OVER ONS   -   PUPPY NIEUWS   -   ONZE BERNERS   -   ONZE GROTE ZWITSERS   -   FOTO'S   -   INFO   -   LINKS   -   CONTACT

 

Rasinformatie over de Berner Sennen, klik hier

Opvoeding, klik hier

Rasinformatie over de Grote Zwitser, klik hier

 

 

 

OVER ONS   -   PUPPY'S   -   NIEUWS   -   ONZE BERNERS   -   ONZE GROTE ZWITSERS   -   FOTO'S   -   INFO   -   LINKS   -   CONTACT

 

 

 

 

Rasinformatie over de Berner Sennen hond

 

 

De Berner - een vriendelijke gezinshond.

Als men spreekt over een Sennenhond, bedoelt men meestal De Berner Sennenhond omdat hij veruit de populairste is van de vier soorten Sennenhonden, het is een echte huishond die zich onvoorwaardelijk aan zijn gezin hecht, de Berner is ook zeer kindvriendelijk, de kinderen mogen dan ook uren met hem spelen en hem knuffelen. Hij is altijd graag dicht in uw omgeving, en altijd bereid om wat te leren. De Berner Sennenhond is ook een goede waker, maar zeker geen overmatige blaffer, als de baas hem gerust stelt dat alles in orde is zal hij direct zwijgen.

 

De Berner -de mooiste van de vier Sennenhonden.

De Berner is de enige langharige van de vier Sennenhonden, met zijn mooie kleuren, glanzend zwart, met symmetrische roodbruine en witte aftekeningen, zijn harmonische bouw en goedmoedige en vriendelijke uitdrukking is hij diegene die de mensen het meest aanspreekt. De reuen hebben een schouder hoogte van 64cm-70cm de teven van 58cm-66cm.
De vachtstructuur van de Berner Sennenhond is sluik of licht gegolfd, witte voeten of een witte puntstaart word enkel vermeld als gewenst, het is zeker geen prioriteit, sommigen staren er zich wel blind op, en vergeten dan dat het karakter en de bouw van de Berner veel belangrijker zijn.

 

De Berner -de uitmuntende showhond.

De Berner Sennenhond oogt altijd mooi, maar als showhond moet hij toch wel aan nogal wat eisen voldoen, de meest belangrijke zijn,
- Volledig en krachtig schaargebit, goed gepigmenteerde neus en lippen, bruine amandelvormige ogen.
- Hoofd met voldoende stop en middellange voorsnuit,(de voorkeur van de keurmeesters kan wel verschillen).
- Oren driehoekig, hoog aangezet, niet te groot en gesloten aanliggend.
- De voorhand, eerder breed, en van voor gezien recht en evenwijdig.
- De achterhand, van achter gezien recht, weinig naar binnen of naar buiten uitdraaiend, van opzij gezien goed gehoekt.
- De voeten, kort rond en de tenen goed gesloten.
- Een diepe voorborst, een vaste rechte rug, de staart zwevend tot rughoogte of licht erover gedragen.
- Het gangwerk, voor mooi uitgrijpend, en de achterhand met een goede stuwing.
- Zijn karakter moet zelfverzekerd en vriendelijk zijn tegenover vreemden.
- Indien jou berner sennenhond deze kwaliteiten bezit, raad ik je aan om toch eens aan een show mee te doen, en wie
  weet behaalt hij of zij een zeer goed of misschien wel een uitmuntend als resultaat.

 

De Berner - een Zwitserse boerderijhond.

In 1908 kreeg op voorstel van prof. Albert Heim de Dürrbächler (voorheen zo genoemd) zijn definitieve naam. BERNER SENNENHOND, en de Zwitsers veranderden ook de naam van de  club nl: de Berner Sennenhund Klub.
De belangstelling voor het ras nam in de loop van de twintiger jaren enorm toe, de Berner werd zo populair dat er in de veertiger jaren nogal wat schuwe Berners rondliepen, iets wat een hofhond zeker niet mag zijn, er werd uitgekeken om deze eigenschap te verhelpen en het toeval hielp hier een handje mee, toen op zekere dag een Newfoundlanderreu uitbrak en een Berner Sennenteef dekte. Het stamboek had geen bezwaar om deze pups in te schrijven. Niet iedereen was hiermee akkoord, maar de meeste fokkers zijn het er nu wel over eens dat deze toevalstreffer een zeer positieve invloed op het ras heeft gehad.
De huidige Berner toont zeker wat van de goede karakter eigenschappen van de Newfoundlander.
De Berner Sennenhonden vanouds boerenhofhonden hadden geen echte specifieke taak, maar waren zowat voor alles bekwaam, zij verdedigden huis en hof, trokken melkkarretjes met melkbussen erop, zij hielpen de boer in de wei om de runderen en zelfs de schapen bijeen te drijven. Ik heb getracht in een korte ras en historiek beschrijving een duidelijk beeld te geven van dit fantastische ras.

