Iedere mens is uniek. In functie van ieders eigen behandelnoden
willen we daarom zoveel als mogelijk “zorg op maat” aanbieden.
De onvoorwaardelijke acceptatie van de persoon biedt de grootste kans op
een constructieve samenwerking. Eventueel keuren we dus wel iemands gedrag af
maar we willen het respect voor de persoon erachter behouden.
Actieve deelname aan het ontwikkelen van het eigen behandelplan maakt
iemand mee verantwoordelijk voor de eigen behandeling.
Eigen waarden, gevoelens, ervaringen, ideeën en doelstellingen bepalen
de planning tijdens alle fasen van de opname. Wij zijn hun medestanders,
geen tegenstanders.
Elke mens ontwikkelt zich op een eigen tempo. Negatieve evoluties
en zelfs stilstand kunnen dus deel uitmaken van een actief en levendig groeiproces naar herstel toe.
We willen mogelijkheden en vaardigheden van kinderen en jongeren benadrukken.
Het uitvergroten van sterke punten – hoe klein ook – kan het zelfbeeld versterken.
We betrekken de naaste omgeving van het kind en de jongere bij de begeleiding.
We willen naar ouders en andere betrokkenen luisteren, hen informeren en hen
ondersteunen in het verloop van een onze contacten. Deze kunnen een significante
invloed hebben op het welslagen van een behandeling.
We helpen elkaar in het respecteren van het beroepsgeheim.
We beogen een degelijke interne en externe communicatie.
De uitbouw van een extern netwerk bevordert de
samenwerking met ons omgevende hulpverleners en hulpverleningssystemen.
Navorming en bijscholing zijn essentieel om onze kennis,
vaardigheden en attitudes op peil te houden. We stimuleren elkaar tot deelname
aan, en verslag geven over navormingsactiviteiten .
We willen regelmatig de kwaliteit van ons werk evalueren.
Supervisie en intervisie kunnen hierbij belangrijke methodieken zijn. We zijn
bereid ons werk te toetsen aan vooraf bepaalde, meetbare kwaliteitscriteria.
Op regelmatige basis willen we de positie van elk teamlid tegenover
andere teamleden, patiënten en derden evalueren.
2. ONZE UITGANGSPUNTEN VERTAALD NAAR KINDER- JEUGDPSYCHIATRISCHE
HULPVERLENING
Het unieke, het bijzondere, het meest kenmerkende van
de persoon van het kind en de jongere en van diegenen die voor
hem of haar zorgen staan centraal in de kinder- en jeugdpsychiatrische
hulpverlening in het AZ Nikolaas.
Onder het “unieke van een persoon“ verstaan we de wijze waarop zij/hij zich op een
kenmerkende wijze onderscheidt van iemand anders. Vragen die ons daar naartoe
kunnen leiden zijn dan bijvoorbeeld “Welke kenmerken maken deze persoon?”, “Wat
is er typisch bij dit kind of deze jongere?”
Het unieke van elke mens ontstaat in de
loop van haar of zijn individuele biopsychosociale ontwikkeling.
Tijdens de zwangerschap ontstaat een levendige interactie tussen
moeder en kind. Ze vormt voor beiden de basis voor een geheel eigen
leer- en ervaringsgeschiedenis. Beiden ontwikkelen hiervan
de eigen unieke representaties. Het levensverhaal van het kind vertelt hoe de
ontwikkeling tot op heden is verlopen.
Vragen zoals “Hoe is deze ontwikkeling ontstaan?” , “Wat heeft ze
gestuurd?” , “Hoe kan men ze begrijpen?”, zijn in de kinder -en
jeugdpsychiatrie/psychotherapie zeer relevant.
Ouders en andere betekenisvolle personen hebben een belangrijke
invloed op deze biopsychosociale ontwikkeling.
Kinder-en jeugdpsychiatrische aandoeningen zijn ernstige problemen omdat ze een
ontwikkeling grondig kunnen verstoren en deze een ongunstige wending kunnen
geven.
De kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling wil, uitgaande van
een deskundig psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek van de kinderen en
jongeren met ernstige problemen, een realistische inschatting maken van de
mogelijkheden en beperkingen van het kind, de jongere, haar/zijn ouders en het
gezin.
Voor alles willen we de gezonde krachten
in het kind en haar of zijn ouders aanwenden in een behandeling.
Daarbij houden we rekening met de ernst van de problematiek bij het kind
of de jongere en haar of zijn gezin. Een behandeling zal bestaande
mogelijkheden stimuleren om tot een betekenisvol toekomstperspectief
te komen.
Met het oog op deze ontwikkeling kiezen de medewerkers van de K-dienst
voor een volgehouden en langdurig engagement.
Dit perspectief kunnen we maar ontwikkelen indien ook de ouders en/of
anderen, die de zorg dragen voor het kind of de jongere, zich ook kunnen
en willen engageren.
Voor ieder kind en elke jongere zetten
we de beste en meest gepaste kinder- en jeugdpsychiatrische
middelen in die tot onze beschikking staan.
3. ONZE DENKKADERS
We bekijken problematisch gedrag en de klachten
van patiënt en familie eerst binnen een zo ruim mogelijk kader om ze betekenis
te geven.
Vervolgens formuleren we binnen een psychiatrische diagnostiek een
werkhypothese om een behandelplan te ontwerpen.
3. 1. Het ruimere kader van onze werking:
De algemene psychiatrische visie van de K-dienst steunt op een geïntegreerd
biopsychosociaal model. We beschouwen een kind of een jongere vanuit het
biologische, psychische en sociale functioneren.
Vanuit praktisch oogpunt kan men een kind en een jongere dan beschrijven als
een complex systeem bestaande uit 6 onderscheiden niveaus die elkaar wederzijds
beïnvloeden.
het maatschappelijke niveau
Dit niveau omvat de ruime context zoals de familie van het betrokken gezin, de school, de
werksituatie, de vriendenkring, huisvesting, de financiële situatie enz...
het gezinssysteem
Dit omvat het gezin waarvan het kind of de jongere deel uitmaakt. Hier zal men nagaan welke
gezinsdynamieken van invloed kunnen zijn op de problematiek.
de bewuste functies
Gedragsmatige en cognitieve aspecten van menselijk functioneren verbinden
binnen- en buitenwereld. Dit behelst de sfeer van – in principe – bewuste
waarnemingen, gedachten, gevoelens en gedragingen, het deel van de persoon
dat het best toegankelijk is voor allerlei leerprocessen in positieve
of negatieve zin.
het gevoelsmatige en emotionele functioneren
Op dit niveau gaat het mogelijk om intrapsychische conflicten of slecht
verwerkte trauma’s die achter de problemen schuil gaan. Een stoornis
heeft hier een bewuste en een onbewuste kant. Dit komt tot uitdrukking door
tegenstrijdigheden in gedrag.
het psychische ontwikkelingsniveau
Hier gaat het om duurzame, vaak diepgewortelde aspecten. We denken
aan aanleg, temperament, karakter, persoonlijkheid.
het biologische niveau
Dit niveau omvat het lichamelijke functioneren van het kind inclusief
het centrale zenuwstelsel en alle afwijkingen die zich daarbij kunnen voordoen.
3.2. Meer specifieke denkkaders van onze werking
3.2.1. Het biologische kader
Gezond psychisch functioneren vergt in eerste
instantie een gezond zenuwstelsel. Bij het evalueren van een psychische
gezondheidstoestand van een kind of een jongere dient men dus steeds te denken
aan meer organisch bepaalde psychiatrische problemen. Voor het embryo, de
foetus of het ongeboren kind kunnen tijdens de zwangerschap bedreigende
leefomstandigheden bestaan die een weerslag hebben op het latere leven. Dit
geldt uiteraard ook voor de latere leefomstandigheden van een kind of een
jongere.
