Nothobranchius foerschi WILDEKAMP & BERKENKAMP, 1979

Laatste wijziging 20-10-00

 

foerschi: (gelatiniseerd bvgw.) = Dedicatie naam ter ere van Dr. Walter Foersch, München.

Eerst Beschrijving

Wildekamp, R. H. & H. O. Berkenkamp - 1979 - "Nothobranchius foerschi spec. nov., ein aquaristisch bekannter, jedoch wissenschaftlich neuer Prachtgrundkärpfling aus Tanzania, Oost-Afrika (Pisces, Cyprinodontidae)" - Deutsche Killifish Gemein. - Journal 11 (11): 145-157.

Terra Typica

Soga nabij Dar-Es-Salaam, Tanzania, 38°49'O - 6°43'Z; ongeveer 45 km ten westen van Dar-Es-Salaam; "in een met dicht gewas overgroeide poel in een sisal landbouwbedrijf, die verscheidene maanden per jaar uitdroogt".

Meristische Gegevens

D= 18-..; A= 17-..; 25+1 schubben in laterale lijn reeks;

Synoniemen

Nothobranchius species "Dar-Es-Salaam"; Tanzania
Nothobranchius
palmqvisti "Dar-Es-Salaam"; Tanzania
Nothobranchius
foerschi "Bagamoyo" TAN 95/13; Tanzania
Nothobranchius
foerschi "Soga" TAN 97/45; Tanzania (Wildekamp, Watters & Cooper's collection of 1997)

N.foerschi behoort tot de N.palmqvisti-groep, bestaande in hoofdzaak uit klein blijvende soorten. De soort is reeds in de hobby bekend sinds 1957 maar werd toen dikwijls verkeerdelijk verspreid als "N.palmqvisti".

Holotype

(SMF 4356) Man met totale lengte van 28,2 mm en standaard lengte van 22,0 mm, ingevoerd door Fa. Tropicarium (Frankfurt) vanuit Soga, nabij Dar-Es-Salaam, Tanzania.

Paratypes

Code

foe

Grootte

Mannen bereiken een totale lengte van 50-55 mm, vrouwen blijven in het algemeen zowat 15-20 mm kleiner.

Verspreiding & Habitat

Aanvankelijk dacht men dat het verspreidingsareaal van deze soort beperkt bleef tot de oorspronkelijke vindplaats en diens onmiddellijke omgeving rond Soga, ongeveer 45 km ten westen van Dar-Es-Salaam. Ze werd er ontdekt in de typische Nothobranchius poel gelegen in de beboste oost Afrikaanse kust savanne.

In 1957, importeerde Tropicarium Frankfurt een vis uit de omgeving van Soga. De vis werd verspreid en kreeg in de hobby de naam Nothobranchius palmqvisti. Het is echter pas in 1979 dat Wildekamp & Berkenkamp deze soort beschreven. Bij menige gelegenheden hadden G. Eggers en L. Seegers gezocht naar N.foerschi in en om Soga maar zonder veel succes. Andere liefhebbers hadden tevens ook geen succes wanneer ze de type lokaliteit van deze soort trachtten te achterhalen. Na het grootte regen seizoen, in juli 1981, bezochten G. Eggers, Ch. Kasselmann en W. Scholl opnieuw het Selous Game Reserve, dat in dit seizoen rijkelijk voorzien is van tijdelijke poelen en moerassen.

Tijdens een late namiddag, na een andere rondrit, ontdekten ze in een poel, ongeveer 150-m breed op 80-cm diep met slechts zeer weinig open water en dicht begroeid met gras hoopjes, adulte specimens van N.foerschi. Mannetjes werden enkel aan de wegzijde ontdekt, samen met N.melanospilus (een soort die bijna in ieder watertje in de omgeving gevangen werd). De bodem was vochtig en het water redelijk warm. Vrouwtjes werden slechts gevangen aan de andere zijde van de poel. Volgens Wildekamp, Watters en Sainthouse (1995) bestaat er echter van deze vangst geen verifieerbare gegevens (geen fotografisch bewijsmateriaal noch gepreserveerde specimens).