 

top

 

De rasstandaard van de Berner Sennen hond:

 

Nederlandse vertaling van de Zwitserse rasstandaard

Bewerking :           mevr. M.E. Tittel- Schilperoort
                             Dhr. M.J.M. Alferink
FCI-standaard nr.45 d.d.  12 maart 1993/D.

 

BERNER SENNENHOND   (Dürrbächler)

LAND VAN OORSPRONG:
Zwitserland.

 

Gebruik:
Oorspronkelijk waak-, drijf- en trekhond op boederijen, tegenwoordig ook familie- en veelzijdige werkhond.

 

FCI-classificatie:
Groep II, sektie 3. Zwitserse Sennenhond zonder werkcertificaat.

 

Kort historisch overzicht:
De Berner Sennenhond is een boerenhond van oude herkomst, die in het voor-Alpengebied en delen van het binnenland in de omgeving van Bern als waak-, trek- en drijfhond gehouden werd. Naar het gehucht en de herberg Dürrbach bij Riggisberg, waar deze langharige, driekleurige erfhond bijzonder veelvuldig voorkwam, kreeg hij zijn oorspronkelijke naam: Dürrbächler”. Nadat in 1902, 1904 en 1907 reeds zulke honden op hondententoonstellingen uitgebracht wearen, sloten in november 1907 enkele hondenfokkers uit Burgsdorf zich aaneen om het ras zuiver te gaan fokken. Zij stichtten de “Schweizerichen Dürrbachklub” en stelden raskenmerken op.

In 1910 werden op een hondententoonstelling in Burgdorf, waar veel boeren uit de omgeving, met hun Dürrbächler-honden naar toe kwamen, reeds 107 dieren geëxposeerd.
Van toen af aan verwierf het ras, in navolging van de andere Zwitserse Sennenhonden, voortaan “Berner Sennenhond” genoemd, snel vrienden in heel Zwitserland en spoedig ook in het naburige Duitsland.
Tegenwoordig is de Berner Sennenhond, dankzij zijn driekleurige aftekening en zijn aanpassingsvermogen wereldwijd als familiehond bekend en geliefd.

 

Algemene verschijning:
Langharige, driekleurige, meer dan middelgrote, krachtige en beweeglijke gebruikshond met stevige ledematen; harmonisch en evenredig.

 

Belangrijke lichaamsverhouding (formaat):
Verhouding tussen schofthoogte en lichaamslengte ca. 9 : 10; eerder gedrongen dan lang.

Karakter en gedrag (aard):
Zeker, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd in alledaagse situaties, goedmoedig en aanhankelijk in de omgang met vertrouwde personen, zelfverzekerd en vriendelijk tegenover vreemden; gemiddeld temperament, volgzaam.

 

Hoofd:
Krachtig; schedel zowel in zij- als in vooraanzicht gezzien zeer licht gewelfd; geprononceerde, doch niet te sterke stop, weinig ontwikkelde voorhoofdgroef; krachtige, middellange rechte snuit.

 

Neusspiegel: Zwart

 

Lippen: Weinig ontwikkeld en aansluitend, zwart.

 

Gebit: Volledig, krachtig schaargebit.

 

Ogen: Donkerbruin, amandelvormig, met goed aansluitende oogleden.

 

Oren (behang): Driehoekig, licht afgerond, hoog aangezet, middel groot, in rust vlak aanliggend.

 

Hals: Krachtig, gespierd, middellang.

 

Lichaam: Krachtig, compact.

 

Borst: Tot aan de elleboog reikend, breed, met duidelijke voorborst; borstkas van breed-ovale doorsnee.

 

Rug: Vast en recht.

 

Lendenpartij: Breed en krachtig.

 

Kruis: Vloeiend afgerond.

 

Buik: Niet opgetrokken.

 

Staart: Dichtbehaard, minstens tot het spronggewricht reikend, in rust hangend, in de beweging zwevend op rughoogte gedragen, of licht daarboven.

 

Grootte: Reuen 64 – 70 cm schofthoogte, ideaal 66 – 68 cm;
               Teven 58 – 66 cm schofthoogte, ideaal 60 – 63 cm.

 

FOUTEN:
Iedere afwijking van voornoemde punten moet als fout worden aangemerkt. De beoordeling daarvan moet in verhouding tot de ernst van de afwijking staan en er moet rekening mee gehouden worden in hoever aan wezenlijke zaken afbreuk wordt gedaan.

