Dienst Kinder- en Jeugdpsychiatrie
Algemeen Ziekenhuis Nikolaas


Lodewijk De Meesterstraat 5, 9100 Sint-Niklaas - Tel: 03/760.89.10 - Fax: 03/760.89.19         E-mail: kjp@aznikolaas.be
Home
Aanmelden
Historiek
Visie
De stuurgroep
Agenda
De K-dienst in opbouw
Sitemap









Terug










Het behandelteam van de dienst Kinder- en Jeugdpsychiatrie wil op actieve wijze de “Rechten van het Kind” (IVRK, VN 1989) en de “Wet op de Patiëntenrechten” van oktober 2002 onderschrijven.

1. UITGANGSPUNTEN VAN ONZE DIENST

De medewerkers van de K-dienst willen hun werk met kinderen en jongeren stoelen op volgende principes

Iedere mens is uniek. In functie van ieders eigen behandelnoden willen we daarom zoveel als mogelijk “zorg op maat” aanbieden.

De onvoorwaardelijke acceptatie van de persoon biedt de grootste kans op een constructieve samenwerking. Eventueel keuren we dus wel iemands gedrag af maar we willen het respect voor de persoon erachter behouden.

Actieve deelname aan het ontwikkelen van het eigen behandelplan maakt iemand mee verantwoordelijk voor de eigen behandeling.
Eigen waarden, gevoelens, ervaringen, ideeën en doelstellingen bepalen de planning tijdens alle fasen van de opname. Wij zijn hun medestanders, geen tegenstanders.

Elke mens ontwikkelt zich op een eigen tempo. Negatieve evoluties en zelfs stilstand kunnen dus deel uitmaken van een actief en levendig groeiproces naar herstel toe.

We willen mogelijkheden en vaardigheden van kinderen en jongeren benadrukken.
Het uitvergroten van sterke punten – hoe klein ook – kan het zelfbeeld versterken.

We betrekken de naaste omgeving van het kind en de jongere bij de begeleiding.


We willen naar ouders en andere betrokkenen luisteren, hen informeren en hen ondersteunen in het verloop van een onze contacten. Deze kunnen een significante invloed hebben op het welslagen van een behandeling.

We helpen elkaar in het respecteren van het beroepsgeheim.


We beogen een degelijke interne en externe communicatie.

De uitbouw van een extern netwerk bevordert de samenwerking met ons omgevende hulpverleners en hulpverleningssystemen.

Navorming en bijscholing zijn essentieel om onze kennis, vaardigheden en attitudes op peil te houden. We stimuleren elkaar tot deelname aan, en verslag geven over navormingsactiviteiten .

We willen regelmatig de kwaliteit van ons werk evalueren.
Supervisie en intervisie kunnen hierbij belangrijke methodieken zijn. We zijn bereid ons werk te toetsen aan vooraf bepaalde, meetbare kwaliteitscriteria. Op regelmatige basis willen we de positie van elk teamlid tegenover andere teamleden, patiënten en derden evalueren.

2. ONZE UITGANGSPUNTEN VERTAALD NAAR KINDER- JEUGDPSYCHIATRISCHE HULPVERLENING

Het unieke, het bijzondere, het meest kenmerkende van de persoon van het kind en de jongere en van diegenen die voor hem of haar zorgen staan centraal in de kinder- en jeugdpsychiatrische hulpverlening in het AZ Nikolaas.
Onder het “unieke van een persoon“ verstaan we de wijze waarop zij/hij zich op een kenmerkende wijze onderscheidt van iemand anders. Vragen die ons daar naartoe kunnen leiden zijn dan bijvoorbeeld “Welke kenmerken maken deze persoon?”, “Wat is er typisch bij dit kind of deze jongere?”

