|








© BeKLIM
06/01/2005
|
Intelligentie: hoe meet je dat?
Samenvatting van een lezing op de
ouderbijeenkomst van BeKLIM op 16 juni 2004
Om te
weten of je kind intelligent is volgt men dezelfde stappen, die je ook
terugvindt als je wil weten of je een ‘groot’ kind hebt.
Eerst kijk
je na hoeveel centimeters/ hoeveel punten op ‘intelligente’ taken
je kind heeft. Je meet de centimeters met een standaard lengtemeter, dat
is een maatstok die voor iedereen dezelfde is. De punten op ‘intelligente
taken’ bekom je door je kind standaardtaken voor te leggen die ook voor
iedereen dezelfde zijn. Welke deze taken zijn, werd door een groep
onderzoekers van universiteiten in Vlaanderen en Nederland bepaald.
Daarvoor baseerden ze zich op taken uit eerder bestaande testen. Bij een
intelligentietest zijn er verschillende soorten taken, subtests genoemd,
die elk gaan over een ander aspect van intelligent bezig zijn.
Dan leg je
het getal dat je bekomen hebt ( Bijvoorbeeld: 142 cm lengte/ 26 punten op
de subtest Overeenkomsten) naast de getallen die andere kinderen van
dezelfde leeftijd haalden. Men weet welke cijfers andere kinderen haalden
omdat men in vroeger onderzoek (het normeringsonderzoek) aan vele kinderen
dezelfde taken heeft voorgelegd. Je vergelijkt het resultaat dus
met dat van andere kinderen.
|
Heb ik een groot kind? |
Heb ik een intelligent kind? |
|
1.
Meten met een standaard lengtemeter |
1.
Meten met (vele) standaard intelligente taken, (door na te gaan
hoeveel juiste antwoorden het kind heeft op die intelligente taken) |
|
2.
Resultaat in cm, bijvoorbeeld 150 cm |
2.
Resultaat in aantal punten behaald op een subtest (bijvoorbeeld
Overeenkomsten). Dit is de ruwe uitslag (R.U.), bijvoorbeeld 24
punten. |
|
De Gauss curve (de normale
verdeling)
Bij heel veel metingen
(zoals de lengte van personen en het aantal juiste antwoorden op
intelligente taken) stel je vast dat er veel mensen uitslagen halen
rond het gemiddelde, maar dat er minder hoge of lage en nog minder
heel hoge of heel lage uitslagen zijn. In een grafiek ziet dat er zo
uit:
|
aantal kinderen
met
deze resultaten |
 |
|
|
Aantal cm (10 jaar) |
128
140 150 |
|
|
Pnt
op Overeenkomsten
(10 j) |
6/7 14/15 24/25 |
|
|
Percentielen |
2.2
50 97.8
|
|
|
Afgeleide uitslag
(subtest) |
4
10 16 |
|
|
Somscore van alle subtests |
57
101 136 |
|
|
IQ |
70 100 130 |
Voor de betekenis van
deze getallen: zie tekst |
|
|
3. Vergelijken met de leeftijdsgenootjes: is 150 cm veel meer/minder
dan het gemiddelde voor een 10 jarige, en hoeveel meer dan? |
3. Vergelijken met de leeftijdsgenootjes:is 24 punten veel
meer/minder dan het gemiddelde voor een 10-jarige, en hoeveel meer
dan? |
|
Bij een intelligentietest
wordt dat ‘hoeveel meer/minder dan het gemiddelde’ weergegeven als
volgt: voor alle verschillende taken van deze test stellen we het
gemiddelde (dat verschilt per onderdeel én per leeftijdsgroep) gelijk
aan 10, en de maat voor de afwijking van het gemiddelde aan 3. Zo kan
je een afgeleide uitslag (A.U.) of de standaardscore (per
subtest) noteren. In het voorbeeld is de standaardscore 16.