-          licht botwerk;
-          ondervoorbeet en bovenvoorbeet;
-          het ontbreken van andere tanden dan ten hoogste tweemaal P1 (premolaren); de M3 blijven buiten beschouwing;
-          entropion, extropion;
-          zadelrug, overbouwd kruis, aflopende ruglijn;
-          krulstaart, knikstaart;
-          duidelijk kroeshaar;
-          kleur- en aftekeningsfouten;
-          ontbrekende witte hoofdaftekening;
-          te brede bles en/of witte snuitaftekening, die duidelijk verder dan de mondhoeken reikt;
-          grote witte nekvlek;
-          witte halsring;
-          wit aan de voorbenen, dat duidelijk tot boven het midden van de middenvoet reikt (laars);
-          storend asymmetrische aftekening aan hoofd en borst;
-          zwarte vlekken en strepen in het wit op de borst;
-          onzuiver wit (sterke pigmentvlekken);
-          bruine of rode vleug over de zwarte grondkleur.

 

Van beoordeling uitsluitende fouten:
-          gespleten neus
-          blauw oog (-glasoog/porcelein-oog), blauwe vlekjes in de iris (= Birkauge)
-          kort- of kort stokhaar
-          het ontbreken van een driekleurenpatroon
-          anders dan zwartgekleurde mantel

N.B. Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels bezitten, die zich volledig in het scrotum bevinden

 

LEDEMATEN:
VOORHAND:
Algemeen: In stand tamelijk breed, van voren gezien recht en parallel.

 

Schouders: Lang, krachtig, schuingeplaatst, met de opperarm een niet te stompe hoek vormend, aanliggend en goed gespierd.

 

Voormiddenvoeten: Nagenoeg loodrecht in stand, sterk.

 

Voeten: Kort, rond en gesloten; tenen goed gewelfd.

 

ACHTERHAND:

 
Algemeen: In stand van achteren gezien recht, niet te nauw, achtermiddenvoeten en voeten naar binnen noch naar buiten gedraaid; wolfsklauwen moeten verwijderd zijn.

 

Dijbenen: Tamelijk lang, van opzij gezien met het onderbeen een duidelijke hoek vormend, breed, krachtig en goed gespierd.

 

Spronggewrichten: Krachtig en goed gehoekt.

 

GANGWERK:


Ruime, gelijkmatige bewegingsafloop in alle gangen; uitgrijpende, ruime pas voor en goede stuwing vanuit de achterhand; in draf, van voren en van achteren gezien, bewegen de ledematen in een rechte lijn.

 

BEHARING:


Vachtstructuur: Lang sluik of licht gegolfd.

 

Kleur van het haar: Diepzwarte grondkleur met diepe, bruinrode brand aan de wangen, boven de ogen, aan alle vier de benen en op de borst en met witte aftekeningen als volgt:

-   Zuivere, witte, symmetrische hoofdaftekening: de bles verbreedt zich naar de neus toe aan beide zijden tot een witte
     snuitaftekening. De bles mag niet tot aan de vlekken boven de ogen reiken en de witte snuitaftekening hoogstens tot aan de
     mondhoeken.
-   Witte, matige brede, doorlopende hals- en borstaftekening.
-   Gewenst : witte voeten, witte staartpunt.
-   Toegestaan : kleine witte nekvlek en kleine witte aarsvlek

top

 

OVER ONS   -   PUPPY'S   -   NIEUWS   -   ONZE BERNERS   -   ONZE GROTE ZWITSERS   -   FOTO'S   -   INFO   -   LINKS   -   CONTACT

 

 

 

 

De Grote Zwitserse Sennenhond, zijn karakter.
 
Een betrouwbare kalme hond, wat hij combineert met een scherpe en constante waakzaamheid
Hij imponeert door zijn kracht en formaat, hij is zeer geduldig en lief voor kinderen. Bovendien wil hij niets liever doen dan tegemoet komen aan de eisen van zijn baas die hij aanbidt, daarom is hij ook altijd graag in uw nabijheid.


Schofthoogte: Teven 60-68 Reuen 65-72cm. Gewicht tussen 40 en 60 kg.
Geef hem een beetje liefde en u krijgt heeeeel veeeel liefde terug!!

