leven
boeken
cursussen
lezingen
vragen
reizen
nieuw
links
e-mail
home
English
Français |
|

Thema
Eind 1917, in volle oorlogstijd, loopt Victor weg
van huis om zijn herdershond te zoeken. Uit zijn vaders bureau steelt
hij een mes, geld en een pak brieven van zijn broer, die aan het front
zit. Op de armenmarkt hoort Victor dat in deze hongerwinter elke hond
gevaar loopt. Hij kan niet anders dan het pad van de hondenvangers
volgen, langs verraderlijke rivieren en hongerige moerassen.
In de ruige, verarmde Rupelstreek ontmoet Victor het schoonste meisje
van de wereld, brutale straatmadelieven, de vrouw met de baard, en… de
hondenslachter van Boom.
Een spijkerharde roman over de grote oorlog en de grenzen van de
menselijkheid.
Loop, fiets of skate zelf
Victors tocht van Mechelen
naar Hellegat.
Pers
Interview verschenen op 18
januari 2008 in het magazine Letters van Standaard Boekhandel
(verschijnt ook als bijlage bij Het Nieuwsblad)
John Vervoort: Marita de Sterck: ‘Ik hou van orale verhalen’
Het zijn drukke tijden voor Marita de Sterck. Op
korte tijd verschenen twee boeken van haar; het prentenboek Boto, een
liefdesverhaal uit de Amazone, met prachtige tekeningen van Jan
Bosschaert, en de roman voor adolescenten De hondeneters, een verhaal
dat zich afspeelt tussen Mechelen en Boom in de laatste dagen van 1917.
Beide boeken kunnen zeker ook door volwassenen gesmaakt worden£
De Sterck is antropologe en verbleef bij de indianen in het
Amazonegebied. Daar is ondermeer een tentoonstelling uit geboren die nu
loopt in het Etnografisch museum Antwerpen. Maar ze is ook geboeid door
de orale vertelkunst, vooral door verhalen rond vrouwelijkheid en
rituelen. Boto is het verhaal van de opmerkelijke liefde tussen een roze
dolfijn en een jonge vrouw. De hondeneters vertelt over een jongen die
tijdens de laatste winterdagen van 1917, toen de Grote Oorlog nog
uitzichtloos leek en het hele land niet alleen kou maar ook honger had,
op zoek gaat naar zijn Mechelse herdershond. Hij is bang dat de hond
meegenomen werd door mensen die het beest willen slachten voor het
vlees. Die hond is levensnoodzakelijk voor hem omdat de jongen lijdt aan
epilepsie en de hond de aanvallen kan voorvoelen. Zijn zoektocht brengt
hem van Mechelen naar Boom, hij volgt de loop van de rivieren in de
buurt, waarbij hij vele kleurrijke figuren ontmoet zoals de overzetman
van het Zennegat en de vrouw met de baard. Op de website van Marita de
Sterck is de juiste weg te vinden die de jongen aflegt.
Marita de Sterck: ‘Ik heb de weg die mijn hoofdpersonage aflegt ook
verschillende keren gelopen. Ik ben opgegroeid in Niel aan de Rupel. De
Rupelstreek is een boeiende maar wat grauwe biotoop. Mijn vader was tien
toen de Eerste Wereldoorlog begon. Hij kon daar heel boeiend over
vertellen. Ik heb daar een blijvende liefde voor het mondelinge verhaal
aan overgehouden. De verhalen van mijn vader gingen vaak over de winter
van ’17. In mijn familie zijn er niet meteen echte strijdslachtoffers
gevallen maar nogal wat mensen zijn overleden van honger en ontbering in
of kort na die moeder van alle oorlogen. Met al die verhalen die ik in
de loop van de tijd gehoord had wilde ik iets doen. Dat is dit boek
geworden.
Het lijkt erop dat u erg uitgebreid research
gedaan hebt.
‘Dat is waar, het is ook iets wat ik heel graag en uitgebreid doe.
Ik ga graag tot bij de mensen die dergelijke verhalen nog kunnen
vertellen. Ik heb de lokale historici opgezocht. Ik heb grote
bewondering voor die vaak heel bevlogen amateur-historici die soms heel
ver gaan in hun zoektocht naar het verleden van de streek waarin ze
opgroeiden. Dat levert een schat aan verhalen op. Ik moest zelfs
selecteren om het boek niet te overladen met alle verhalen die ik te
horen kreeg.’