Voor alle onderdelen samen
(de somscore) stellen we het gemiddelde gelijk aan 100 en de maat voor
de afwijking van het gemiddelde aan 15. Dat is het
intelligentiequotiënt of IQ.
Een IQ van 130 wil dus
zeggen: het kind doet het 2 maten beter dan de gemiddelde
leeftijdsgenoot. Een afgeleide uitslag van 16 op een subtest betekent
net hetzelfde, maar dan voor één onderdeel van de test. |
|
Standaardafwijkingen (SD)
verwijzen rechtstreeks naar percentielen: dit is hoeveel procent van
de kinderen een uitslag haalt gelijk aan of lager dan de uitslag van
je kind
|
SD |
Subtest
score |
IQ (Van .. tot ..) |
Procent van de kinderen |
Totaal procent
(percentiel) |
|
<-3 |
<1 |
0 tot 55 |
0.1 |
0.1 |
|
-3 tot -2 |
1 tot 4 |
55 tot 70 |
2.1 |
2.2 |
|
-2 tot -1 |
4 tot 7 |
70 tot 85 |
13.6 |
15.8 |
|
-1 tot 0 |
7 tot 10 |
85 tot 100 |
34.1 |
50 |
|
0 tot +1 |
10 tot 13 |
100 tot 115 |
34.1 |
84.1
|
|
+1 tot +2 |
13 tot 16 |
115 tot 130 |
13.6 |
97.8 |
|
+2 tot +3 |
16 tot 19 |
130 tot 145 |
2.1 (2 à 3 op 100) |
99.9 |
|
>3 |
> 19 |
145 tot … |
0.1 (1 op 1000) |
100 |
Zo kan je bijvoorbeeld
zeggen dat 97,8 % van de tienjarigen een IQ heeft dat gelijk is aan of
lager ligt dan 130. Zo kan je ook zeggen dat 97,8 (ongeveer) van de
tienjarigen kleiner is 150 cm. Je kan ook zeggen dat 2,2 % van de
tienjarigen een IQ hebben dat hoger ligt dan 130. |
Wat zegt de test over het kind?
Wat een
intelligentietest doet is je kind vergelijken met andere kinderen.
Een IQ is geen absolute maat, zoals de lengte wel is. Net zoals bij ‘heb
ik een groot kind’ is het vergelijken essentieel. Zonder die vergelijking
kan je niets over de intelligentie zeggen.
De meest
gebruikte intelligentietest in Vlaanderen is de WISC of de WPPSI, waarvan
in het verleden al verschillende versies gemaakt zijn. Momenteel wordt de
WISC-III (2003, voor 6 tot 17-jarigen) en de WPPSI-III (1998, voor 4 tot
7-jarigen) gebruikt. Beide testen hebben verschillende onderdelen, die
voor een groot deel gelijkaardig zijn.
De
verschillende onderdelen van de test zijn verschillende soorten
‘intelligente’ taken. Je kan die koppelen aan verschillende manieren van
intelligent bezig zijn. Sommige tests worden mét, ander zonder tijdsopname
afgenomen. Soms krijg je meer punten als je sneller werkt. Soms moet je
binnen een bepaalde tijd klaar zijn. Dit kan voor sommige (faalangstige,
zenuwachtige, of net niet-op-te jagen) kinderen tot lagere resultaten
leiden.