  • Rasgroep: Dogachtigen

  • Aanleg: waak en verdedigingshond,

  • Aard: gedwee, kalm, open, moedig en vriendelijk
    Gemiddelde leeftijd: 12 jaar 

  • Schouderhoogte: - reuen 65-72 cm, -teven 60-68 cm
    Gewicht:- ongeveer 40-60 Kg

  • Vacht: zwart met wit en roestbruine aftekeningen
    Leefruimte: - bij voorkeur een huis met een tuin
    Vachtverzorging: - nauwelijks

 

top

Herkomst;


De populairste Zwitserse Sennenhond is de Langharige Berner Sennenhond, die een zwart met witte vacht  heeft waarop roestbruine aftekeningen zitten. Er bestaan echter nog drie andere, ook driekleurige Sennenhonden, maar die zijn kortharig, Zoals zijn naam al zegt is de Grote Zwitserse Sennenhond daarvan de grootste.

De Zwitserse Sennenhonden zijn veedrijverhonden die ondanks hun uiterlijke verschillen dezelfde afkomst hebben. Sommigen menen dat dit type honden al in het prehistorische Zwitserland bestond. Dat leiden ze af uit de vondst van hondenschedels die vergelijkbaar zijn met die van de Berner Sennenhond. Anderen beschouwen deze veronderstelling als weinig overtuigend en gaan ervan uit dat de voorvaders van de Sennenhonden door de Romeinen in Zwitserland zijn ingevoerd. Ze zouden afstammen van de grote Aziatische berghonden. de Tibetaanse Doggen, die afkomstig waren uit Perzié. Assyrië en wellicht zelfs uit India of de Himalaya. De Fenicische en Griekse zeevaarders waren de eersten die deze Molossers in het gebied rond de Middellandse Zee verspreidden. Xerxes, de koning   van Perzië. en Alexander de Grote maakten er beroemde en geduchte krijgshonden van. De Romeinen. die ze daarna erfden. lieten deze handen natuurlijk in hun arena's vechten.

Daarnaast na-   men zij ze op in hun legioenen om de barbaren te bestormen of om militaire posten te bewaken. Maar zij  gebruikten de Molossers ook als veehoeder. Het goed georganiseerde Romeinse leger verplaatste zich immers alleen maar als men er zeker van dat was men voor zijn voeding niet afhankelijk zou zijn van derden. Daarom gingen er altijd kudden runderen en schapen   met het leger mee.   De Romeinse troepen hebben er dus ruimschoots toe bijgedragen dat de Molossers, met hun grote gestalte en sterke karakter, bekendheid kregen. Ook de Franse Beauceron en de Duitse Rottweiler stammen trouwens van de Molossers af.

De veedrijverhonden kwamen in  de Zwitserse dalen terecht via de Sint-Bernardpas en de Sint-Gotthardpas. Een bewijs voor hun bestaan aldaar ligt met name in Vindonissa (tegenwoordig Windisch), een van de hoofdsteden van het Romeinse Helvetia, waar men overblijfselen van deze honden heeft aangetroffen. De Grote Zwitserse Sennenhond is wellicht een directe afstammeling van het type veehoeder dat het meest   verspreid is geweest in Zwitserland. In de geschiedenis treft men daarvan overigens sporen aan. De Zwitsers behaalden hun overwinningen op de Habsburgers en op Karel de Stoute niet alleen dankzij hun behendigheid met de kruisboog, maar ook dankzij hun grote honden. Een ander bewijs vormt een bevelschrift uit 1489 van de burgemeester van Zürich, Hans Waldmann.

Dit bevelschrift getuigt van de plaatselijke verspreiding van deze hond en zijn grote populariteit op het platteland. Waidmann eiste namelijk dat het dier zou verdwijnen, onder voorwendsel dat het schade toebracht aan het  wild en de wijngaarden. Een golf van protest was het gevolg. Koeherders. kaasmakers en landbouwers hadden in deze hond immers een geliefde kameraad gevonden. Ondanks zijn toevlucht tot geweld kon Hans Waldmann zijn verordening dan ook niet laten uitvoeren. Tot omstreeks het midden van de 19 de eeuw werden  aan de Grote Zwitserse Sennenhond diverse taken  toevertrouwd. Hij bewaakte koeien, schapen en zelfs  geiten, die hij binnen de grenzen van het toegewezen  stuk grond moest houden. Elk dier dat buiten dit gebied was geraakt. moest hij terugbrengen. Dit alles  zonder dat de koeherder hoefde in te grijpen. De hond  was ook in staat precies die koe op te sporen waarvan  hem alleen maar de naam was genoemd. Verder  moest hij de orde in de stal handhaven. Elders werd hij  als trekhond ingezet, en moest dan een kar beladen met melkbussen trekken. In die tijd was dat zowel  in Zwitserland als in België een zeer veel voorkomend gebruik. De Grote Zwitserse Sennenhond kon met gemak meer dan 300 kg vracht trekken. Qua snelheid  deed hij niet onder voor het paard. terwijl hij zich bovendien gedweeër toonde dan een ezel. Op het platteland werd hij over het algemeen als bewaker van de  boerderij aangesteld. Zijn kracht en gezag werden benut bij het begeleiden en bij elkaar houden van het vee dat van de wei naar de markt werd gebracht. 