Verder kunnen ook algemene gezondheidsproblemen hun weerslag hebben
op het mentaal functioneren van een persoon.
3.2.2. Het ontwikkelingspsychologische kader
Elk kind doorloopt opeenvolgende levensfasen.
In elk van deze fasen verwerft een kind nieuwe vaardigheden, gaat het verworven
vaardigheden verder verfijnen. Het is belangrijk dat we ons in het contact met
de kinderen en jongeren bewust zijn van de ontwikkelingstaken die verbonden
zijn met hun leeftijd zodat we realistische verwachtingen kunnen stellen naar
hen toe.
3.2.3. Het psychiatrisch verpleegkundige kader
Het belang van het verpleegkundige handelen wordt vooral tijdens een opname
duidelijk. De voortdurende nabijheid schept de kans voor een verpleegkundige
om bij te dragen tot een breed zicht op individuele gezondheidsproblemen
en hun weerslag op diverse levensgebieden. Tevens ontstaat de mogelijkheid
tot veelsoortige interventies. Ze kunnen zich richten op strikt persoonlijke
verzorging, maar ook op de zorg voor de activiteiten van het dagelijkse leven.
Ze kunnen steunend of aanmoedigend zijn, of activerend tot intensievere
deelname aan het leefgroepsgebeuren. Binnen een bepaalde behandelstrategie
kunnen ze reëel co-therapeutisch zijn.
3.2.4. Het orthopedagogische kader
Een kind of een jongere is steeds een actieve deelnemer in haar of zijn
opvoedingsproces. Wanneer het psychisch functioneren gedurende een langere
tijd niet optimaal verloopt, dreigt dit opvoedingsproces vast te lopen.
Het verloopt dan niet meer spontaan en vanzelfsprekend. Een orthopedagogische
benadering kan dan aan specifieke opvoedkundige noden van het kind een antwoord
bieden. Dit orthopedagogisch handelen zal de relatie, het leefklimaat en de
leefomgeving zo trachten te sturen en te hanteren dat een stagnerend proces
opnieuw op gang komt.
3.2.5. Psychotherapeutische kaders
Naar theoretische achtergrond onderscheidt men klassiek vier grote
psychotherapierichtingen. Als oudste zijn er de psychoanalytische
therapievormen. Van recentere datum zijn er verder de cliëntgerichte, de
gedrags- en cognitieve therapie, en de systeemtheoretische richtingen.
Naar setting onderscheidt men individuele en groepstherapie. Binnen deze
laatste maakt de aanwezigheid van andere personen in de groep de interacties
gevarieerder en leerrijker dan in een individuele therapie. Groepsleden kunnen
elkaar steunen maar ook confronteren. Ze kunnen daarbij ervaringen bij elkaar
toetsen, ze met elkaar delen.
Kinderen en jongeren beschikken nog niet over
het abstractievermogen van een volwassene. Het verbale element in de
communicatie over en weer tussen therapeut(e) en jongere staat bij een
kinder- en jeugdpsychotherapie dan ook minder centraal, er
is meer ruimte voor handelend optreden. Dit laat het kind toe op een meer
geëigend ontwikkelingsniveau te werken aan zichzelf. Dit komt overigens nog
meer aan bod in non-verbale therapieën waarover verder wat meer. Om diezelfde
reden gaan therapeuten meestal ook wat soepeler om met het therapiekader. Meer
dan bij volwassenen zullen psychotherapeuten bij kinderen-
en jongeren ouders en belangrijke steunfiguren bij een behandeling betrekken.
Non-verbale therapieën bieden uitstekende
mogelijkheden bij kinderen en jongeren die nog niet zo goed met woorden kunnen
omspringen. Hun handelen krijgt meer ruimte en ook een
andere betekenis onder meer binnen speltherapie, bij het maken van tekeningen,
in het gebruik maken van poppetjes of knutselen met papier, lijm, hout en het
boetseren met klei.
