|

Onvermijdelijk stelt de mens zich vragen over het leven. Wat is de zin
ervan? Hij ervaart in het leven een massa dingen die er in zijn
verweven. Zij maken het uit. Men kan het omschrijven als het bestaan van
het individu of, de totaliteit van al wat er is.
De totaliteit is dat wat de som is van het individuele groeiproces van
elke mens in het bijzonder en al wat er mee verbonden is en dat is alles
wat IS. Het is een complex gebeuren dat in zijn geheel niet in beeld is
te brengen en te overschouwen.
In zijn huidige ontwikkeling kan de mens alleen maar proberen naar
facetten te kijken omdat hij door zijn beperktheid (zijn weten, zijn
kennen, zijn kunnen, zijn inzichten) van dit ogenblik daartoe alleen
maar in staat is.
Is de mens dan niet een produkt, een openbloeiend iets, dat zijn
oorsprong vindt in een denkend scheppen van een geest, “De Grote Geest”?
Die het alles in zich heeft, de kracht, de potentie, het
mogelijke dat alleen maar kan bestaan door een bestendige groei die
alleen maar verandering is en beweging en leven. Dit leven is niet te
stuiten. Het bestaat in velerlei vormen en heeft in zich de stuwing
meegekregen van de Bron, de kern die het tot een bestaan heeft gedacht.
Het denken ligt aan de basis, het is de basis van het fenomenale, de
impuls die steeds maar de mogelijkheid heeft ingebouwd gekregen om
voortdurend een vernieuwende groei aan te houden en op te drijven naar
nog meer uitdeining.
Omdat het denken, de gedachte, is voor te stellen als het volume van een
bol waarvan de straal oneindig is, is er ook geen limiet aan deze
evolutie. Het groeit altijd weer uit zich en door zich.
De kracht van het begeesterend denken met zijn onuitputtelijkheid aan
mogelijkheden is voortdurend bezig stulpend aktief zich uit te leven en
het onbegrensde leven te laten evolueren naar altijd grotere verruiming.
In dit grootse gebeuren is de mens aanwezig. Hij ervaart zichzelf als
IETS in dit boeiend spektakel.
Een boeiend spektakel kan men het noemen. De veelzijdigheid is
ontzettend en bijzonder belangrijk omdat hij er zelf deel van uitmaakt
en er ook aktief aan deelneemt, bewust of onbewust...
In elke cel, hoe klein ze ook is, is de pulserende, energetische kracht
aanwezig. Omdat het kleinste zowel als het grootste met elkaar
onzichtbaar zijn verbonden, is ook de invloed op mekaar wederkerig en
van enorm belang.
In de ruimte waarin het leven, de beweging, de uitstulping, de evolutie
aktief is en de welke we omschrijven als de kosmos, blijft geen iets
onbewogen door gelijk welk ander iets. De stralingen, de trillingen die
stuwkracht zijn, verbinden alles met alles. Het zijn onzichtbare
verbindingen die invloeden laten doorstromen en altijd opnieuw aktief
maken waar (van??) ook de resultaten (gevolgen zijn van oorzaken)
grotendeels onverklaarbaar zijn. Dit speelt zich af in een domein waarin
de mens zich nog maar weinig heeft gewaagd omdat het zo fluïde is en
niet seffens begrijpelijk. Het overstijgt zijn voorstellings- en
bevattingsvermogen.
Omdat de mens alles in een beeld tracht voor te stellen is dit domein
van het trillings- en stralingsniveau de moeilijkst te vatten werking in
de aktieve realiteit van de kosmos.
In trillingen en stralingen spelen zich de ingewikkeldste verbindingen
af van de ganse kosmische evolutie. Geen grenzen, geen limieten zijn er
te bepalen.
In dit overweldigende scheppend denken heeft de mens een belangrijke
plaats gekregen. Hij kan er aan meewerken. Hij maakt er deel van uit.
Hij kan meedenken.
Het denken is zijn grootste kracht.
De mens bepaalt zich door zijn denken. Zijn denken maakt het wezen
uit van zijn ZIJN. Zijn ZIJN is van geestelijke aard en hij moet het
opbouwen in zijn denken.
Hij voelt ergens als het ware een superviserende energie die een basis
heeft bedacht die de totaliteit zich ineenvloeiend laat ontwikkelen.
De mens zoekt naar dat wat hem overstijgt, de kracht, het scheppende
opborrelende, dat hij waarneemt, voelt en geen plaats kan geven omdat
hij het overal ontmoet in een reusachtige verscheidenheid.
Niet alleen wil hij de bron, het oorzakelijke er van vinden, hij geeft
het een naam die hij door zelf veroorzaakte trillingen in zijn geest
probeert te vormen: “Grote Geest”, “God”, noemt hij het.
Ervaring van iets dat hij niet kan zien, horen, grijpen of voelen.
In zijn bestaansevolutie ontmoet hij Hem steeds als zijn tegenspeler.
Ergens voelt hij er zich mee verbonden. En toch houdt hij zich gedeinsd
voor dat “geestwonder” dat als suprematie in al wat hij ervaart,
overstijgt en hem als overkoepelende kracht blijft boeien.
De mens poogt zichzelf en al wat hem omringt af te tasten op zoek naar
het richtgetal, de code, die aansluit bij eigen trilling om de harmonie
te vinden die de inhoud en resonantie is van de ervaring die alles
doorstroomt en bundelt.
L.S. 8/8/1999
|