Hoewel uit alles bleek dat de Grote Zwitserse Sennenhond over talrijke kwaliteiten beschikte, veel aanleg  had. toonden de Zwitserse kynologen alleen maar onverschilligheid tegenover hem. Datzelfde gold trouwens ook voor de andere Zwitserse veedrijverhonden, waar men blijkbaar eveneens niets meer dan gewone slagershonden en plattelandshonden in zag. De boeren hielden zich ook al niet zo bezig met de selectie van deze honden. Alleen door de handhaving van tradities en door het isolement waarin men in de Zwitserse dalen leefde, was er sprake van enige selectie.  Vooral als gevolg van de voortschrijdende industrialisatie, werden de Sennenhonden steeds zeldzamer. Ze hoefden daardoor immers niet meer zoveel als werkhond te worden ingezet.  Het ontstaan van de Société Cynologique Suisse (Zwitserse vereniging van kynologen) in 1883 bracht niet veel verandering in deze situatie. Op dat ogenblik hadden liefhebbers van zuivere rassen in de eerste plaats belangstelling voor buitenlandse honden. Desondanks gingen enkele belangrijke deskundigen, onder andere professor Albert Heirn en Franz Schertenleib.op zoek naar specifiek Zwitserse honden. Schertenleib herinnerde zich dat zijn vader altijd vol lof was over schitterende langharige honden, en besloot deze honden te gaan zoeken. Hij trof enkele exemplaren aan in Dürrbach (kanton Bern) en liet deze handen aan processor  Heim zien, die ze als raszuiver erkende. Deze honden zouden in 1913 de naam krijgen waaronder ze nu bekend staan, namelijk Berner Sennenhond.  Aangemoedigd door dit eerste succes. vervolgde  Schertenleib zijn speurwerk. Dat leverde hem een kortharig en driekleurig exemplaar op. De professor legde  meteen een link tussen dit type hond en de krijgshonden die de Zwitserse confederalen in de 15e eeuw bij zich hadden. Hij herkende het exemplaar van Scher-  tenleib dus als de hond die vroeger voorkwam op het platteland. en noemde hem de Grote Zwitserse Sennenhond. Korte tijd later stelden deze twee specialisten de kenmerken vast van de Appenzeller Sennenhond en de Entlebucher Sennennond (uit het kanton  Luzern). Uiteindelijk heeft alleen de Berner Sennenhond. zowel  in eigen land als in het buitenland. een zekere ontwikkeling doorgemaakt.  De grote Zwitserse Sennenhond, die niet de volle vacht van de Berner heeft en kleiner is dan de Sint-Bernhard. moet helaas met een veel bescheidener rol  genoegen nemen.

top

 

OVER ONS   -   PUPPY'S   -   NIEUWS   -   ONZE BERNERS   -   ONZE GROTE ZWITSERS   -   FOTO'S   -   INFO   -   LINKS   -   CONTACT

 

 

 

 

 

 

Gewichts tabel Sennenhond

 

8 weken

5 tot 8 kilogram

3 maanden

9 tot 14 kilogram

5 maanden

20 tot 26 kilogram

7 maanden

26 tot 31 kilogram

9 maanden

31 tot 37 kilogram

12 maanden

37 tot 43 kilogram

15 maanden

43 tot 50 kilogram

18 maanden

45 tot ...  kilogram

 

 

Koop nooit een pup jonger dan 7 weken.

  • Je koopt geen herder om dan te klagen dat hij je bewaakt, zelfs tegen jouw beste vrienden,of je koopt ook geen grote hond om achteraf te klagen dat hij zoveel geld kost aan voer.

Bedenk dat elke hond niet jachtgericht of kindvriendelijk geboren wordt.

  • Informeer vooraf wat je wil met je hond,gezelschap of voor sport,één met jachtbloed,waker,schoonheid,gehoorzaamheid, binnen of buiten slapen enz. informeer je grondig voor de aankoop en praat met verschillende fokkers.

Doe er alles aan om je hond op de juiste manier op te voeden.

 

  • Als je hond zit of iets doet wat je wel apprecieert,laat het dan ook horen en voelen en beloon met een lievelingssnoepje.

  • Voordeel voor de mens is dat hij kan simuleren en uitlokken, een dier kan dit niet.