3.2.5.1. De klassieke psychotherapeutische kaders
3.2.5.1.1. Psychoanalyse en psychoanalytische
psychotherapie hanteren dezelfde uitgangspunten. Zij
gaan ervan uit dat wij gevormd worden door belangrijke ervaringen met andere
mensen, die een diepe indruk op ons hebben gemaakt. Vele van onze ervaringen,
ook vroegkinderlijke, slaan we onbewust op. Deze onbewuste ervaringen sturen deels
ons gedrag en onze gevoelens. In therapie kan iemand inzicht verwerven in verborgen
gevoelens en gedachten. Daardoor kan iemand de oorsprong van problemen
ontdekken, nare ervaringen gaan verwerken, het actuele gedrag aanpassen in
nieuwe keuzes.
3.2.5.1.2. Cliëntgerichte of Rogeriaanse psychotherapie richt
zich, zoals de psychoanalytische werkvormen, naar het hier en nu van de
patiënt. Ook hierbij voedt men de autonomie van de patiënt in de overtuiging
dat hij zelf voldoende sterk is in het vinden van oplossingen, die ook
zelf kan kiezen. Een therapeut is bij deze wijze van werken echter actiever
in zijn interventies. Hij komt frequenter tussen, interventies zijn vaker
steunend en activerend van aard. Patiënten voelen zich zo aangemoedigd
hun wijze van denken en handelen te veranderen. Deze interveniërende
opstelling verleent deze therapievorm een wat pragmatischer karakter.
3.2.5.1.3. In gedrags- en cognitieve therapie staan
iemands kenmerkend gedrag en eigen denkwijze centraal. De gedragstherapie
gaat ervan uit dat we datgene wat we in de loop van ons leven op één of
andere wijze hebben geleerd, ook weer kunnen afleren.
Een gedragstherapeut werkt vaak met oefeningen en opdrachten. In therapie werkt
iemand stapsgewijs aan een concreet probleem of aan een bepaalde klacht om zo een
van tevoren geformuleerd doel te bereiken. Een cliënt leert zo situaties anders
aan te pakken. Geleidelijk aan heeft hij hierdoor minder last heeft van het
probleem.
3.2.5.1.4. Binnen een systeemtherapie kijkt een
psychotherapeut vooral naar de wisselwerking tussen mensen. De term “systeem”
verwijst naar de sociale systemen of netwerken waarvan iedereen deel uitmaakt
zoals het gezin, de partnerrelatie, de werk- en vriendenkring.
Relatietherapie en gezinstherapie zijn twee vormen van systeempsychotherapie.
Partners of gezinsleden komen dan samen op gesprek. In deze gesprekken
zoekt men naar interactiepatronen die moeilijkheden binnen relaties kunnen
onderhouden. Dat betekent dus dat een psychische klacht niet alleen vanuit
het standpunt van een aangemelde patiënt wordt bekeken.
3.2.5.2. Non-verbale therapieën
3.2.5.2.1. Psychomotorische therapie (PMT – sport en spel)
Bewegen behoort essentieel tot het leven van
de mens. Bewegingsopvoeding richt zich op de gehele ontwikkeling van ieder kind
en dus ook op de ontplooiing van de persoonlijkheid. De psychomotorische
therapie is een non-verbale therapie waarin bewegen en de beleefde
lichamelijkheid centraal staan. Een psychomotorische therapeut ziet hoe
een kind omgaat met zichzelf, met de anderen, met de opdrachten en met
het aangeboden materiaal. Zij/hij biedt een veilige plek waarbinnen een
kind kan experimenteren met ander gedrag en zo nieuwe gevoelens of gedachten
kan ontwikkelen en verkennen. Dergelijke veranderingen kunnen bijdragen
tot de afnamen van een psychiatrische problematiek.