U situeert uw verhaal weg van het oorlogsgeweld
in een Vlaams dorp waar vooral de honger een probleem is.
‘Ik wilde vertellen over een dorp dat niet in de frontlinie lag maar
waar de gevolgen van de oorlog, zoals in alle Vlaamse dorpen, duidelijk
voelbaar was. Haast iedere familie had wel jonge vaders of zonen die
ofwel vochten in de West-Vlaamse dodenakkers of die naar Duitsland waren
getransporteerd om er te werken in de fabrieken om de oorlogsmachine
draaiende te houden. De berichten van het front waren schaars en de
brieven die af en toe aankwamen werden als relikwieën gekoesterd. Ik heb
een frontblaadje geraadpleegd dat de Rupelgalm heette en allerlei nieuws
bevatte uit die periode en uit die streek dat werd opgestuurd naar de
soldaten uit de Rupelstreek die aan het front vochten. Vele details uit
het boek komen daaruit, bijvoorbeeld het motief van de
voedselvervalsers. Mensen die melk en brood zo perfect na konden maken
dat het een vaak een gevaar voor de volksgezondheid inhield.
En die hondeneters hebben echt bestaan.
‘In Boom, buiten de dorpskom, had je een paardenslachterij. Toen de
paarden en de koeien en de schapen op waren was het de beurt aan de
kleinere huisdieren. Er was zelfs een reglement van hoe die honden
geslacht moesten worden. Er bestaan zelfs nog lijsten van mensen die hun
honden brachten om ze te laten slachten. Maar er waren ook mensen die
loslopende honden gingen vangen en toen de voedselschaarste echt heel
erg was werden honden zelfs gestolen.’
Uw hoofdpersonage lijdt aan epilepsie.
‘Ik wilde een personage voor wie het bijna van levensbelang was om
zijn hond terug te vinden. Er is nogal wat discussie over maar blijkbaar
kunnen honden, wanneer er een hechte band is tussen dier en baas,
voorvoelen wanneer het baasje een aanval krijgt. Zo kon de hond hem
waarschuwen waardoor hij tijdig kon gaan zitten. Het was in ieder geval
intrigerend genoeg om in de roman te verwerken. Ik ben zelfs naar een
hondenschool geweest om Mechelse herders te observeren.’
Hoe bent u in het Amazonewoud terecht gekomen?
‘Dat heeft te maken met mijn achtergrond als antropologe. Ook daar
kom je die verhalen tegen die niet alleen prachtig van taal en symboliek
zijn maar ook knap opgebouwd als vertelling. Daaruit is Boto geboren,
het verhaal van een dolfijn die verliefd wordt op een meisje en vice
versa. Het boek dat ik samen met Jan Bosschaert heb gemaakt zit tussen
een prentenboek en een graphic novel in. De tekeningen van Jan zijn heel
mooi en zelfs subtiel erotisch zonder vulgair te zijn. De originelen
zijn nog tot 6 maart te bekijken in Permeke Bibliotheek.
NRC Handelsblad, 3 april 2009
Karel Berkhout : Puberen tussen leven en dood
In een verlaten landschap zitten
drie meisjes gehurkt bij een klein vuurtje. Liefdevol strelen ze de
katjes die ze straks zullen slachten. Met hun helderblauwe ogen
betoveren de drielingzusjes de jonge bezoeker die ze later zullen
beroven.
Met dergelijke nachtmerrieachtige scènes schetst Marita de Sterck de
Eerste
Wereldoorlog in de historische jeugdroman De hondeneters. De Vlaamse
auteur won in 2007 een Zilveren Zoen met Kwaad Bloed, een jeugdboek over
een verstikkend meisjesinternaat dat de Gouden Zoen had verdiend.
De hondeneters speelt zich overwegend buiten de muren af, maar is
desondanks een nog veel beklemmender boek.Dat komt vooral doordat de
17-jarige hoofdpersoon niemand kan vertrouwen, en vooral zichzelf niet.