Figuur 5: Verzamelplaatsen van N.foerschi in Tanzania

 

In 1995, verzamelden Watters, Wildekamp & Sainthouse N.foerschi in het gebied der Ruvu rivier, nabij Bagamoyo [TAN 95/13]. Sainthouse (1996c:107) citerend: "door Bagamoyo, de weg volgend naar de ferry over de Ruvu rivier, reden we over een aardendijk. Het land aan weerszijden van de weg bestond uit een met gras en struiken overgroeide vlakte, wat het moeilijk maakte om de netten uit te gooien". Ze verzamelden er zowel N.melanospilus, N.janpapi als N.foerschi in dezelfde waters. "Tot het tegendeel bewezen kan worden, moet de vindplaats tussen Bagamoyo en de ferry over de Ruvu rivier beschouwd worden als de eerst bevestigde vindplaats van deze soort" (Wildekamp, Watters en Sainthouse, 1995). Sainthouse (1995: 141) vernoemend "locatie TAN 95/13 kwam overeen met "wegkant poelen en overstroomde gras gebieden in het overstromingsgebied der Ruvu Rivier, enkele kilometers van de ferry terminal ten westen van Bagamoyo".

Er werd ook een andere Nothobranchius gevonden op deze plaats [TAN 95/13]. Eigenlijk waren er zeer sterke vermoedens dat het hier inderdaad om een andere soort handelde. Er bestond een zekere overeenkomst met N.foerschi doch het verschil lag het hem in de onscherpe verticale lijnen over de flanken van zowel mannen als vrouwen. Deze gestreepte vis, toen nog bekend als N.spec. Bagamoyo [TAN 95/13], werd beschreven als N.annectens door Watters, Wildekamp en Cooper in 1998.

In 1997, verzamelden Watters, Wildekamp en Cooper drie verschillende Nothobranchius soorten op vindplaats Soga TAN 97/45. Een was Paranothobranchius ocellatus, de tweede was N.janpapi en de derde N.foerschi. Er wordt aangenomen dat deze vindplaats de oorspronkelijke vindplaats zou kunnen zijn van N.foerschi.

Kleur beschrijving

Mannelijke specimens vertonen een bijzonder fraai licht tot diep rode staart vin die omgeven wordt, aan zijn buitenste rand, door een zeer dunne gelige of gouden tot witachtige marginale band. De goudgele pectorale vinnen vertonen op hun distaal deel een opmerkelijk lichtblauwe tot witachtige marginale band. Dorsaal en anaal vinnen zijn goudgeel en vertonen talrijke kleine, diep rode, punten die in min of meer concentrische ringen verspreid liggen langsheen de vin basis. De hoofdkleur van het lichaam is licht blauw, ietwat meer iriserend naar de rugzijde toe; deze grondkleur wordt onderbroken door een opmerkelijk reticulatie patroon dat gevormd wordt door de rode tot donker rode randen die de schub uiteinden afbakenen. De ogen schitteren door een helder iriserend licht blauwe kleur.

Vrouwelijke specimens vertonen, net als hun mannelijke tegenhangers, een verkorte, niet verlengde lichaamsbouw wat hen het uitzicht bezorgd van robuuste vissen, wat ze ook zijn in Nothobranchius termen. De algemene lichaamskleur is grijs tot grijsbruin met een veel lichtere buikzijde en blekere gouden reflecties. De schubben vertonen naar de achterzijde toe, bleke donker grijze randen. De parige vinnen zijn kleurloos. De anaal vin is in het algemeen grijs tot grijsbruin.