Het unieke van elke mens ontstaat in de loop van haar of zijn individuele biopsychosociale ontwikkeling.
Tijdens de zwangerschap ontstaat een levendige interactie tussen moeder en kind. Ze vormt voor beiden de basis voor een geheel eigen leer- en ervaringsgeschiedenis. Beiden ontwikkelen hiervan de eigen unieke representaties. Het levensverhaal van het kind vertelt hoe de ontwikkeling tot op heden is verlopen.
Vragen zoals “Hoe is deze ontwikkeling ontstaan?” , “Wat heeft ze gestuurd?” , “Hoe kan men ze begrijpen?”, zijn in de kinder -en jeugdpsychiatrie/psychotherapie zeer relevant.

Ouders en andere betekenisvolle personen hebben een belangrijke invloed op deze biopsychosociale ontwikkeling.

Kinder-en jeugdpsychiatrische aandoeningen zijn ernstige problemen omdat ze een ontwikkeling grondig kunnen verstoren en deze een ongunstige wending kunnen geven.
De kinder- en jeugdpsychiatrische afdeling wil, uitgaande van een deskundig psychiatrisch en/of psychologisch onderzoek van de kinderen en jongeren met ernstige problemen, een realistische inschatting maken van de mogelijkheden en beperkingen van het kind, de jongere, haar/zijn ouders en het gezin.

Voor alles willen we de gezonde krachten in het kind en haar of zijn ouders aanwenden in een behandeling. Daarbij houden we rekening met de ernst van de problematiek bij het kind of de jongere en haar of zijn gezin. Een behandeling zal bestaande mogelijkheden stimuleren om tot een betekenisvol toekomstperspectief te komen.

Met het oog op deze ontwikkeling kiezen de medewerkers van de K-dienst voor een volgehouden en langdurig engagement.
Dit perspectief kunnen we maar ontwikkelen indien ook de ouders en/of anderen, die de zorg dragen voor het kind of de jongere, zich ook kunnen en willen engageren.

Voor ieder kind en elke jongere zetten we de beste en meest gepaste kinder- en jeugdpsychiatrische middelen in die tot onze beschikking staan.

3. ONZE DENKKADERS

We bekijken problematisch gedrag en de klachten van patiënt en familie eerst binnen een zo ruim mogelijk kader om ze betekenis te geven.
Vervolgens formuleren we binnen een psychiatrische diagnostiek een werkhypothese om een behandelplan te ontwerpen.

3. 1. Het ruimere kader van onze werking:

De algemene psychiatrische visie van de K-dienst steunt op een geïntegreerd biopsychosociaal model. We beschouwen een kind of een jongere vanuit het biologische, psychische en sociale functioneren.

Vanuit praktisch oogpunt kan men een kind en een jongere dan beschrijven als een complex systeem bestaande uit 6 onderscheiden niveaus die elkaar wederzijds beïnvloeden.

het maatschappelijke niveau
Dit niveau omvat de ruime context zoals de familie van het betrokken gezin, de school, de werksituatie, de vriendenkring, huisvesting, de financiële situatie enz...

het gezinssysteem
Dit omvat het gezin waarvan het kind of de jongere deel uitmaakt. Hier zal men nagaan welke gezinsdynamieken van invloed kunnen zijn op de problematiek.

de bewuste functies
Gedragsmatige en cognitieve aspecten van menselijk functioneren verbinden binnen- en buitenwereld. Dit behelst de sfeer van – in principe – bewuste waarnemingen, gedachten, gevoelens en gedragingen, het deel van de persoon dat het best toegankelijk is voor allerlei leerprocessen in positieve of negatieve zin.

het gevoelsmatige en emotionele functioneren
Op dit niveau gaat het mogelijk om intrapsychische conflicten of slecht verwerkte trauma’s die achter de problemen schuil gaan. Een stoornis heeft hier een bewuste en een onbewuste kant. Dit komt tot uitdrukking door tegenstrijdigheden in gedrag.

het psychische ontwikkelingsniveau
Hier gaat het om duurzame, vaak diepgewortelde aspecten. We denken aan aanleg, temperament, karakter, persoonlijkheid.

het biologische niveau
Dit niveau omvat het lichamelijke functioneren van het kind inclusief het centrale zenuwstelsel en alle afwijkingen die zich daarbij kunnen voordoen.