Notariszoon Victor is namelijk epileptisch. Zijn steenrijke ouders
hebben hem zijn hele leven van de buitenwereld afgeschermd. Maar als
zijn hond is verdwenen, gaat Victor hem zoeken. ‘Vanaf heden wil Victor
leven als een man’, schrijft hij in zijn afscheidsbrief. Een riskante
onderneming in 1917, want de oorlog is ‘nu ook buiten het front
losgebarsten’. Victor kan ook elk moment met zijn stuiptrekkingen de
omstanders schrik aanjagen. Met deze mooie vondst geeft De Sterck de
zoektocht suspense.
De tocht voert langs wonderlijke figuren als een vrouw met een baard en
een meedogenloze hondenslachter en brengt gruwelijkheden als de
vergiftiging van baby’s, de moord in een bordeel en honden die een lijk
verscheuren. Deze beelden worden hallucinerend in de ogen van de
wereldvreemde Victor, die vaak geveld wordt door de epilepsie. ‘Levend
kunt ge dat toch niet noemen’, moppert een volksvrouw na een aanval:
‘Hier is hij niet, maar waar dan wel?’
De schemering tussen leven en dood is een prachtige metafoor voor de
oorlog die ver weg is en toch het dagelijks leven doordrenkt. Dit
niemandsland wordt surrealistisch in een hondenslachterij en in een
kerk, waar wanhopige moeders oproer kraaien bij de foto’s van hun
gesneuvelde zonen. De Sterck grijpt bij het schilderen van deze scènes
ook naar de Griekse mythologie. De hebzuchtige veerman bij de rivier is
rechtstreeks afkomstig uit de Hades en de drie fatale zusjes zijn de
Sirenen van Odysseus.
In dit volle boek ontglipt De Sterck wel wat; de
hoer-met-het-gouden-hart is clichématig neergezet, Victors toevallen
verdwijnen wel erg plotseling. Maar ze maakt het verhaal levendig en
geloofwaardig door de personages in volks Vlaams neer te zetten als
wezens met een enorme overlevingsdrang.
Onder de apocalyptische beelden leeft een aards verlangen naar vreten en
neuken. De hondenslachter heeft ‘goesting’ in zijn broek, zijn vrouw
doet het met een Duitse soldaat en Victor geilt op een van de zusjes.
Als Victor door een hoer wordt ontmaagd, heet het: ‘Als sterven was het,
als leven en ziel verliezen.’
Wat sterft is het oude kinderleven van Victor. In zijn nieuwe leven
duiken seks en dood in volle hevigheid op. Als hij overweegt om een van
de misdadige zusjes te doden, fantaseert hij over seks met haar. ‘Ze lag
daar toch al half bloot te kronkelen.’ De Sterck gaat ver en haar lef
maakt van een vakkundig jeugdboek een verpletterende jeugdroman.
Trouw, Boeken, 28 maart 2009
Bas Maliepaard: Zijn hond weg, zijn
broer aan het front
Mechelen zucht onder de
verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, maar notariszoon Victor (17)
krijgt daar weinig van mee. Omdat hij aan vallende ziekte lijdt, mag hij
niet naar buiten. Zijn betuttelende ouders censureren zelfs de
aangrijpende brieven die zijn broer Nest vanaf het front stuurt. Al te
heftige verhalen zouden Victor zomaar een epileptische aanval kunnen
bezorgen. Zelf weet hij wel beter: hij heeft er nog nooit één gehad als
hij stiekem boeken van Jules Verne las.
Als zijn geliefde herdershond Django ontsnapt, aarzelt Victor geen
moment: hij gaat hem in zijn eentje zoeken. Op de armenmarkt hoort hij
dat loslopende honden in deze hongerwinter geen lang leven beschoren is:
de hondenslachter uit Boom vilt zelfs scharminkels om het vlees duur te
verkopen. Victor trekt te voet naar Boom, in de hoop Django nog te
kunnen redden.
Je kunt ’De hondeneters’ lezen als een historische avonturenroman die
een indringend beeld geeft van de Grote Oorlog. Schrijnende scènes staan
erin, zoals die waarin een wanhopige vrouw tijdens een mis een
uitgemergelde, dode baby uit haar boodschappentas haalt. Het is haar
kleindochter, die vergiftigd is door valse melk: een mengsel van vuil
water en kalk.
