Herman
Teirlinck werd geboren te St.-Jans-Molenbeek op 24
februari 1879. Hij was het vijfde kind en enige zoon van de bekende
Oostvlaamse
taal- en volkskundige Isidoor Teirlinck en Oda van Nieuwenhove.Vader en
moeder stonden in het onderwijs te Brussel. Als kind had Herman
Teirlinck
een zwakke gezondheid. Hij bracht dan ook een groot deel van zijn jeugd
door in de gezonde buitenlucht van Zegelsem (Oost-Vlaanderen) bij zijn
vaderlijke grootouders. Van 1886 tot 1890 was hij leerling in de Lagere
School Karel Buls te Brussel. Hij volgde de Grieks-Latijnse humaniora
aan
het Koninklijk Atheneum te Brussel. Vader Teirlinck was een ijverig
taalkundige
en schreef zelfs de roman "Arm Vlaanderen", die bij niet-kerkelijke
lezers
een vrij grote bekendheid verwierf. In 1897 liet Herman zich - op
aandringen
van zijn vader - inschrijven in de Faculteit der Wetenschappen te
Brussel.
Hij wou echter schrijver worden, geen wetenschapsmens. Met de studies
in
de wetenschappen liep het dan ook verkeerd en Herman Teirlinck trok
naar
de Gentse universiteit waar hij Germaanse filologie
(1) studeerde. Hij liet zich echter weinig op de universiteit zien
en ook deze studies gaf hij op. In 1902 huwde hij met Mathilde Lauwers
en werd hij beambte bij de Schone Kunsten van het Stadsbestuur te
Brussel.
Reeds in datzelfde jaar verscheen "De wonderbare wereld", gevolgd in
1903
door "Het stille gesternte". In 1903 was hij medestichter van het
tijdschrift
"Vlaanderen", dat "Van nu en straks" opvolgde. In 1906 werd hij
correspondent
van het "Algemeen Handelsblad", een Amsterdamse krant. Van 1912 tot
1926
was hij directeur van een meubelfabriek. Hij werd zelfs secretaris van
de vakbond der werkgevers in de houtindustrie. In die hoedanigheid
ondernam
hij een reis naar het toenmalige Belgisch Kongo. Dit alles belette hem
niet om verder actief te zijn op literair gebied. Getuigen hiervan zijn
"Johan Doxa" en "De lemen torens" in 1917 en "Nieuwe Uilenspiegel"
(1922).
Van 1910 tot 1936 was hij tevens leraar Nederlandse letterkunde aan de
Stedelijke Jongensnormaalschool te Brussel. Van 1925 tot 1938 doceerde
hij hetzelfde vak aan de Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en
van
1928 tot 1936 aan de de Stedelijke Meisjesnormaalschool te Brussel.. In
1919 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en
Letterkunde.
Van toen af werd hij een belangrijk man. Hij werd Vlaams leraar aan het
Koninklijk Hof en was raadsheer voor Kunst en Wetenschap van drie
koningen
: Albert I, Leopold III en Boudewijn. Herman Teirlinck werd meermaals
gelauwerd.
Hij ontving de Staatsprijs voor toneelletterkunde (1925 en 1928), de
Staatsprijs
voor zijn gezamenlijk werk (1950) en de Grote Prijs der Nederlandse
Letteren
(1956). Hij werd viermaal doctor honoris causa, nl. aan de
universiteiten
van Brussel (1938), Amsterdam
(1947),
Luik (1954) en Gent (1959). Dit is uniek in de geschiedenis der Vlaamse
letteren.
Herman Teirlinck schreef typisch "Vlaams". Zijn grote voorbeeld was
Karel van de Woestijne. Dit komt het
best tot uiting in werken als "'t Bedrijf van den kwade" en "De
doolage".
Dit viel ook in de smaak van het Nederlands publiek. Ook zijn omgang
met
impressionistische (2) schilders had een sterke invloed op zijn
werk.