3.2. Meer specifieke denkkaders van onze werking

3.2.1. Het biologische kader
Gezond psychisch functioneren vergt in eerste instantie een gezond zenuwstelsel. Bij het evalueren van een psychische gezondheidstoestand van een kind of een jongere dient men dus steeds te denken aan meer organisch bepaalde psychiatrische problemen. Voor het embryo, de foetus of het ongeboren kind kunnen tijdens de zwangerschap bedreigende leefomstandigheden bestaan die een weerslag hebben op het latere leven. Dit geldt uiteraard ook voor de latere leefomstandigheden van een kind of een jongere.
Verder kunnen ook algemene gezondheidsproblemen hun weerslag hebben op het mentaal functioneren van een persoon.

3.2.2. Het ontwikkelingspsychologische kader
Elk kind doorloopt opeenvolgende levensfasen. In elk van deze fasen verwerft een kind nieuwe vaardigheden, gaat het verworven vaardigheden verder verfijnen. Het is belangrijk dat we ons in het contact met de kinderen en jongeren bewust zijn van de ontwikkelingstaken die verbonden zijn met hun leeftijd zodat we realistische verwachtingen kunnen stellen naar hen toe.

3.2.3. Het psychiatrisch verpleegkundige kader
Het belang van het verpleegkundige handelen wordt vooral tijdens een opname duidelijk. De voortdurende nabijheid schept de kans voor een verpleegkundige om bij te dragen tot een breed zicht op individuele gezondheidsproblemen en hun weerslag op diverse levensgebieden. Tevens ontstaat de mogelijkheid tot veelsoortige interventies. Ze kunnen zich richten op strikt persoonlijke verzorging, maar ook op de zorg voor de activiteiten van het dagelijkse leven. Ze kunnen steunend of aanmoedigend zijn, of activerend tot intensievere deelname aan het leefgroepsgebeuren. Binnen een bepaalde behandelstrategie kunnen ze reëel co-therapeutisch zijn.

3.2.4. Het orthopedagogische kader
Een kind of een jongere is steeds een actieve deelnemer in haar of zijn opvoedingsproces. Wanneer het psychisch functioneren gedurende een langere tijd niet optimaal verloopt, dreigt dit opvoedingsproces vast te lopen. Het verloopt dan niet meer spontaan en vanzelfsprekend. Een orthopedagogische benadering kan dan aan specifieke opvoedkundige noden van het kind een antwoord bieden. Dit orthopedagogisch handelen zal de relatie, het leefklimaat en de leefomgeving zo trachten te sturen en te hanteren dat een stagnerend proces opnieuw op gang komt.

3.2.5. Psychotherapeutische kaders
Naar theoretische achtergrond onderscheidt men klassiek vier grote psychotherapierichtingen. Als oudste zijn er de psychoanalytische therapievormen. Van recentere datum zijn er verder de cliëntgerichte, de gedrags- en cognitieve therapie, en de systeemtheoretische richtingen.

Naar setting onderscheidt men individuele en groepstherapie. Binnen deze laatste maakt de aanwezigheid van andere personen in de groep de interacties gevarieerder en leerrijker dan in een individuele therapie. Groepsleden kunnen elkaar steunen maar ook confronteren. Ze kunnen daarbij ervaringen bij elkaar toetsen, ze met elkaar delen.

Kinderen en jongeren beschikken nog niet over het abstractievermogen van een volwassene. Het verbale element in de communicatie over en weer tussen therapeut(e) en jongere staat bij een kinder- en jeugdpsychotherapie dan ook minder centraal, er is meer ruimte voor handelend optreden. Dit laat het kind toe op een meer geëigend ontwikkelingsniveau te werken aan zichzelf. Dit komt overigens nog meer aan bod in non-verbale therapieën waarover verder wat meer. Om diezelfde reden gaan therapeuten meestal ook wat soepeler om met het therapiekader. Meer dan bij volwassenen zullen psychotherapeuten bij kinderen- en jongeren ouders en belangrijke steunfiguren bij een behandeling betrekken.