|
Verbaal deel |
Wat meet dit onderdeel |
|
WISC |
WPPSI |
|
|
Informatie |
Informatie |
Bereik
van de algemene kennis |
|
Overeenkomsten |
Overeenkomsten |
Abstractievermogen (algemene categorieën zien) |
|
Rekenen |
Rekenen |
Rekenvaardigheid en concentratie |
|
Woordkennis |
Woordenschat |
Taalkennis (Kennis van woordbetekenis en vaardigheid om die duidelijk
te maken) |
|
Begrijpen |
Begrijpen |
Inzicht in algemene sociale situaties |
|
Cijferreeksen |
Zinnen
nazeggen |
Auditief geheugen en concentratie |
|
Performantiëel (niet-verbaal) |
Wat meet dit onderdeel |
|
WISC |
WPPSI |
|
|
Onvolledige Teken. |
Onvolledige Teken. |
Detailwaarneming en analyse van beelden |
|
Substitutie |
Dierenhuis |
Oog-handcoördinatie, concentratie, korte termijn geheugen |
|
Plaatjes Ordenen |
|
Sociaal inzicht, vaardigheid om |
|
Blokpatronen |
Blokpatronen |
Het
vermogen om gehelen te analyseren in delen |
|
Figuur
Leggen |
Figuur
Leggen |
Organisatie van de waarneming, planning, systematiek van werken |
|
Doolhoven |
Doolhoven |
Vooruitredeneren, impulscontrole, oog-handcoördinatie |
|
|
Geometrische figuren |
Visuele analyse, oog-handcoördinatie |
|
Symbolen vergelijken |
|
Verwerkingssnelheid |
Enkele
opmerkingen
-
Een kind met een hoog IQ heeft op de
meeste testonderdelen scores vanaf 14. Soms zijn er zwakkere resultaten
voor bepaalde onderdelen (bv. niet verbale subtests). Dat kan allerlei
oorzaken hebben. Op basis van observatiegegevens tijdens de afname kan
je een idee hierover krijgen. De psycholoog die de test afnam kan je
daar meer over vertellen. Enkele oorzaken: storing van buitenaf
(speeltijd op school, uit spel gehaald, te veel lawaai), niet
gemotiveerd om mee te werken (vindt de test maar flauw, wil liever in de
klas blijven…).
-
Er zijn angeltjes onder het gras. De
resultaten van een intelligentietest zij altijd een momentopname.
Hoe jonger het kind, hoe meer variatie er zit op de resultaten van een
IQ test. Jonge kinderen zijn meer vatbaar voor storingen van buitenaf,
voor motivatieproblemen (het klikt niet met de testafnemer). Oudere
kinderen (vanaf een jaar of acht) die voorbereid zijn op de testafname
en weten wat er zal gebeuren, zij hier minder vatbaar voor.
Anderzijds is het ook zo dat bij jongere kinderen de invloed van het
opvoedingsmilieu (vooral bij de jongere kinderen) groter is. Een kind
dat thuis veel aanbod krijgt, waar veel boekjes, speelgoed, veel
oefening mee gebeurd, doet het beter op een IQ-test. Later, vanaf vlakt
de invloed van de thuisstimulatie wat af.
- Er zijn meer oorzaken van zwak presteren
dan van zeer goed presteren. Een kind dat een zeer hoge score haalt op
een intelligentietest is wellicht hoogbegaafd. Bij een goede score (en
een vermoeden van hoogbegaafdheid) kunnen andere invloeden bij de
testing een rol gespeeld hebben. Je kan dan hoogbegaafdheid niet zomaar
uitsluiten.
- In de loop der jaren is het gemiddelde van
de ruwe uitslagen gestegen. Het gemiddelde kind haalde effectief betere
resultaten op de testjes. Dat betekent dat de normtabellen, waarop men
zich baseerde verouderd zijn. Vergelijk dit met de lengtetabellen. Als
de gemiddelde lengte van een tienjarige stijgt over de laatste tien jaar
(dat is zo!), krijg je een vals beeld van de ‘grootte’ van je kind in
vergelijking met zijn leeftijdsgenoten. Daarom wordt een
intelligentietest regelmatig opnieuw genormeerd. Kinderen die getest
zijn met de WISC-R, net voor de nieuwe WISC-III is uitgekomen halen een
IQ dat wat overschat is. Hetzelfde geldt voor de WPPSI. De voorlaatste
versie van deze test overschatte het IQ met behoorlijk wat IQ-punten (10
à 15).
Verslaggever: Marina
Vandermeulen
naar boven ▲
|