Zijn bundel "Zon" (zoals zovelen van die generatie begon hij zijn
litteraire
loopbaan als dichter) is daar het voornaamste voorbeeld van. In de loop
der jaren "vernederlandste" zijn taalgebruik.
Toneel lag Herman Teirlinck het meest aan het hart. Hij schreef o.a.
"De vertraagde film" (1922), "Ik dien" (1924) en "De man zonder
lijf" (1925). Deze werken doen theater ervaren als een massakunst van
getuigenis
en actie met de moderne mens als inzet. Andere toneelwerken van zijn
hand
zijn "De ekster en de galg" (1937 en "Ave" (1938) waarin hij
experimenteerde
met moderne technieken om de toeschouwers meer in het gebeuren te
betrekken.
In zijn laatste periode, die begon met de roman "Maria Speermalie" in
1940,
benadert hij het existentialisme
(3). Ook het ongebonden driftleven van de mens, samen met
zijn
verfijnde overbeschaving en zijn elkaar tegensprekende uitersten, komen
nu aan bod. In "Het gevecht met de engel", verschenen in 1952, wordt de
onafwendbaarheid van het noodlot benadrukt. Zijn laatste roman
"Zelfportret
of Het galgemaal" (1955) kan geïnterpreteerd worden als een soort
gewetensonderzoek.
"Maria Speermalie" en "Rolande met de bles" (1944) werden verfilmd.
Hij schreef ook onder de pseudoniemen Hermelijn, Janette en Jan Overheide Nyhuis
en Jan en Janette Nyhuis
Overheide.
Herman Teirlinck stierf te Beersel-Lot op 4 februari 1967.
Bibliografie :
* 1898 : Verzen uit van nu en straks
* 1900 : H. Usmaru's hoogdag
* 1900 : Metter-sonnewende
* 1900 : Verzen
* 1901 : Landelijke historiën (omvattend
: Winterhistorieken, Zomerhistorieken, Historie)
* 1902 : De wonderbare wereld
* 1903 : Het gesmoor
* 1904 : De Kroonluchter, kunstgenootschap
* 1903 : Het stille gesternte
* 1904 : Avond
* 1904 : In de mist
* 1904 : De vurige doorn
* 1904 : Het wiel
* 1904 : 't Bedrijf van den kwade
* 1905 : De doolage
* 1906 : Zon, een bundel beschrijvingen
* 1906 : De twee vrienden
* 1907 : Het ivoren aapje. Poppenspel
* 1907 : Het avontuurlijke leven van Lieven
Cordaat
* 1907 : Het Japans masker (opgenomen in de
bundel
"Het lied van Peer Lobbe" uitgave 1923)
* 1907 : Salomons erfgenamen (opgenomen in de
bundel "Het lied van Peer Lobbe" uitgave 1923)
* 1908 : Diertje (toneel)
* 1908 : Mijnheer J.B. Serjanszoon, orator
didacticus
* 1908-1909 : Het Vlaamsch toneel I. Overzicht
der hedendaagsche toneelliteratuur in Zuid-Nederland sinds 1830
(essay)
* 1908-1909 : Het Vlaamsch toneel II.
Toneespelers
en toneelregie (essay)
* 1909 : Het ivoren aapje, roman van Brusselsch
leven
* 1909 : De drie gratiën (uit "mijnheer
J.B. Serjanszoon") (toneel)
* 1910 : Het lied van Peer Lobbe
* 1911 : Allerzielen (uit "mijn J.B.
