Star Hoppen

Inleiding
Het grote probleem voor iemand die begint met praktische sterrenkunde is de oriëntering aan de hemel met behulp van de telescoop. Naast het feit dat de oriëntering van noord -oost -zuid -west aan de hemel verschilt al naargelang de plaats waar je naar kijkt is er ook het omgekeerde beeld in de telescoop waar je mee dient om te gaan. Best oefen je dit systeem elke nacht in tot je zonder problemen kaarten kan gebruiken om je weg aan de hemel te vinden. Er is hier uit gegaan van een zoeker die een normaal beeld van de hemel geeft. De meeste zoekers geven echter een omgekeerd beeld, in dat geval vervang je het woord ‘zoeker’ door 'oog' en telescoop door zoeker! Er is eveneens aangenomen dat er geen zenitprisma gebruikt wordt daar dit het beeld niet alleen omdraait maar ook nog eens spiegelt. Het principe blijft echter gelijk en het is raadzaam om eerst zonder prisma alles goed in te oefenen en pas daarna over te stappen tot het gebruik van een zenitprisma!

De kaarten in een atlas

 


Best gebruik je in het begin een atlas met een bescheiden schaal (de kaarten uit Nortons' atlas of sky-atlas 2000). Je moet zelf kiezen welke je het meest geschikt lijkt, let er vooral op dat je makkelijk de sterrenbeelden kan herkennen op de kaart want daarmee ga je eerst aan de slag!
De schaal van elke sterrenkaart (die tot dezelfde atlas behoren) is gelijk. Indien één graad aan de hemel over een stemt met één centimeter op kaart dan geld dit eveneens voor de andere kaarten
Aan de hemel zal je wel merken dat het werken met graden niet echt noodzakelijk is, wat een graad precies inhoud leer je gaandeweg wel dus maak er je niet teveel zorgen over. ij een sterrenkaart vind je naast de schaal van de kaarten ook een reeks van symbolen terug voor de verschillende objecten. Belangrijk is te weten hoe het object er ongeveer kan uitzien. Een heldere open sterrenhoop zie je duidelijk als een verzameling van sterren terwijl een nevel eerder een wazig vlekje zal zijn. Ook is er een helderheidschaal vermeld voor de sterren. De doormeter van de punten op de kaart staat in verhouding tot de helderheid van een ster. Des te kleiner het punt des te zwakker de ster. Kies dan ook niet te zwakke sterren om mee te beginnen. In België kunnen we gerust stellen dat je sterren tot magnitude 4,5 zonder problemen kan zien (tenzij je midden in een stad woont zoals Genk) en met wat geduld en langere tijd buiten in het donker moet zelfs magnitude 5 haalbaar zijn. In een zoeker hangt de grensmagnitude af van het type zoeker. In tabel zie je een kort lijst van zoekers en hun theoretische grensmagnitude:
Zoeker
Grensmagnitude
5X24
9.0
6X30
9.5
70x50
10

 

Opgelet, de grensmagnitude van de zoekers is hier afgerond naar beneden opdat dit beter overeenstemt met het beeld dat je als waarnemer krijgt!

De stap van kaart naar de telescoop.

We beginnen met het kiezen van een object dat je wil bekijken door de telescoop. Belangrijk is dat je er eentje kiest dat makkelijk zichtbaar is in de telescoop Wat je vervolgens doet is proberen de patronen van de heldere sterren op de kaart ook aan de hemel te zien. Kies een patroon van sterren rond een object dat niet te groot is maar waarvan je wel alle sterren kan zien!

 


Bij elke ster staat een letter vermeld om het geheel wat makkelijker te kunnen volgen. De grijze ovaal met letter 'X' is het object dat we gaan opzoeken. Dit is niet zichtbaar zonder telescoop en dus dien je patronen in het sterrenveld te volgen. De eerste stap bestaat eruit om twee sterren te kiezen die tamelijk dicht bij elkaar staan, in ons geval kiezen we sterren
'A' en 'B'. Vervolgens richten we de telescoop op één van beide sterren, waarbij de keuze aan jou is. Wij kiezen voor ster 'B' en plaatsen deze dan in het midden van de zoeker

Normaal staat de ster dan ook centraal in het beeld van de telescoop

 

Bekijk het beeld in de telescoop zeer goed en zorg dat je het patroon van de sterren in het beeld goed onthoudt. Nu kijken we weer door de zoeker en bewegen een heel klein stukje in de richting van de tweede ster (A) maar niet te ver zoals je ziet op .

 

Indien je dan weer door de telescoop kijkt dan zal je zien dat de heldere ster uit het midden is weggeschoven maar nog steeds in beeld staat

Met behulp van de nabijgelegen patronen kan je afleiden dat de ster (in ons geval hier!) naar links is verschoven, wat betekent dat het beeld naar rechts is opgeschoven

Dat is de richting waar zich de andere ster bevindt en indien we de lijn zouden doortrekken komen we automatisch na een tijdje die ster dan ook tegen. Ja kan best dit gedeelte een paar maal herhalen en ook proberen om de tweede ster te vinden door enkel in de telescoop te kijken. Omdat je de richting waar ze staat mag dit geen probleem vormen.
Doordat je precies weet in welke richting de tweede ster staat in je telescoop kan je nu de volgende stap nemen.