  • Je kan je huisdier lustgevoelens geven met voer en warmte. Hoe groter het lustgevoel op een bepaald moment,hoe groter de kans op een juist of beter gedrag.

Nooit iets toelaten dat hij op volwassen leeftijd ook niet mag.

  • Schreeuwen tegen je hond heeft geen enkele zin. Bedenk dat een hond gemiddeld 17 maal beter hoort dan wij.

  • Nooit hondje straffen of troosten als het bang is of schrikt,negeren is het beste anders wordt het alleen maar angstiger.

  • Betast je pup dagelijks en borstel hem zachtjes,dat voorkomt later verzorgingsproblemen.

  • Laat het ook door vreemde mensen doen.

Nooit toestaan dat de hond bepaalt wanneer een handeling afgelopen is.

  • Als bijvoorbeeld je hond wegloopt tijdens het borstelen,hij heeft er genoeg van, dan roep je hem onmiddellijk terug en je maakt het borstelen af (al zijn het maar twee streken).Dan belonen met wat lekkers.

  • Let op als je toch straft,sommige hondjes zijn zo onder de indruk dat ze op hun rug gaan liggen,stop direct met straffen,hij kan niet meer doen.

  • Sommige honden plassen uit blijdschap als je thuis komt of als er bezoek komt. Andere uit allerlei emotionele reacties. Straf niet,het zijn deemoedplasjes,negeer je hond tot hij zijn emoties de baas is.

  • Waarom heeft een pup zo'n scherpe tandjes? Daarmee ondervindt hij wat er wel of niet op reageert als hij het uitprobeert.

  • Nooit iets geven aan tafel, slechte gewoonte (bedelen).Dit is vervelend op verplaatsing.

  • Op de zetel ofwel nooit,ofwel altijd toegelaten. Ook met vuile poten, ook als er bezoek is. Bezoekers zijn voor elke hond indringers,zorg dat hij het leuk vindt.

Voer geven als je zelf hebt gegeten,de wolvenleider eet ook eerst zelf.

 

  • Puppyvoer(junior geven tot 9 maanden (klein ras) of tot 5 maanden ( groot ras).Daarna voer voor een volwassen hond met een maximum eiwit gehalte van 26 procent,dit is zeer belangrijk om te snelle groei te vermijden. Lees de verpakking en hou je daaraan. Bespreek het met je dierenarts.

  • Elk duurder voer is kwalitatief beter. Droge voeding is zeer goed en gemakkelijk ( om mee te nemen op reis) en vooral gezond voor het gebit.

  • Geef je hondje een vast slaapplaatsje in huis en leer het daar te blijven op jouw bevel (oefenen).Flink belonen.

  • Je komt binnen en hij heeft iets stuk gemaakt,niet straffen, je hond is wel onder de indruk van jouw boos zijn,maar weet echt niet waarover het gaat,zo maak je enkel zijn vertrouwen in de mens stuk,hij was zo blij en krijgt dan op zijn duvel.

  • De hond bijt dingen kapot,blaft of plast als hij alleen is,dit is uit schrik omdat jij,zijn grote leider,zijn beste vriend,zijn alles, weg was,in de natuur blijft een roedel samen, een achtergelatene is steeds in gevaar, je hond blijft denken als een wolf).

  • Leer je hondje alleen blijven met korte periodes,of steek hem in een bench met een lekkere knook of amusant voorwerp, dat is ook trainen.

  • Nooit reageren als hij blaft of piept of jankt of zeurt of krabt of wat dan ook,zelfs al ben je boos,hij heeft gewonnen,hij kreeg aandacht,positief of negatief,hij had aandacht. Wacht tot hij braaf of stil is en reageer dan.

  • Steeds volhouden,wees daarin zeer consequent.

  • Nooit slaan,dat doen honden toch ook niet bij elkaar. Het baasje is in zijn ogen ook een hond (de leiderhond).

  • Spreek met elkaar af om steeds dezelfde woordjes te gebruiken. Dus liggen of zit,of nestje. Het is al moeilijk genoeg voor het jonge diertje.

  • Dus geen zinnen zoals,ga eens op je poep zitten,of wil je wel eens luisteren. Wees duidelijk en zeg zit of liggen of nestje,en beloon dan overduidelijk en jubel,klop eens in je handen,lach of geef een hondekoekje.


Het wisselen van de tandjes.

  • Een hond knaagt altijd graag maar vooral vanaf zijn 4 maanden tot 10 maanden. Dan wisselen zijn tandjes. Geef veel knaagbeentjes ( goedkoper dan je tafelpoot).

  • Zie je hem knagen aan een verboden voorwerp,lok hem weg,geef een knook of bot om te ruilen en beloon hem dan voor het betere gedrag,niet straffen.