Serjanszoon")
(toneel)
* 1917 : Johan Doxa. Vier herinnneringen aan
een Brabantschen gothieker
* 1917-1918 : De lemen torens (met Karel Van
de Woestijne)
* 1920 : De nieuwe Uylenspieghel in tien boeken
of de jongste incarnatie van de scharlaken Thyl
* 1922 : De vertraagde film (toneel)
* 1923 : Ik dien (toneel)
* 1923 : De torenbestormer (toneel)
* 1924 : Over het wezen van de dramatiek (essay)
* 1925 : De man zonder lijf (toneel)
* 1925 : Het A-Z-spel (toneel)
* 1925 : De wonderlijke mei
* 1928 : Ave (toneel)
* 1928 : Moderne toneelspeelkunst (essay) (=
Over het wezen van de dramatiek, 1924)
* 1930 : De boer die sterft (toneelbewerking)
* 1930 : Zon, verzamelde beschrijvingen (= eerste
vier beschrijvingen uit "Zon, een bundel beschrijvingen" uit 1906)
* 1931 : Elckerlyc. Een middeleeuwsche moraliteit
naar den oorspronkelyken tekst getrouwelyk overgeschreven
(toneelbewerking)
* 1932 : Bloemlezing : Landelijke historie, Zon,
Mijnheer Serjanszoon
* 1936 : Drie dagen here. Een zotte boerde uit
het Middelnederlandsch overgeschreven (toneelbewerking)
* 1937 : De ekster op de galg (toneel)
* 1937 : De klucht van Plaijerwater
(toneelbewerking)
* 1940 : Maria Speermalie. Levensgetijden op
de Heerlykheid 't Homveld
* 1942 : Griseldis. De vrouwenpeirle
* 1944 : Rolande met de Bles
* 1946 : Aisculos' Oresteia. Treurspel der
overmaat
in twee delen (toneelbewerking)
* 1946 : Streuvels vijfenzeventig (essay)
* 1947 : Uitvaart van Felix Timmermans (essay)
* 1947 : Paars voor Fernand Toussaint (essay)
* 1948 : Pointering 48. Bestek voor een dispuut
over toneelkunst en toneelletterkunst in Vlaanderen (essay)
* 1948 : Lot en defensie van het nationaal bier
(essay)
* 1950 : Eeuwgetijde Reimond Styns 1850-1950
* 1951 : Bij het eeuwgetijde van mijn vaders
geboorte
* 1951 : In de bloeiende weiden (essay) (= Bij
mijn venster - Mijmeringen in de oude trant)
* 1958 : Het esbatement van de appelboom
(toneelbewerking)
* 1952 : Het gevecht met de engel. Nederzetting
van de Jeroens op O.L.V.-Welriekende
* 1952 : Viering (van Willem Elsschot) (essay)
* 1954 : De piskijker (toneelbewerking)
* 1955 : Zelfportret of Het galgemaal
* 1955 : Uit onze voorvaderlijke broek geschud
* 1955 : Verzameld werk. Deel 4 (omvattend :
Zon - een bundel beschrijvingen, Het ivoren aapje, Het Japans masker,
Salomons erfgenamen)
* 1956 : Monoloog bij nacht
* 1956 : Wijding voor een derde gboorte
* 1956 : Karel Van de Woestijne (essay)
* 1956 : Bij het negentigste jaarfeest van Alfred
Hegenscheidt (essay)
* 1957 : Verzameld werk. Deel 3 (omvattend :
De Kroonluchter - kunstgenootschap, Mijnheer J.B. Serjanszoon
orator didacticus, Johan Doxa, De
nieuwe Uilenspiegel in tien boeken of De jongste incarnatie van de
Scharlaken
Thijl)
* 1958 : August Vermylen (essay)
* 1958 : Verzameld werk. Deel 7 (omvattend :
Het gevecht met de engel. Nederzetting van de Jeroens op
O.-L.-V.-Welriekende)
* 1958 : Nog over abstract (essay)
* 1958 : Abstract (essay)
* 1959 : De Europese getijden van Vlaanderen
(essay)
* 1959 : Dramatisch peripatetikon
* 1959 : Henry van de Velde (essay)
