De
thermodynamica
De
eerste hoofdwet van de thermodynamica
Naast
de wet van behoud van massa is de wet van behoud van energie één
van de basiswetten van de klassieke chemie en fysica. Men kon destijds hiermee
echter niet verklaren dat bij allerlei processen de zichtbare energie langzaam
maar zeker geheel verloren ging, denk bijvoorbeeld aan een bewegende slinger
die op een bepaald moment stopt.
Pas in de negentiende eeuw kwam men er achter, dat dit slechts een schijnbaar
verlies is, omdat de zichtbare energie ten slotte geheel wordt omgezet in
een overeenkomstige hoeveelheid warmte -energie. In het geval van de slinger
is dit de onzichtbare potentiële en kinetische energie van de atomen
en moleculen van de slinger en de omringende lucht.
Er kan dus inderdaad geen energie verloren gaan of uit het niets te voorschijn
komen. Dit principe van de constante hoeveelheid energie is geformuleerd in
de eerste hoofdwet van de thermodynamica.
In
een geïsoleerd systeem is de totale hoeveelheid energie constant.
Een
geïsoleerd systeem zou men opgebouwd kunnen denken uit een open- of gesloten
systeem en de bijbehorende omgeving. De zon(ster) is bijvoorbeeld te beschouwen
als een geïsoleerd systeem. De energie E die bij de verbranding vrijkomt,
wordt gebruikt om de planeten (samen de omgeving) te verwarmen.
De energie wordt hierbij alleen maar herverdeeld, dus de totale hoeveelheid
verandert niet.
De wet van behoud van energie bezit een groot gebied van geldigheid. De wet
geldt niet alleen voor mechanische en thermische processen, maar ook voor
chemische, electromagnetische en biologische processen.
Toch is in deze eeuw gebleken, dat zowel de wet van energiebehoud als de wet
van massabehoud niet onder alle omstandigheden geldig is ( denk hierbij bijvoorbeeld
aan kernreacties waarbij energie vrijkomt onder gelijktijdig massaverlies).
Pas de combinatie van beide wetten levert een wet die volgens alle huidige
criteria geldigheid bezit: de equivalentie van massa en energie. Massa is
te beschouwen als een vorm van energie, door Einstein als volgt geformuleerd.
E=
m C2.
Dus deze eerste Wet is universeel.
Entropie
De
eerste hoofdwet van de thermodynamica, de wet van behoud van energie, leert
ons dat energie kan worden omgezet van de ene vorm in de andere, maar niet
kan onstaan of verloren gaan. De eerste hoofdwet van de thermodynamica doet
echter geen uitspraak over de richting waarin de processen kunnen verlopen.
Men zou kunnen veronderstellen dat, net als bij verbrandingsreacties, de reactie
altijd die richting kiest waarbij warmte vrij komt. Dit is niet het geval,
er blijken ook spontaan verlopende endotherme reacties te bestaan. Tijdens
deze spontaan verlopende processen wordt energie uit de omgeving opgenomen;
denk bijvoorbeeld aan het fotosyntheseproces waarbij stralingsenergie wordt
opgenomen.
Het smelten van ijs is
ook een voorbeeld van een spontaan verlopend endotherm proces. IJs neemt warmte
uit de omgeving op bij het smelten, toch smelt ijs spontaan boven het vriespunt.
Het is dus onjuist te beweren dat een systeem onder alle omstandigheden naar
een minimale energie streeft. Er is dus blijkbaar nog een andere drijfveer
die een rol speelt bij het verlopen van processen.
Entropie
kan beschouwd worden als een maat voor het aantal realiseringsmogelijkheden
waarin een systeem onder gegeven omstandigheden kan verkeren. Men noemt de
entropie van een systeem groter naarmate er meer wanorde heerst of naarmate
er meer mogelijkheden zijn de toestand van de systeem op atomair als op moleculair
niveau te realiseren.
De
tweede hoofdwet van de thermodynamica
In alle
systemen is een zekere neiging tot wanorde, ofwel een streven naar het maximale
aantal realiseringsmogelijkheden aanwezig.
Op grond van deze verschijnselen is de tweede hoofdwet van de thermodynamica
als volgt gedefinieerd:
Een
fysisch proces kan slechts verlopen als de totale entropie, dat is de entropie
van het systeem en die van de omgeving ( in een totaal een geïsoleerd
systeem), toeneemt of op zijn minst gelijk blijft, wiskundig geformuleerd.
S(geïsoleerd systeem)=
S (systeem) + S (omgeving) >= 0
Levende
organisme zijn uitstekende voorbeelden van systemen die gekenmerkt worden
door een prachtige ordening en dus lage entropie. Tijdens de groei van een
organisme worden kleine moleculen omgezet is grotere moleculen; er onstaat
dus orde uit wanorde. Dit gebeurt echter uitsluitend ten koste van een entropietoestand
van de omgeving, een toename die de entropieafname meer dan compenseert.
Men denkt hierbij aan de toenemende verontreiniging in onze samenleving.
De milieuproblematiek is overigens iets nieuws, aangezien iedere vorm van
leven vanaf het eerste begin wanorde in zijn omgeving, het milieu, heeft
veroorzaakt.
Vrije
-enthalpie - en entropieberekeningen
De entropiewaarden
van atomen en moleculen onder verschillende omstandigheden kunnen uit experimentele
gegevens berekend worden. Voor de berekening van deze entropiewaarden maakt
men gebruik van de zogenaamde derde hoofdwet van de thermodynamica.
Deze derde
hoofdwet is als volgt gedefinieerd:
Bij
het absolute nulpunt 0 K (-273 °C) is de entropie van elke stof gelijk
aan nul. Er heerst bij 0 K de grootst mogelijke orde.