 

In figuur 7 vind je het deel van de kaart terug met een pijl vanuit ster 'B' naar ster 'A'. Door nu de kaart te draaien tot de pijl op de kaart in dezelfde richting wijst als door de telescoop bekeken

 

 

Heb je de kaart precies hetzelfde voor je liggen als het beeld dat van de sterrenhemel in je telescoop hebt. Nu kan je makkelijk de volgende stap nemen. Het is namelijk de bedoeling dat we het object 'X' gaan vinden en daarvoor moet je het patroon bekijken in figuur 1. Het object ligt bijna op de lijn die je kan trekken tussen ster 'B' en ster 'E'.

 

 

Die lijn is getrokken in figuur 9 die net hetzelfde georiënteerd is als het beeld in de telescoop. Aangezien je de richting kent waar ster 'A' staat ten opzichte van ster 'B' weet je ook in welke richting je de telescoop moet bewegen om ster 'E' te vinden

 

 

Door die richting dan ook te volgen zal je uiteindelijk bij deze laatstgenoemde uitkomen. Onderweg zal je ook het gezochte object in de rand van je beeldveld zien verschijnen.
In ons geval kan je dus makkelijk met een rechte lijn gaan werken, maar dit is niet steeds zo. Vaak moet je geometrische figuren gaan vormen om bij een object te raken. Welke figuren je vormt is afhankelijk van jezelf. De meeste mensen vinden het makkelijk om driehoeken te vormen, andere gebruiken vierhoeken of zelfs heel complexe structuren. Door oefening kom je er snel achter welke figuren voor jou het makkelijkst zijn.


Hoe ver staan objecten uit elkaar?

Meestal lees je in de literatuur dat object 'X' op zoveel graden van ster 'B' staat. Zeker in het begin is dit rm verwarrend. Best zoek je in het begin niet teveel problemen en vergeet je de afstanden in graden. Het is veel praktischer om aan de hemel te werken met beeldvelden. Het nadeel daarvan is dat de doormeter van het beeldveld in de telescoop (het stukje van de hemel dat je in de kijker ziet) afhankelijk is van de gebruikte telescoop, het oculair dat je gebruikt en de vergroting. Maar je kan dit makkelijk terug vinden met behulp van een paar sterren en de kaart. We gebruiken hier dezelfde situatie zoals we die hierboven hebben geschetst. We gaan nu eerst met een meetlat de afstand tussen ster 'A' en 'B' opmeten

 

Wij vinden hier ongeveer 2 centimeter; vervolgens meten we
de afstand tussen ster 'B' en het object dat we willen vinden en voor ons vinden we 5 centimeter.

 

Zonder op de gebruikte eenheden te letten kunnen we dus zeggen dat ons object 'X' ongeveer 2,5 maal verder van ster 'B' staat dan de afstand tussen deze laatste en ster 'A'.
We weten het nu enkel op de kaart maar het is belangrijk dat ook met de telescoop te weten. Daar geld dezelfde regel, namelijk dat de afstand tussen 'B' en 'X' 2,5 maal die tussen 'B' en 'A' is, alleen kennen we deze laatste niet in de telescoop.
Je gaat nu gewoon weer vanuit ster 'B' in de richting van ster 'A' bewegen maar je stopt vanaf het ogenblik dat ster 'B' aan de rand van het beeld staat .

 

Bestudeer nu heel goed de andere rand, als je geluk hebt dan zal daar een sterretje staan. Schuif nu verder door in de richting van ster 'A' tot dit laatste sterretje aan de andere rand staat (cirkel '2'). Dit proces herhaal je tot uiteindelijk ster 'A' in het beeld van de telescoop te zien is. Onderweg heb je het aantal stopplaatsen geteld en dat weerspiegelt het aantal beeldvelden tussen ster
'B' en ster 'A'. In ons geval zijn dat er vijf. We weten dat we deze afstand dienen te vermenigvuldigen met 2,5 cm vanuit ster 'B' ons object 'X' te vinden. Dit wil zeggen dat je vanuit ster 'B' ongeveer 15 beeldvelden dient op te schuiven in de richting van ster 'E' om dan ons gezochte object tegen te komen. Dit is een mooie controle om na te gaan of je niet te ver van ster 'B' bent verwijderd, in dit laatste geval is het object niet zichtbaar in je telescoop, of je bent de verkeerde richting aan het uitgaan. Dat kan je controleren door het beeld in de zoeker te controleren!
Zoals al aangehaald kun je best alles een paar keer herhalen tot je het systeem onder de knie hebt. Zit er niet mee in dat je de eerste nachten (soms weken of maanden) slechts één of twee objecten aan de hemel terugvind, later zal je dit alles zonder nadenken doen en staat de hemel echt open voor je.

Nadat je de overgang tussen sterrenkaart en telescoop onder de knie hebt kan je hetzelfde systeem rechtstreeks toepassen door een gedetailleerde atlas te gebruiken. Dan betrek je gewoon de zwakkere sterren bij in je patronen om voort te springen. Door je ervaringen zal je automatisch de sterrenkaart beeld in de telescoop. Houdt er dan wel rekening mee dat de schaal van deze kaarten anders is dan die je voordien gebruikte. Na wat oefening ken je ook de verhouding tussen deze kaarten en je telescoop zodat alles weer vlotter verloopt.
Houdt er ook rekening mee dat sommige objecten die als helder gecatalogeerd staan vaak tegenvallen of zelfs niet zichtbaar zijn in de telescoop. Gewoonlijk geeft men immers de totale helderheid van een object, terwijl voornamelijk in het geval van een nevel het object zodanig groot is dat het niet zichtbaar is in de telescoop omdat die helderheid over een te groot oppervlak wordt uitgesmeerd!

 

-Home-