VERHALEN, levensecht
maar daarom (of daardoor?)
niet minder angstaanjagend

- het verhaal van de week
- Deutschland, ein Wintermärchen
-           idem (nieuwe versie)
- 15 maart 2003:een betoging voor vrede
- cyclus: Een kleine wereld:

 

 

het verhaal van de week,
waar, zoals ook in het echte leven,
meer vragen gegeven worden
dan antwoorden gesteld


blind paard
stoot wagner
tegen de schedel

is wagner bang?
wie niet?

zeehond
huilt onbevredigd
(waar is brigitte bardot?)

het duurt wel lang
hoe zo?

gitarist
bekwaamt zich
als hevige brand

rode draad met vurig gevolg?
klassiek geschoold?

tot slot van het concert
tweestemmig
kunstmatige behoesting

weinig volk op de been?
en op de arm?

toevallig treffen
in benarde toestand
noordwestelijk

gij hier?
ik daar?
 


Deutschland, ein Wintermärchen.













rechts
naast de ingangsdeur
hangt
aan een fijne koperen nagel
een veldmuis
opgeknoopt

zodat het knaagdier,
eenmaal verrot,
op de groenige grijze grond
vertrapt zal worden
tot een kleine donkerbruine vlek
naast zovele andere

het roze linkeroortje
is half afgesneden
een fijn lijntje rood
wijst naar een gestold korreltje bloed

---

de regen is kokend zwart op het asfalt
spiegels van rood en grijzig licht
als ik in Frankfurt boodschappen doe
krijg ik een doorzichtige plastic tas
in Duitsland zijn geen geheimen meer
(krijg ik als soevenier
zo'n tas voor schedelpan?)

---

Ulrike, altijd, maar nooit?
Ik zou toch niet in de plaats
van Heine willen zijn.
 


DEUTSCHLAND, EIN WINTERMÄRCHEN.(nieuwe versie)





1.Het keren van het water.
 

Buiten,
in het stadstuintje,
staat een wilde roos open
al? nog?
"Wat haalt de lente?"
(De vraag blaast rook op de ruit.
Het gezicht wordt wazig.)
De camelia lijkt te overleven
staat in bot.

                                        rechts
                                        naast de ingangsdeur
                                        van haar cel
                                        hangt
                                        aan een fijne koperen nagel
                                        een veldmuis
                                        opgeknoopt

pijn kruipt uit de pols
naar de linker oksel

  zodat
  het knaagdiertje
  eenmaal verrot
  op de groenig grijze grond
  vertrapt zou worden
  tot een
  kleine donkerbruine vlek
  tussen zoveel andere


Hij staat boven
voor het venster van het bureel
kijkt naar beneden waar zonet hijzelf stond.
"Met een dubbelzichtbril zie ik mezelf staan"
Het denken grijnst in de weerkaatsing.
 

    het roze linkeroortje
    is half afgesneden
    een fijn lijntje rood
    glijdt naar
    een korreltje gestold bloed

 
 
 
 
 
 

2. Het grondijs drijft.
 

de regen
is kokend zwart op het asfalt
spiegels
van rood en grijzig licht
als ik in Frankfurt booschappen doe
krijg ik een doorzichtige plastic tas
in Duitsland zijn geen geheimen meer
(krijg ik als soevenir
zo'n tas als schedelpan?)
 
 
Ulrike
altijd, maar nooit?

Ik zou niet in de plaats van
Heinrich Heine willen zijn.

    Ik zou niet in de plaats van
  Heine willen zijn.


 
 
 
 
 
 

15 maart 2003 : een betoging voor vrede







noodverhaalt de weerbaarwraak
de straathuiler de wezendans

vroegdoodt de hondenstraat
de riotgun de palijzerstraal

veegt de faalangststreep
de bibberknoop de huisbrandkraak

schreeuwt de verbrande mond
de huilgrens over
de onthuigde keel

"o diepgevroren dood
gebrandmerkkruist
beter nooitgeboren"
 
 


 
 




CYCLUS: "Een kleine wereld"

1. Begin

opgedragen aan ...
naar aanleiding van ...
zonder verwijzing naar ...

---

1. (lang, heel lang geleden)

er woonden kleine mannetjes in het woud
die vuur aten en op wortels kauwden

bomen werden met de kruin
in de grond gedreven

men leefde met één voet
in het graf, de andere in het water

de windroos bloeide open wonden
grijze hengsten paarden in de lente

het was of het wilde leven
de strenge dood voor wou zijn

men keek omhoog om niet te weten
moraal was een geslepen steen

er werd gedronken en gerookt
geslagen en gevochten

de wereld was de hemel
de hel bestond niet meer

koudwatervrees alom
de dondeqr vrat de kinderen op

2. (later? meer nog?)

wij braken de straten op
steenslags vooruit

heilig het been
ontwijd het kruis

de broeksriem sloeg tot ridder
elk huis zijn eigen hond

wijd kruiselings werd
een vrouw geheidend

men vroeg zich af

3. (of toch?)

vraag ik mij af
 
 


2. KEYZONE B

a.
koperkleurig klein
niet opmerkbaar
tussen het halflange gras
ligt haat gestapeld
in hoopjes van tien

b.
rille zwarte meisjes
met benen vol voodoo
en een huid van portable plezier
bundelen hun gamescore tot een
ultimate graphic performance

c.
vanuit de wagen
tuimelt de wereld
reliëfloos naar mij toe
ik hou de ramen dicht
en koppel de geluidskaart af



 
 


Terug naar: Voorpagina