* 1959 : Verzameld werk. Deel 2 (omvattend :
Winterhistorieken, Zomerhistorieken, H. Ursmarus hoogdag, Het gesmoor, Het lied van Peer Lobbe, 't Bedrijf
van den kwade, De dolage, Avond, Meionrust, In de mist, De vurige
doorn,
Het wiel, De wonderlijke mei, Het
avontuurlijke
leven van Lieven Cordaat)
* 1960 : Verzameld werk. Deel 6 (omvattend :
Maria Speermalie, Griseldis - De vrouwenpeirle, Griseldis - le parement
des dames, Rolande met de Bles)
* 1960 : Uitvaart (van Willem Elsschot) (essay)
* 1960 :Verzameld werk. Deel 1 (omvattend :
Zelfportret
of het galgemaal, Uit onze voorvaderlijke broek geschuld, Bij het eeuwgetijde van mijn vaders
geboorte,
Mijn lieve moeder, Reimond Stijns, Monoloog bij nacht, Verzen, Verzen
uit
van nu en straks, De wonderbaarlijke
wereld, Het stille gesternte)
* 1960 : Mijn lieve moeder
* 1961 : Taco (toneel)
* 1961 : Versmoorde goden
* 1961 : Rachel
* 1961 : Jokaste tegen God (toneel)
* 1961 : De culturele autonomie in Vlaanderen
(essay) (= De culturele problematiek in Vlaanderen)
* 1961 : Marginalien bij iemands leeftijd (essay)
(= Bij iemands leeftijd)
* 1961 : De fluitketel (toneel)
* 1961 : Marginalien bij Jean Cassou (essay)
(= Een uitlating van Jean Cassou)
* 1961 : Marginalien bij Harry Mulisch (essay)
(= Harry Mulisch en zijn voer)
* 1961 : Rudolf Alexander Schröders uitvaart
(essay)
* 1961 : Over Vladimir Nabokov en zijn Lolita
(essay)
* 1962 : Marginalien bij het schilderwerk van
Aloyse (essay) (= Hoe Aloysie Picasso ontmoette)
* 1962 : Firmin Van Hecke 1884-1961 (essay)
* 1962 : Marginalien bij een geschiedschrijving
van het tijdschrift "Vlaanderen" (= Getuigenis van Herman Teirlinck)
(essay)
* 1963 : Ode aan mijn hand (omvattend : Ode aan
mijn hand, Bij mijn venster, Bij iemands leeftijd, Viering en uitvaart
van
Willem Elsschot, Harry Mulisch en
zijn voer, Over Vladilmir Nabokov en zijn Lolita, Een uitlating van
jean
Cassou, Hoe
Aloyse Picasso ontmoette,
De culturele problematiek in Vlaanderen)
* 1965 : Verzameld werk. Deel 5 (omvattend :
De lemen torens), of : Brussels klimaat van de "Belle Epoque"
* 1969 : Verzameld werk. Deel 8 (omvattend :
Inwijding, Scheppend werk)
* 1969 : Petite cousine (uit "Mijnheer J.B.
Serjanszoon")
(toneel)
* 1971 : Het
lied van Peer Lobbe (uit "Verzameld werk, II, in "54 Vlaamse verhalen")
* 1973 : Over zuivere dramatiek naar
aanleiding
van Elckerlyc
* 1973 : Verzameld werk. Deel 9 (omvattend :
Dramatisch peripatetikon, Ontmoetingen, Toneelbewerkingen,
Verspreiden opstellen)
* 1988 : Literair werk (omvattend : Maria
Speermalie,
Rolande met de bles, Monoloog bij nacht)
* ? : De twee vrienden (in "Vlaamse verhalen")
-----------
(1)
filologie = wetenschap van de
taal
(2)
impressionisme = richting in
de kunst die de onmiddellijke indruk wil
weergeven
(3)
existentialisme = wijsgerige
richting die het menselijk zijn wil
begrijpen
uit het bestaan, de ervaring en de ontmoeting
met de ander en de
wereld,
wijl volgens haar de mens vanuit de existentie zichzelf schept en
bepaalt
door zijn handelen
Terug naar begin
Terug naar Louis' Thuispagina - index Vlaamse schrijvers