Verzorging & Kweek

N.foerschi leeft in tijdelijke poelen, dicht begroeid met waterminnende vegetatie, en soms in klein beekjes die volledig, één tot twee maal per jaar, kunnen uitdrogen. Hierdoor, kan men deze vissen het best in een dicht beplant aquarium houden, wat tegelijkertijd ook talrijke schuilmogelijkheden biedt aan de vrouwtjes die constant achtervolgd worden door de ijverige mannetjes. De grootte van het aquarium zal uiteraard in verband staan tot het aantal gehouden dieren, maar het kan zelden groot genoeg zijn.

Dikwijls worden de geslachten gescheiden gehouden in kleinere aquaria om ze dan weer samen te brengen, voor korte periodes, in een gegroepeerde kweek (één tot twee weken) ofwel kan men de vrouwtjes samen houden in een aquarium met slechts één tot drie mannetjes die dan regelmatig vervangen worden, er voor zorgend dat er een betere genetische uitwisseling plaatsvindt binnen de populatie. Meerdere mannen kunnen echter ook samengebracht worden in hetzelfde aquarium indien er voor gezorgd wordt dat er voldoende vegetatie aanwezig is en/of voldoende schuilmogelijkheden voor de onderdanige mannetjes. De mannetjes zijn in het algemeen niet bijster agressief tegenover geslachtsgenoten maar lijken het op prijs te stellen om nu en dan eens te kunnen imponeren. Talrijke kwekers houden deze soort in een 1:2 tot 1:5 (of zelfs meer) verhouding, in het voordeel der vrouwtjes, wat ten allerlaatsten in het voordeel van de vrouwtjes is en van het algemeen reproduktief gedrag daar de wijfjes minder onderhevig zijn aan stress en minder verstoord worden door de steeds jagende mannetjes.

Net als bij de andere vertegenwoordigers van het geslacht, reageert de soort bijzonder slecht op de aanwezigheid van peperstip (Oödinium). Het toevoegen van zout [1 theelepel per 5-10 liters water] zal zeker de noodzaak om regelmatig water te verversen niet doen afnemen, maar zal er voor zorgen dat het algemeen welzijn der vissen erop verbeterd. Deze seizoenvissen eisen een stevig dieet bestaand uit muggenlarven (rode en zwarte), kleine wormpjes en fruitvliegen.

Nothobranchius foerschi kan zeer goed gehouden worden bij in temperatuur bereik van 20-24°C [ 68°-74°F] , waardoor de levensverwachtingen der dieren verhoogd worden. Frisser water [< 20°C of <68°F] maakt hen gevoelig voor alle soorten ziektes. Verzorgingstemperaturen liggend tussen 24-27°C [ 74-81°F] zijn vermeld in de literatuur [Kadlec (1991)] maar dit vermindert de levensduur der vissen. Aangezien het metabolisme van N.foerschi zeer hoog ligt, zal een regelmatige en partiële waterverversing zeer op prijs gesteld worden.

Voor reproduktieve doeleinden, zijn bakken van 10-20 liters reeds groot genoeg. Het aflegsubstraat (en bij sommige kwekers tevens ook het bodem substraat) bestaat uit een 2-3 cm dikke laag turfmolm [ een 5 tot 10 mm dikke laag is in de meeste gevallen reeds meer dan voldoende]. In zulks een opstelling, kan men reeds met een trio of beter, met een kleine groep dieren [2 manen en 4-6 vrouwtjes] kweken. De dieren worden goed gevoerd tijdens de kweekperiode. Na een verblijf van één tot twee weken in deze omgeving, moeten de vrouwtjes tot rust kunnen komen en worden dan vervangen door een nieuwe groep van op voorhand goed gevoerde dieren. Een goed vóór geconditioneerd vrouwtje kan per week tussen 50 en 100 eieren afleggen [Kadlec (1991)]. De 0,95 mm grootte eieren worden op het turfmolm bed gedeponeerd en kunnen eenvoudigweg herkent worden met het blote oog. Het kweken kan ook nog geschieden in een meer permanente opzetting.