Spelen,spelen en spelen. Maar jij moet winnen.


  • Spelen zoveel je wil maar jij moet winnen. Het huis mag vol speeltjes liggen,maar als je de hond laat trekken aan een lapje ofzo, help hem te lossen en zeg dan los,leg het speeltje weg,nooit laten houden anders denkt hij dat hij de baas mag zijn. Veel spelen is leuk en maakt de binding groter.

Zindelijk maken.

 

  • Een hondje is zindelijk op 4 à 6 maanden maar niet voor een hele dag. Sommige rassen zijn vlugger dan andere,sommige terriërs zijn niet zo vlug zindelijk.

  • Volhouden en steeds belonen. Voor het eten, na het eten, voor het slapen na het slapen, voor het spelen, na het spelen, buiten zetten. Steeds flink belonen en liefst op de zelfde plaats zetten en nooit straffen,weet niet beter.

  • Zie je het gebeuren dan zeg je gewoon nee,niet boos zijn maar het hondje buitenzetten op zijn plasplaats.

  • Heb je het niet zien gebeuren, ruim het gewoon op. Jij moet beter opletten.

Wagenziek.

 

  • Ook honden kunnen wagenziek worden. Als je ervoor zorgt dat je hond de auto leuk vindt in plaats van eng,ben je al half geholpen,je doet dit als volgt.

  • De eerste week vele malen per dag in de stilstaande wagen leuke spelletjes spelen(trekspelletje).Desnoods 2 weken. -Volgende stap,wagen starten door andere persoon,(niet rijden) blijven spelen niet troosten als de hond reageert op het starten. Dit weer een volle week volhouden,meerdere malen per dag.

  • Vervolgens korte afstandjes rijden al spelend,nooit troosten,reageer zelf ook niet,blijf spelen met zijn favoriete speeltje of knaagbeen die je hond alleen maar in de auto krijgt.

  • Moet je toch ver rijden, geef dan een middeltje tegen wagenziekte.

Komen: het grootste probleem dat er is.

 

  • Je leert het thuis aan en zegt steeds hetzelfde woordje,bijvoorbeeld "Kom" of "Hier"je lokt hem en geeft dan een snoepje terwijl je jubelt,oefen dit veel,vooral thuis.

  • Maak het dan moeilijker,verstop je achter de deur,blijf belonen.

  • Ga er mee buiten waar weinig afleiding is,maak hem los en roep direct "hier".Beloon zoals thuis.

  • Komt er toch iets aan en hij komt niet wees nooit boos,roep niet maar loop de andere richting uit,verstop je zelfs achter een boom ofzo en laat hem eieren kiezen voor zijn geld. 

  • Gegarandeerd,hij komt naar jou terug en dan beloon je hem weer. Nooit straffen.

  • Wees alfaleider loop weg van hem,hij volgt jou. Wat je niet mag doen is,stilstaan met je jonge hond als hij los is want dan leer je hem dat hij niet op jou moet letten,maar op zijn omgeving en dan krijg je problemen. 

  • Wandel door zodat hij steeds waakzaam moet blijven om naar jou te kijken dat voorkomt later het "kom" probleem.
    Als je wil stilstaan,roep hem dan bij jou en maak hem vast.

  • Later als hij het bevel "blijf" heel goed kent,roep je hem bij je en laat hem zitten of liggen met het bevel "blijf". 

  • Kan hij het niet,haak hem vast, laat hem niet in de fout gaan.

Waarom loopt een hond achter joggers en fietsers ?


  • Hij jaagt achter alles dat beweegt. Stopt de jogger of fietser,dan jaagt de hond ook niet meer.

  • Vele honden halen ook uit naar fietsers. Waarom?Omdat ze winnen.

  • Dit wil zeggen dat ze zich groter en sterker voelen wanneer ze zijn aangelijnd dan wanneer ze los zijn.

  • Ze kijken naar de aankomende fietser. Ze grommen,ze blaffen,ze willen bijten.

  • De fietser rijdt voorbij en verdwijnt,de hond denkt,hij is bang van mij,dus hij heeft gewonnen en de volgende maal doet hij het weer.

  • Wat je er aan kan doen is niet de hond straffen,want dan kan dit gedrag nog erger worden.

  • Neen,je leidt de hond op voorhand af met aandacht voor jou.

  • Daarom zijn aandachtsoefeningetjes zo belangrijk Hoe meer aandacht voor jou,hoe groter de beloning.

Apporteren is iets terugbrengen op jouw bevel.