Non-verbale therapieën bieden uitstekende mogelijkheden bij kinderen en jongeren die nog niet zo goed met woorden kunnen omspringen. Hun handelen krijgt meer ruimte en ook een andere betekenis onder meer binnen speltherapie, bij het maken van tekeningen, in het gebruik maken van poppetjes of knutselen met papier, lijm, hout en het boetseren met klei.

3.2.5.1. De klassieke psychotherapeutische kaders

3.2.5.1.1. Psychoanalyse en psychoanalytische psychotherapie hanteren dezelfde uitgangspunten. Zij gaan ervan uit dat wij gevormd worden door belangrijke ervaringen met andere mensen, die een diepe indruk op ons hebben gemaakt. Vele van onze ervaringen, ook vroegkinderlijke, slaan we onbewust op. Deze onbewuste ervaringen sturen deels ons gedrag en onze gevoelens. In therapie kan iemand inzicht verwerven in verborgen gevoelens en gedachten. Daardoor kan iemand de oorsprong van problemen ontdekken, nare ervaringen gaan verwerken, het actuele gedrag aanpassen in nieuwe keuzes.

3.2.5.1.2. Cliëntgerichte of Rogeriaanse psychotherapie richt zich, zoals de psychoanalytische werkvormen, naar het hier en nu van de patiënt. Ook hierbij voedt men de autonomie van de patiënt in de overtuiging dat hij zelf voldoende sterk is in het vinden van oplossingen, die ook zelf kan kiezen. Een therapeut is bij deze wijze van werken echter actiever in zijn interventies. Hij komt frequenter tussen, interventies zijn vaker steunend en activerend van aard. Patiënten voelen zich zo aangemoedigd hun wijze van denken en handelen te veranderen. Deze interveniërende opstelling verleent deze therapievorm een wat pragmatischer karakter.

3.2.5.1.3. In gedrags- en cognitieve therapie staan iemands kenmerkend gedrag en eigen denkwijze centraal. De gedragstherapie gaat ervan uit dat we datgene wat we in de loop van ons leven op één of andere wijze hebben geleerd, ook weer kunnen afleren. Een gedragstherapeut werkt vaak met oefeningen en opdrachten. In therapie werkt iemand stapsgewijs aan een concreet probleem of aan een bepaalde klacht om zo een van tevoren geformuleerd doel te bereiken. Een cliënt leert zo situaties anders aan te pakken. Geleidelijk aan heeft hij hierdoor minder last heeft van het probleem.

3.2.5.1.4. Binnen een systeemtherapie kijkt een psychotherapeut vooral naar de wisselwerking tussen mensen. De term “systeem” verwijst naar de sociale systemen of netwerken waarvan iedereen deel uitmaakt zoals het gezin, de partnerrelatie, de werk- en vriendenkring. Relatietherapie en gezinstherapie zijn twee vormen van systeempsychotherapie. Partners of gezinsleden komen dan samen op gesprek. In deze gesprekken zoekt men naar interactiepatronen die moeilijkheden binnen relaties kunnen onderhouden. Dat betekent dus dat een psychische klacht niet alleen vanuit het standpunt van een aangemelde patiënt wordt bekeken.

3.2.5.2. Non-verbale therapieën

3.2.5.2.1. Psychomotorische therapie (PMT – sport en spel)
Bewegen behoort essentieel tot het leven van de mens. Bewegingsopvoeding richt zich op de gehele ontwikkeling van ieder kind en dus ook op de ontplooiing van de persoonlijkheid. De psychomotorische therapie is een non-verbale therapie waarin bewegen en de beleefde lichamelijkheid centraal staan. Een psychomotorische therapeut ziet hoe een kind omgaat met zichzelf, met de anderen, met de opdrachten en met het aangeboden materiaal. Zij/hij biedt een veilige plek waarbinnen een kind kan experimenteren met ander gedrag en zo nieuwe gevoelens of gedachten kan ontwikkelen en verkennen. Dergelijke veranderingen kunnen bijdragen tot de afnamen van een psychiatrische problematiek.