Elke week wordt de turfmolm met de vers gelegde eieren verwijdert en vervangen door een nieuwe laag, en gefilterd over een fijnmazig net. De turfmolm wordt dan voor enige dagen te drogen gelegd op krantenpapier;; het substraat met de eieren zal echter steeds iets vochtig moeten blijven, en wel in zulke mate dat wanneer men het lichtjes samendrukt er geen water druppels meer uitkomen. Alles wordt nu, samen met voldoende lucht, weggelegd in een gesloten plastiek zak. Bij een temperatuur van 21°-23°C., zullen de eieren volledig ontwikkeld zijn na 2-3 maanden van "droog-maar-vochtige" bewaring. Bij lagere bewaartemperaturen, en met een nattere turfmolm, zal de ontwikkelingsperiode der eieren toenemen. Bij 25°C., kan de incubatieperiode verlaagd worden tot 70 dagen [Kadlec (1991)].

Sommige kwekers overgieten de ontwikkelde eieren met fris (regen) water van 16-18°C. [ 61-64°F] . De meeste hobbyisten echter nuttigen normaal half hard water dat uit een goed functionerend aquarium werd getrokken en dat op 18° of zelfs 20°C. [ 64-68°F] teruggebracht werd. Om te beletten dat drijvende turfmolm vlokjes te veel het wateroppervlak gaan bedekken tijdens het kippen der eieren, wordt de turfmolm samen met de ontwikkelde eieren eerst vanuit de incubatie plastiek zak in een maatbeker gegoten en dan overgoten met fris water. Dit mengsel wordt dan, voor enkele minuten, goed gemengd opdat de ontwikkelde eieren naar de bodem zouden kunnen zinken; het mengsel wordt dan enkele minuten gerust gelaten; de dan nog vlottende turfmolm vlokjes worden achtereenvolgens handmatig verwijdert. Het bodemresidu wordt uiteindelijk in een klein bakje gegoten ter uitkoming der jongen. Het kippen der eieren kan zowel geschieden in een open platte schaal, 5-8 cm hoog, of in een kleiner bakje (10x10 of 20x20 cm). Op het moment van het definitief opgieten der eieren zal men moeten zorgen dat de waterlaag 5-6 cm boven de eieren uitkomt. Een hogere waterstand op het moment van het uitkomen (tot zelfs 10 cm boven de eieren) heeft gewoonlijk geen negatieve invloed op het kippen zelf, voorzover de eieren zich in de geschikte ontwikkelingsstadia bevinden. Ik laat gewoonlijk de eieren kippen bij nachtinval en tegen de morgen zijn de meeste jongen reeds goed aan het zwemmen, met een gevulde zwemblaas. De duur van het kippen duurt in het algemeen slechts een paar uur (2-4).

Aangezien N.foerschi slechts een zeer beperkt aantal "lang-rustende" eieren produceert, is het in het algemeen niet lonend om de eieren voor een tweede rustperiode weg te leggen. De vers ontloken jongen zijn relatief klein maar kunnen echter toch zeer vers gekipte Artemia-nauplieën tot zich nemen. Het bijvoeren met Paramecium is uiteraard aangewezen gedurende de eerste twee dagen, hierna kan men Cyclops- en Artemia-nauplieën voeren. Vanaf nu moet het voeren een continue verloop kennen en moet in voldoende mate aanwezig zijn om er voor te zorgen dar het groeiproces gestadig verloopt. Bij regelmatige waterverversingen, een groot aquarium en met een rijkelijk voedsel aanbod, zullen de jongen zeer snel groeien. Na 6-8 weken kunnen ze reeds de geslachtsrijpheid bereiken [volgens Kadlec (1991), zou het mogelijk zijn, bij een sterke voeding, om seksuele maturiteit te bereiken na amper 1 maand]. Na vier maanden bereiken ze het volwassen stadium. Na 6-7 maanden zetten de eerste verouderingsprocessen in wanneer de dieren bij te hoge temperaturen gehouden worden (27°C); slechts na 8-9 maanden wanneer ze bij 20°C. gehouden worden.

