8.

De kamer staat in brand.
Het vuur likt
het bed, de matras
en het half verkoolde lichaam
dat erop ligt.

Waar ogen en neus zaten
dansen kleine vlammetjes.
Achter de tanden
hangt een heloranje gloed.
De huid over de buikholte
scheurt en barst open.
Dofrode as spat in het rond.

Ik sta midden in de hitte
en reinig
hoofd armen ruig buik
en geslacht (hard en heet),
hoor de sjofar,
herken ha-teroeah.