3.2.5.2.2. Creatieve therapie
Creatieve therapie is een handelings- en ervaringsgerichte vorm van therapie. Ze helpt cliënten met
beeldende materialen wat hen beweegt tot uitdrukking
te brengen, vorm te geven. Beeldend werk biedt vaak een zicht op minder
bekende aspecten van het bewustzijn. Dit ervaart de cliënt door in het medium
te handelen, door het medium waar te nemen en (waar mogelijk) te reflecteren
over de ervaringen in en naar aanleiding van het medium. Aan de hand van
overeengekomen behandeldoelen werkt de creatief
therapeut methodisch. Het resultaat van de therapie kan verwerking, verrijking
of inzicht zijn en ook verbetering van het cognitieve of lichamelijk
functioneren.
3.2.5.2.3. Muziektherapie (Muziek en dans)
Muziek is iets wat elk mens beleeft, in welke vorm ook, niemand leeft zonder.
Het gericht aanbieden van muziek in al haar vormen, creëert specifieke
behandelingsmogelijkheden. Muziektherapie is in Vlaanderen een psychodynamisch
geïnspireerde behandelingsmethode. Daarbij staat de therapeutische relatie
centraal. Het muzikaal vorm geven aan, en het laten evolueren van psychische
problemen op een muzikaal-symbolisch niveau, met ondersteunende verbale
reflectie, vergemakkelijkt het inzicht voor mensen. Stoornissen in gedrag
en beleving gaan zo afnemen en/of verdwijnen. Cliënten met psychiatrische
stoornissen gaat men eerder met muziektherapie behandelen dan met
ortho-agogische muziekbeoefening.
4. ONZE PLAATS IN DE PSYCHIATRISCHE HULPVERLENING
4.1. We richten ons tot kinderen en jongeren onder meer volgende
aandoeningen:
- ontwikkelingsproblemen (autisme, leerproblemen, …)
- gedragsproblemen (ADHD, gedragsmoeilijkheden, …)
- emotionele problemen (angstproblemen, stemmingsproblemen,
dwangproblemen, trauma, ...)
- psychiatrische aandoeningen met lichamelijke aspecten
(eetproblemen, verwerkingsproblemen rond lichamelijke aandoeningen, …)
- neuropsychiatrische aandoeningen (enkelvoudige tics, Gilles de la
Tourette,…)
- psychosomatische aandoeningen (ziekte van Crohn, astmatiforme
aandoeningen, …)
4.2. We bieden psychiatrische hulp binnen een poliklinisch en een residentieel kader
De polikliniek biedt de mogelijkheid tot ambulante
diagnosestelling, behandeling en nazorg.
De opnameafdeling beschikt over 20 éénpersoonskamers: 17
voor volledige opname en 3 voor deeltijdse hospitalisatie. Patiënten kunnen er
maximaal 4 tot 6 weken verblijven.
De leefgroep "De Beren" vangt kinderen van lagere schoolleeftijd op.
"De Opstap"” biedt ruimte aan jongeren van
twaalf tot achttien, en voor een kortdurende intensieve therapie kunnen
kinderen van alle leeftijden terecht binnen het "Iko".
Om de opnametijd zo optimaal mogelijk te
kunnen gebruiken gaat aan elke opname een diagnostische oppuntstelling
vooraf.
4.3. Wij zijn beperkt in ons hulpaanbod
Voor kinderen en jongeren met een afhankelijkheidsproblematiek, of
kinderen en jongeren met een mentale handicap kunnen
we op dit ogenblik geen gepast hulpkader bieden.
Na een grondige evaluatie kunnen cliënten doorverwezen door gerechtelijke
diensten eventueel behandeld worden binnen het ambulante en/of
residentiële milieu van onze afdeling. Jongeren met een ernstige
delinquentieproblematiek komen niet in aanmerking.
5.1. CONCRETE WERKWIJZE
We beschouwen onze dienst als een werkinstrument.
Kinderen, jongeren en hun omgeving willen we helpen bij het vinden van een
nieuw toekomstperspectief. Daarbij streven we naar een realistisch haalbaar
herstel.