3.2.5.2.2. Creatieve therapie
Creatieve therapie is een handelings- en ervaringsgerichte vorm van therapie. Ze helpt cliënten met beeldende materialen wat hen beweegt tot uitdrukking te brengen, vorm te geven. Beeldend werk biedt vaak een zicht op minder bekende aspecten van het bewustzijn. Dit ervaart de cliënt door in het medium te handelen, door het medium waar te nemen en (waar mogelijk) te reflecteren over de ervaringen in en naar aanleiding van het medium. Aan de hand van overeengekomen behandeldoelen werkt de creatief therapeut methodisch. Het resultaat van de therapie kan verwerking, verrijking of inzicht zijn en ook verbetering van het cognitieve of lichamelijk functioneren.

3.2.5.2.3. Muziektherapie (Muziek en dans)
Muziek is iets wat elk mens beleeft, in welke vorm ook, niemand leeft zonder. Het gericht aanbieden van muziek in al haar vormen, creëert specifieke behandelingsmogelijkheden. Muziektherapie is in Vlaanderen een psychodynamisch geïnspireerde behandelingsmethode. Daarbij staat de therapeutische relatie centraal. Het muzikaal vorm geven aan, en het laten evolueren van psychische problemen op een muzikaal-symbolisch niveau, met ondersteunende verbale reflectie, vergemakkelijkt het inzicht voor mensen. Stoornissen in gedrag en beleving gaan zo afnemen en/of verdwijnen. Cliënten met psychiatrische stoornissen gaat men eerder met muziektherapie behandelen dan met ortho-agogische muziekbeoefening.

4. ONZE PLAATS IN DE PSYCHIATRISCHE HULPVERLENING

4.1. We richten ons tot kinderen en jongeren onder meer volgende aandoeningen:

  • ontwikkelingsproblemen (autisme, leerproblemen, …)
  • gedragsproblemen (ADHD, gedragsmoeilijkheden, …)
  • emotionele problemen (angstproblemen, stemmingsproblemen, dwangproblemen, trauma, ...)
  • psychiatrische aandoeningen met lichamelijke aspecten (eetproblemen, verwerkingsproblemen rond lichamelijke aandoeningen, …)
  • neuropsychiatrische aandoeningen (enkelvoudige tics, Gilles de la Tourette,…)
  • psychosomatische aandoeningen (ziekte van Crohn, astmatiforme aandoeningen, …)

4.2. We bieden psychiatrische hulp binnen een poliklinisch en een residentieel kader

De polikliniek biedt de mogelijkheid tot ambulante diagnosestelling, behandeling en nazorg.

De opnameafdeling beschikt over 20 éénpersoonskamers: 17 voor volledige opname en 3 voor deeltijdse hospitalisatie. Patiënten kunnen er maximaal 4 tot 6 weken verblijven.

De leefgroep "De Beren" vangt kinderen van lagere schoolleeftijd op.

"De Opstap"” biedt ruimte aan jongeren van twaalf tot achttien, en voor een kortdurende intensieve therapie kunnen kinderen van alle leeftijden terecht binnen het "Iko".

Om de opnametijd zo optimaal mogelijk te kunnen gebruiken gaat aan elke opname een diagnostische oppuntstelling vooraf.

4.3. Wij zijn beperkt in ons hulpaanbod
Voor kinderen en jongeren met een afhankelijkheidsproblematiek, of kinderen en jongeren met een mentale handicap kunnen we op dit ogenblik geen gepast hulpkader bieden.
Na een grondige evaluatie kunnen cliënten doorverwezen door gerechtelijke diensten eventueel behandeld worden binnen het ambulante en/of residentiële milieu van onze afdeling. Jongeren met een ernstige delinquentieproblematiek komen niet in aanmerking.

5.1. CONCRETE WERKWIJZE
We beschouwen onze dienst als een werkinstrument. Kinderen, jongeren en hun omgeving willen we helpen bij het vinden van een nieuw toekomstperspectief. Daarbij streven we naar een realistisch haalbaar herstel.