Er wordt aangeraden om de vrouwtjes gescheiden te houden van de mannetjes om te bekomen dat ze beter en sneller uitgroeien en een meer gunstige reproduktieve grootte bereiken.

Onlangs meldde Lee Harper (KillieTalk, 21-XII-98) over de waterincubatie van een 50-tal N.foerschi eieren, in een Petrischaal waaraan zeer kleine hoeveelheden acriflavine werden toegevoegd. Na ongeveer een week wisselde hij het water door proper en acriflavine-vrij water. Na ongeveer 15 dagen waterincubatie bij 21°C, waren de meeste eieren verdwenen (Harper verondersteld dat ze wel eens door de in de Petrischaal aanwezige Cypris verorbert werden), 7 embryo's waren echter gedeeltelijk ontwikkeld en 5 kwamen uit het ei en waren perfect normaal. Bij gelijkaardige temperaturen kipt deze soort na ongeveer 6-8 weken turfmolm verblijf. Bij dit experiment, stelde Harper in twijfel of N.foerschi wel degelijk een jaarlijkse seizoenvis zou zijn. Hij rapporteerde verder over een andere observatie waarbij twee volgende porties eieren van N.foerschi in een vlootje en in een Petrischaal werden gehouden, dit maal echter zonder Cypris. Eieren uit de Petrischaal vertoonden na 2 weken waterincubatie reeds een merkbare embryonale ontwikkeling, eieren uit het vlootje niet. Hij concludeerde hieruit dat het zuurstofgehalte van het water essentieel is voor de embryonale ontwikkeling der eieren.

Bellemans (1999) meldde dat in hun natuurlijke omgeving de embryonale ontwikkeling van N.virgatus eieren gestopt werd door anaërobe bodem condities die reeds enkele uren na bevruchting intreden. Dit, in combinatie met het uitdrogen der poelen, dat zelf verbonden is aan een zeer omvangrijke bodeminkrimping dat de eieren nagenoeg verder hermetisch in- en afsluit, doet een zuurstofarme omgeving ontstaan waarin de eieren niet tot verdere ontwikkeling kunnen komen. Hij observeerde ook dat na ongeveer 6 maanden verblijf alle 50+ 'bodem-ingekapselde' eieren die hij kon lokaliseren, in diapause I vertoefden. Hij toonde tevens ook aan dat slechts wanneer de eerste regen de verharde bodemkorst doet opzwellen en week maakt, zuurstof opnieuw de rustende eieren kan bereiken doorheen talrijke microscopische barstjes in de modderkorst. Hij observeerde tevens ook dat slechts van dan af de embryonale ontwikkeling tot het stadium van rustend embryo (diapause II) op gang kwam. Dit laatste proces werd in snel vaart doorlopen door die eieren die van zuurstof voorzien werden, daar de eerste regen nagenoeg steeds samenvalt met de hoogste luchttemperaturen, juist vóór of tijdens de eerste regens.

Het blijkt dus dat waterincubatie van Nothobranchius eieren zeker mogelijk is bij de meeste soorten, op voorwaarden dat de eieren in een zuurstof rijke omgeving verblijven [zuurstof rijke waterstroom over of doorheen het afleg substraat] van juist na de bevruchting af. In geval een zuurstof arme omgeving tot stand komt juist na de bevruchting, zal de embryonale ontwikkeling der eieren gestopt worden in een vroege diapause I fase. Water incubatie vormt echter een onnatuurlijke omgeving voor seizoenvissen daar, in hun natuurlijk milieu, dergelijke eieren verder tot ontwikkeling en zelfs tot kippen gedwongen zouden kunnen worden, gedurende hetzelfde regenseizoen, wat uiteindelijk de overlevingskans van een ganse generatie zou kunnen bedreigen.

Literatuur