 

  • Steeds belonen. Zelfs al heeft hij iets vast dat niet mag,nooit straffen,negeer,en geef hem iets anders in ruil en zorg dat hij het verkeerde object niet meer kan wegnemen.

  • Zo gauw hij iets beetpakt wat toegelaten is,zeg jij diezelfde seconde vast,zo leert hij de betekenis van het woord,niet als hij het al vast heeft.

  • Zeg nooit los als hij het speeltje nog vast heeft,of als hij er mee wegloopt. Zeg los op het moment dat hij het voorwerp lost. Anders denkt hij dat trekken of weglopen "los" betekent.

  • Loop nooit achter je hond aan,hij vindt het prettig en denkt dat hij de baas is of mag zijn. Je kan toch nooit zo hard of zo lang lopen als een hond,dus je verliest altijd.

  • Als hij niet komt,negeer hem,draai je om en begin te spelen met één of ander speeltje of met zijn pieper en doe alsof dat het allerbeste ter wereld is.

  • Hij zal vlug terug bij jou zijn. Wees nooit boos of je krijgt zeker een kom probleem.

  • Bij het aanleren van onder andere zit gebruik steeds hetzelfde gebaar van je arm of hand. Dit is handig om te gebruiken van op een afstand of wanneer de hond je niet kan horen.

Naar de hondenschool of niet.

 

  • Een goede hondenschool is vooral nuttig voor socialisatie,vooral jonger dan zes maanden is de puppyklas een aanrader,liefst vanaf de 8 weken al.

  • Een hondenschool heeft vooral nut als je hondensport wil doen en als je hond het graag doet. Het is vooral aan te raden als je een probleem hebt.

  • Voelt de hondenschool niet goed aan,ga er dan weg. Blijf niet omdat je toch betaald hebt of omdat je er iemand kent,er zijn nog scholen.

  • Let op,er zijn hondenscholen die je niet kunnen helpen met je probleem. Die doen alsof,maar in feite loop je er maar bij om de hoop te vergroten. Zij kunnen wel met werkwillige honden werken en dat is voor hun imago heel goed Ze halen prijzen bij wedstrijden en doen het goed op demonstraties. Maar daarom is het nog geen goede hondenschool die jou helpt.

Waarom geen slipketting of sliplijn(stropketting,stroplijn).


  • Omdat weinig mensen die op de juiste manier kunnen hanteren. Er is ook geen gebruiksaanwijzing bij (zou moeten).Een slipketting dient om te corrigeren dwz OP HET JUISTE MOMENT een flits,zoals een zweepslag te geven,anders heeft dit systeem geen nut en is het treiteren. 

  • De honden krijgen er enkel een gespierde nek van. Kijk maar eens rond in je buurt,hoeveel honden zie je niet met een slipketting die toch nog trekken. Meestal zijn het slechte komers en uithalers. In de hondenschool lopen ze wel netjes aan de leiband.

  • Vele hondenscholen blijven het systeem gebruiken omdat ze op het oefenplein resultaat zien. Ze staan er echter niet bij stil dat het niet komt door de correcties maar wel door de hondenbazen die zich daar consequent gedragen. De hond weet ook maar al te goed dan hij op school is.

  • Dikwijls krijgt een hond een ruk met de slipketting op het verkeerde moment,de hond dacht juist aan een beter gedrag en Ruk verkeerd. Het moet FLITS zijn op het juiste ogenblik.

  • Er zijn natuurlijk ook honden die netjes meelopen met een slipketting,maar die kunnen ook even netjes meelopen zonder,omdat de hondenbaas het trekken nooit heeft toegelaten en heel consequent geweest is.

  • Je kan bij echte problemen ook een Gentle-Leader aandoen(dit is zoiets als een paarden halster).Daar mag je nooit aan rukken(halshernia).Een nadeel is dat de honden het niet graag dragen. Je moet dit langzaamaan trainen. Eerst 1 seconde, belonen en dan opbouwen tot 1 minuutje,dan eens een keer aanlaten terwijl hij zijn eten krijgt of een spelletje speelt met
    jou. Nooit uitdoen als hij het wil. Uitdoen als hij er geen aandacht aan schenkt. 

     

Bedenk altijd


MET BELONEN EN VEEL GEDULD BEREIK JE MEESTAL MEER DAN MET STRAFFEN

 

VEEL PLEZIER EN GELUK IS GEGARANDEERD ALS JIJ JE HOUD AAN DEZE REGELS !!!

 

top

 

OVER ONS   -   PUPPY'S   -   NIEUWS   -   ONZE BERNERS   -   ONZE GROTE ZWITSERS   -   FOTO'S   -   INFO   -   LINKS   -   CONTACT