Mark Boog
HET VOLMAAKTE
Het volmaakte geluk,
waaraan slechts duur ontbrak,
dat onvolmaakt was,
schoot door het huis, gilde,
baande zich een weg naar de deur, brak uit
en zette alles, de heldere morgen,
op ontkiemen.
Het was lente, en het was vroeg, en jij
was dan de mooiste.
Vogels zogen zich vol van de muziek
die ergens vandaan kwam.
Johanna Geels
LUCHTLEVEN
Ik kan denken tot aan de lucht
dat wil zeggen tot ongeveer een meter
of duizend boven de bomen.
Ik weet niet hoe hoog vliegtuigen
kunnen komen maar laten we zeggen
tot daar en de vogels meegeteld.
Ik kan dromen tot onder de bodem van
de zee door waterkaarten heen over
snotolven die leefden in de buik
van die zanderige waterkom.
Over muien die zuigen en laten verdwijnen
de schrik de storm van een vissersboot
die stomme vrouwen en mannen ook.
Ik bedenk tuin, winddieren en op welke
akker zij passen als wij slapen onder
onze warme huid.
In dorpen waar dagen rijgen, kinderen zich
vervelen en vrouwen mannen slaan tijdens
het stugge voortplanten op deze door god
verlaten grond.
Hubert van Herreweghen
KLOKKEN
De toren was een hoek van 't huis,
klokken donderden van de zolder.
Ik kende noen- en vesperklok,
het angelus driemaal
in het geruisloos dorp
van voor ik oren had.
Ging toen daar niet mijn moeder groot
van mij, hoor ik ze nog?
Als ze nu luiden over dood
in de stad, holderdebolder,
dwaal ik, om 't rumoer te mijden,
over kouters en door weiden,
woon, als toen, ik in haar schoot,
gaat de bimbam, schok na schok,
weer door ons beiden.
Philip Hoorne
LOPERS LANGS DE LEIE
dragen altijd een polshorloge
waar ze om de zoveel meter
doordringend op kijken
wat is er te zien op het horloge
van een loper langs de leie?
niet de eenden die broeden in het riet
niet de flikker die in de bosjes
op een andere flikker schiet
lopers langs de leie zitten opgesloten
in hun horloge en hun lopen
lopers langs de leie mogen
langs de leie lopen
maar ik moet ze niet
Peter Swanborn
DE MACHINEKAMER
Een vrouw, de haren in lange banen gedraaid,
bloost, verbergt haar gezicht als ik vraag wie zij is,
wat ze wil en of ik haar misschien moet kennen.
Bloed stroomt omhoog. Ik doe een stap naar voren,
ze roept stop! Een volgende stap. Lawaai neemt toe,
motoren versnellen, pompen zuigen uit alle macht.
Dan: je weet niet wat je vraagt. Kijk door mij heen,
dwars, maar blijf waar je bent. Raak me niet aan.
Vraag niets. Bij het eerste woord valt alles stil.