5.1.1. Ambulante observatie en diagnostiek
In samenwerking met de brede context van een kind of de jongere willen
we in de loop van een aantal ambulante contacten tot een concrete omschrijving
van de probleemgebieden komen. Artsen en psychologen werken samen om een
behandelplan uit te werken. De uitvoering van dit plan kan zowel intra-
als extramuraal gebeuren.
5.1.2. Residentiële observatie en diagnostiek
Een rechtstreekse opname behoort in principe niet tot de mogelijkheid.
We verkiezen een diagnostisch onderzoek vooraleer een opname plaats vindt.
De opnameduur verkort en het maakt een gerichte behandeling van bij het
begin van de opname mogelijk. Alle teamleden werken samen bij het uitwerken
en het bepalen van de doelstellingen in het behandelplan.
Daarbij hanteert elke discipline de haar eigen wetenschappelijke
methodieken.
5.1.2.1. Intensieve Kortdurende Opname (IKO)
Soms ontstaat er een acute situatie voor een kind of een jongere die
een snelle interventie vereist. Na indicatiestelling kan dan een
kortdurende opname (2 weken) in de IKO-groep volgen. Deze opname biedt
het kind of de jongere evenals de context de mogelijkheid aan om de betekenis
van dit acute moment te onderzoeken. Een zorgplan wordt voorgesteld.
De verdere behandeling gebeurt residentieel of ambulant.
5.1.2.2. Behandeling in een leefgroep tijdens een opname
Het gebeurt dat een opname een beter werkinstrument wordt dan een
ambulante observatie. Binnen een therapeutisch kader ontstaan immers
verdere diagnostische en behandelmogelijkheden. Het team met leden van
verschillende disciplines streeft naar een zo kort mogelijke
opnameduur (maximum 6 weken). Daarbij wordt oriëntatie naar de eigen leefwereld
als doel vooropgesteld.
5.1.2.3. Nazorg na een opname
Na een residentiële behandeling voorzien we nazorg voor het kind of de
jongere en zijn omgeving. Dit kan ambulant gebeuren op onze dienst zelf.
Het kan ook elders, residentieel of ambulant.
Een combinatie van zorg behoort tot de mogelijkheden.
6. HET TEAM
Het diensthoofd kinder- en jeugdpsychiatrie draagt de eindverantwoordelijkheid
en bewaakt samen met het afdelingshoofd het behandel- en leefklimaat op de
afdeling.
Beiden waken erover dat alle medewerkers de
visie van de afdeling voldoende gestalte geven.
Ons team is multidisciplinair samengesteld en bestaat uit
3 kinder- en jeugdpsychiaters
5 psychologen
14 psychiatrische verpleegkundigen, waaronder twee onthaalmedewerkers
6 opvoeders
2 creatieve therapeuten
3 ouder- en gezinsbegeleiders
2 psychomotorische therapeuten
1 leerkracht
1 muziektherapeut
3 medewerkers schoonmaak kozen specifiek voor een opdracht op de K-dienst.
We delen alle relevante informatie met elkaar maar deze informatie verlaat
de afdeling niet. We werken dus met een gedeeld beroepsgeheim.
Cliënten, ouders en derden brengen we hiervan op de hoogte.
De kinder- en jeugdpsychiater van elk team draagt de
eindverantwoordelijkheid voor de behandeling van ieder kind en jongere
in de betrokken leefgroep.
Elk subteam werkt interdisciplinair onder
leiding van het afdelingshoofd. Binnen elk team heeft iedere discipline een
gelijkwaardige inbreng zodat elk team in onderling overleg beslissingen kan
nemen.
De psycholoog stuurt het inhoudelijke geheel. Zij/hij zorgt onder meer
voor de opstelling en de uitvoering van de behandelplannen.
Elk subteam wil zorg op maat bieden in functie
van de noden van de cliënt. De verschillende therapeutische modellen die
hierboven werden geschetst moeten op een constructieve wijze worden gehanteerd.
Daarom schrijven we behandelplannen bij voorkeur uit vanuit meerdere denkkaders.