5.1.1. Ambulante observatie en diagnostiek
In samenwerking met de brede context van een kind of de jongere willen we in de loop van een aantal ambulante contacten tot een concrete omschrijving van de probleemgebieden komen. Artsen en psychologen werken samen om een behandelplan uit te werken. De uitvoering van dit plan kan zowel intra- als extramuraal gebeuren.

5.1.2. Residentiële observatie en diagnostiek
Een rechtstreekse opname behoort in principe niet tot de mogelijkheid. We verkiezen een diagnostisch onderzoek vooraleer een opname plaats vindt. De opnameduur verkort en het maakt een gerichte behandeling van bij het begin van de opname mogelijk. Alle teamleden werken samen bij het uitwerken en het bepalen van de doelstellingen in het behandelplan. Daarbij hanteert elke discipline de haar eigen wetenschappelijke methodieken.

5.1.2.1. Intensieve Kortdurende Opname (IKO)
Soms ontstaat er een acute situatie voor een kind of een jongere die een snelle interventie vereist. Na indicatiestelling kan dan een kortdurende opname (2 weken) in de IKO-groep volgen. Deze opname biedt het kind of de jongere evenals de context de mogelijkheid aan om de betekenis van dit acute moment te onderzoeken. Een zorgplan wordt voorgesteld. De verdere behandeling gebeurt residentieel of ambulant.

5.1.2.2. Behandeling in een leefgroep tijdens een opname
Het gebeurt dat een opname een beter werkinstrument wordt dan een ambulante observatie. Binnen een therapeutisch kader ontstaan immers verdere diagnostische en behandelmogelijkheden. Het team met leden van verschillende disciplines streeft naar een zo kort mogelijke opnameduur (maximum 6 weken). Daarbij wordt oriëntatie naar de eigen leefwereld als doel vooropgesteld.

5.1.2.3. Nazorg na een opname
Na een residentiële behandeling voorzien we nazorg voor het kind of de jongere en zijn omgeving. Dit kan ambulant gebeuren op onze dienst zelf. Het kan ook elders, residentieel of ambulant. Een combinatie van zorg behoort tot de mogelijkheden.

6. HET TEAM
Het diensthoofd kinder- en jeugdpsychiatrie draagt de eindverantwoordelijkheid en bewaakt samen met het afdelingshoofd het behandel- en leefklimaat op de afdeling.
Beiden waken erover dat alle medewerkers de visie van de afdeling voldoende gestalte geven.

Ons team is multidisciplinair samengesteld en bestaat uit

3 kinder- en jeugdpsychiaters
5 psychologen
14 psychiatrische verpleegkundigen, waaronder twee onthaalmedewerkers
6 opvoeders
2 creatieve therapeuten
3 ouder- en gezinsbegeleiders
2 psychomotorische therapeuten
1 leerkracht
1 muziektherapeut

3 medewerkers schoonmaak kozen specifiek voor een opdracht op de K-dienst.

We delen alle relevante informatie met elkaar maar deze informatie verlaat de afdeling niet. We werken dus met een gedeeld beroepsgeheim. Cliënten, ouders en derden brengen we hiervan op de hoogte.

De kinder- en jeugdpsychiater van elk team draagt de eindverantwoordelijkheid voor de behandeling van ieder kind en jongere in de betrokken leefgroep.

Elk subteam werkt interdisciplinair onder leiding van het afdelingshoofd. Binnen elk team heeft iedere discipline een gelijkwaardige inbreng zodat elk team in onderling overleg beslissingen kan nemen.

De psycholoog stuurt het inhoudelijke geheel. Zij/hij zorgt onder meer voor de opstelling en de uitvoering van de behandelplannen.

Elk subteam wil zorg op maat bieden in functie van de noden van de cliënt. De verschillende therapeutische modellen die hierboven werden geschetst moeten op een constructieve wijze worden gehanteerd. Daarom schrijven we behandelplannen bij voorkeur uit vanuit meerdere denkkaders.


























U kan hier de visietekst als .pdf-bestand downloaden.


Dit bestand kan u lezen met Adobe Acrobat Reader.
Indien nodig kan u dit
hier downloaden.