Bekijk het beeld in de telescoop zeer goed en zorg
dat je het patroon van de sterren in het beeld goed onthoudt. Nu
kijken we weer door de zoeker en bewegen een heel klein stukje in
de richting van de tweede ster (A) maar niet te ver zoals je ziet
op .

Indien je dan weer door de telescoop kijkt dan zal
je zien dat de heldere ster uit het midden is weggeschoven maar
nog steeds in beeld staat

Met behulp van de nabijgelegen patronen kan je afleiden
dat de ster (in ons geval hier!) naar links is verschoven, wat betekent
dat het beeld naar rechts is opgeschoven

Dat is de richting waar zich de andere ster bevindt
en indien we de lijn zouden doortrekken komen we automatisch na
een tijdje die ster dan ook tegen. Ja kan best dit gedeelte een
paar maal herhalen en ook proberen om de tweede ster te vinden door
enkel in de telescoop te kijken. Omdat je de richting waar ze staat
mag dit geen probleem vormen.
Doordat je precies weet in welke richting de tweede ster staat in
je telescoop kan je nu de volgende stap nemen.
In figuur 7 vind je het deel van de kaart terug
met een pijl vanuit ster 'B' naar ster 'A'. Door nu de kaart te
draaien tot de pijl op de kaart in dezelfde richting wijst als door
de telescoop bekeken
Heb
je de kaart precies hetzelfde voor je liggen als het beeld dat van
de sterrenhemel in je telescoop hebt. Nu kan je makkelijk de volgende
stap nemen. Het is namelijk de bedoeling dat we het object 'X' gaan
vinden en daarvoor moet je het patroon bekijken in figuur 1. Het
object ligt bijna op de lijn die je kan trekken tussen ster 'B'
en ster 'E'.

Die lijn is getrokken in figuur 9 die net hetzelfde
georiënteerd is als het beeld in de telescoop. Aangezien je
de richting kent waar ster 'A' staat ten opzichte van ster 'B' weet
je ook in welke richting je de telescoop moet bewegen om ster 'E'
te vinden

Door die richting dan ook te volgen zal je uiteindelijk
bij deze laatstgenoemde uitkomen. Onderweg zal je ook het gezochte
object in de rand van je beeldveld zien verschijnen.
In ons geval kan je dus makkelijk met een rechte lijn gaan werken,
maar dit is niet steeds zo. Vaak moet je geometrische figuren gaan
vormen om bij een object te raken. Welke figuren je vormt is afhankelijk
van jezelf. De meeste mensen vinden het makkelijk om driehoeken
te vormen, andere gebruiken vierhoeken of zelfs heel complexe structuren.
Door oefening kom je er snel achter welke figuren voor jou het makkelijkst
zijn.