

Door zijn grote helderheid tijdens en rond de oppositiedatum, is het niet moeilijk om Saturnus met het blote oog te lokaliseren. De planeet komt in oppositie om de 378 dagen of 1 jaar en 13 dagen. Voor één omloop om de zon of met andere woorden om éénmaal de ecliptica te doorlopen heeft Saturnus 29.4 jaar nodig.
Saturnus kan vrij lang op een gunstige maar ook ongunstige plek van de ecliptica zitten. Net als Mars en Jupiter moet je ook Saturnus vrij laag boven de horizon gaan zoeken wanneer de opposities plaats vinden in de nazomer of Herfst.

De ringen

Die zijn vrijwel zeker de bezienswaardigheid van het zonnestelsel. Wanneer je met de kijker de nachthemel afspeurt is Saturnus het enige object dat de verwachtingen waar maakt.
Om het te kunnen zien is een vergroting van 50 maal een minimum. Maar om er ten volle van te genieten kun je beter tot aan de limieten van je kijker gaan. Het beeld zal dan niet zo stabiel zijn en erg afhankelijk van seeing en transparantie maar de enkele momenten dat het in focus springt zijn prachtig.
Wanneer je Saturnus gedurende een aantal jaren waarneemt, merk je op dat het uitzicht van de ringen na verloop van tijd verandert. Je ziet de ringen evolueren van meer open d.w.z. dat je er eerder bovenop kijkt en er zelf door kan kijken, naar meer gesloten tot zelfs volledig onzichtbaar worden omdat je tegen de rand van het vlak aankijkt.
De oorzaak ligt bij de helling van de rotatie – as van Saturnus op het ecliptica vlak. Die bedraagt 27 ° met het gevolg dat je gedurende één Saturnus omloop rond de zon, tweemaal op de rand van de ringen kijkt, die dan onzichtbaar worden en tweemaal de ringen maximaal open ziet staan. Tussen maximaal open en onzichtbaar zitten steeds zeven jaar. Bovendien kijk je gedurende de ene helft van het Saturnus jaar, dat zijn 15 aardse jaren, tegen het Noordelijk halfrond van de planeet aan en gedurende de andere helft van het Saturnus jaar zie je het Zuidelijk halfrond.
Met een relatief klein instrument, een refractor van 60 tot 100 mm of een reflector van 100 tot 150 mm kan je ook nog enige details in de ringen ontwaren.

 


Men kan vaststellen dat het ringenstelsel uit meerdere concentrische ringen bestaat waartussen je donkere scheidingen kan zien. De voornaamste ring is de zogenaamde B – ring die door de scheiding van Cassini los zit van de A - ring. Die A – ring zelf is reeds aanmerkelijk donkerder dan de B – ring. Bij slechte seeing of in een te klein instrument, ga je de A en de B ringen in elkaar zien overlopen en zie je slechts één ring die naar buiten toe afzwakt. Binnen de A – ring bevindt zich nog de Scheiding van Encke. Die kun je enkel met een instrument van meer dan 200 mm opening waarnemen.
De C – ring, ook Crepe –ring genoemd bevindt zich binnen de B – ring en is slechts met grote telescopen te zien. Hij verraadt wel zijn aanwezigheid in kleinere telescopen wanneer je hem voor de Saturnusbol ziet. Dan zorgt hij voor een afzwakking van het licht van de planeetbol, net alsof er een sluier voor hangt. Maar dat verschijnsel mag je niet gaan verwarren met de eigenlijke schaduw van de ringen op de planeet. Naast de vermelde ringen blijkt er nog een D – ring te bestaan die alleen met de grootste kijkers te zien is.

Details

Voor wat de planeetschijf zelf betreft, vertoont Saturnus maar een bescheiden beeld. Net als op Jupiter zie je op Saturnus donkere banden en lichtere zones maar de verschillen tussen banden en Zones zijn niet zo uitgesproken. De planeetschijf is bij oppositie hooguit 21 boogseconden in diameter, waardoor het ontdekken van details wordt bemoeilijkt. De best waarneembare details zijn de equatoriale banden en de donkere poolgebieden. De echt ervaren planeet waarnemer ziet na veel oefenen toch nog meer details en zelfs structuren zoals festoons, ovalen en inhammen.
Door de helling van de rotatie – as komen op Saturnus eveneens seizoenen voor. Die zijn ook meer uitgesproken omwille van de ringen die als een zonnescherm fungeren. De banden en zones die na de Saturnus winter via een ringvlak passage weer vol in het zonlicht komen, lijken eerst doffer. Na een paar maanden tot een jaar worden ze opnieuw intenser.
Een beroemd detail is de enorme witte vlek. Die verschijnt om de dertig jaar. De vlek wordt veroorzaakt door de hoge en, net als bij Jupiter, differentiële rotatiesnelheid van de planeet.


De manen van Saturnus

Zeker zes maantjes van Saturnus zijn met kleinere kijkers waarneembaar. Titan, Rhea, Dione, Thetys, Japetus en Enceladus.
Titan, de grootste maan, is reeds met de kleinste kijkers (60 mm) zichtbaar maar om de andere manen te zien heb je toch een opening van 100 à 150 mm nodig. Bij het waarnemen van de manen van Saturnus vormt de planeet zelf het grootste probleem. Haar licht overstraalt dat van de maantjes. Je kan die dan ook het best waarnemen als zij hun grootste elongatie hebben bereikt. Dan staan ze van de aarde uit gezien het verst links of rechts van de planeet.


Uranus, Neptunus en Pluto

 

Uranus

Neptunus en Triton

Pluto

 

De drie buitenste planeten zijn heel wat moeilijker te waarnemen. Enkel Uranus is bij een zeer goed transparante hemel met het blote oog waarneembaar. Met een binoculair is het echter geen probleem om de planeet te vinden.
Neptunus daarentegen kan je met een binoculair wel vergeten.
Voor een beginnend waarnemer is het opzoeken van de beide planeten eigenlijk de enige uitdaging. De planeetschijfjes zijn ontzettend klein. Uranus meet 3.6 boogseconden in diameter en Neptunus 2.2 boogseconden. Hooguit zal je merken dat Uranus een groenachtige kleur heeft en Neptunus er wat blauw uitziet. Om Uranus als schijf te herkennen moet je zeker een vergroting van 100 maal inzetten en voor Neptunus minstens 150 maal. Pogingen om beide planeten te observeren hebben alleen zin bij een zeer heldere nachthemel met goede transparatie en een vrij uitzicht op de horizon zonder lichtvervuiling of maanlicht. De manen van Uranus en Neptunus zijn zo lichtzwak dat ze enkel door grote telescopen met meer dan 350 mm opening kan waarnemen.

Pluto

Pluto opsporen is alleen mogelijk met zeer grote kijkers met een opening van 400 mm en meer. Goede zoekkaarten zijn noodzakelijk.

 

 

-Home-