Maar soms ademt het verhaal ook de sfeer van een grimmig sprookje.
Victor komt figuren tegen die zo uit oude volksverhalen lijken
weggelopen: een vrouw met een baard, straatmadelieven met namen als
Trezeke Viool en een veerman die bang is voor de waterduivel. De Sterck
zorgt zelfs voor een thrillerelement: er wordt een vermoorde Duitser
gevonden in de hondenkooi van de slachter. Victor blijkt daar meer van
te weten.
Toch steekt dit boek dieper: eigenlijk gaat het over Victors
volwassenwording. Hij breekt met de strenge opvoeding van zijn ouders
door letterlijk zijn eerste zelfstandige stappen in de boze buitenwereld
te zetten. Victor leert echte mensen kennen, die vaak minder betrouwbaar
blijken dan zijn hond, hij verkent voor het eerst de ’boterzachte
schoot’ van een vrouw en ontdekt de harde waarheid achter de
verontrustende brieven van zijn broer: „Dag na dag ga ik meer dood. Nog
even en er schiet van mij niks over. Vaarwel, broer, vergeet mij niet.”
Het mollige Vlaamse taalgebruik is een genot om te lezen, al zullen veel
Nederlandse jongeren even moeten doorbijten. Maar dat is de moeite meer
dan waard.
Kunsttijdschrift Vlaanderen,
maart-april 2009
Ria De Schepper : De hondeneters.
De 17-jarige Victor Vervoort groeit
op als notariszoon in Mechelen, in een gezin dat hem overbeschermt omdat
hij aan epilepsie lijdt. Eind 1917 loopt hij van huis weg om zijn trouwe
hond te zoeken. Zijn tocht brengt hem via de armenmarkt en langs de
rivieren tot in Boom, bij een hondenslachterij. Hij komt in een voor hem
totaal onbekende, volkse wereld terecht: bij boerenmeisjes, schippers,
straatmadelieven, het voddenwijf met de baard en Flor de muzikant. Als
hij weet dat zijn hond nog leeft maar gevlucht is, moet hij de lange en
gevaarlijke weg terug.
Victor wordt wegens zijn ziekte opgevoed als een kasplantje, ook al is
hij in veel dingen geïnteresseerd. Zijn ouders houden hem onwetend als
een kind maar door zijn tocht leert hij het echte leven in oorlogstijd
kennen en komt hij als een zelfbewuste jongeman terug. Via tal van
nevenpersonages en gebeurtenissen schetst de auteur een treffend beeld
van de gruwelijke realiteit van de oorlog, van honger en onrecht.
Daartegenover staat ook solidariteit en menselijke warmte, waarvan
Victor door zijn ziekte sterk afhankelijk is. Doorheen het verhaal komt
Victor ook te weten wat er met zijn broer Nest als frontsoldaat is
gebeurd. Daardoor observeert hij niet alleen wat de oorlog met mensen
rondom hem doet maar kruipt het verdriet en gemis ook in zijn eigen
lijf.
Het verhaal speelt zich af op zeven dagen, met een indringende
beginpassage bij de hondenslachter. De aangrijpende gebeurtenissen en de
sterke emotionele ondertoon sleuren de lezer mee in het verhaal. De
realistische beschrijvingen zijn verteld met grote precisie en
gedrevenheid. Het Vlaams gekleurde taalgebruik in de dialogen en de
volkse namen geven authenticiteit aan de personages. De auteur deed heel
wat research voor dit boek. Wie aandachtig leest, merkt verwijzingen
naar volksmuziek, bijgeloof en de fantastische verhalen van Jules Verne.
Het gevecht van een jongeman met zijn eigen lichaam en het in het reine
komen met zijn familie vormt een complex groeiproces. Deze
adolescentenroman schetst daarnaast een indringend beeld van de
overlevingstrijd van de kleine man tijdens De Grote Oorlog.
Pluizuit.be, maart 2009
Pol Van Damme: De hondeneters
Eind 1917. De zeventienjarige
Victor loopt weg van huis om zijn herdershond te zoeken. In een
opwelling neemt hij een mes en een som geld mee, samen met een stapel
brieven van zijn broer Nest die aan het front zit. Hij komt in een voor
hem vijandige wereld terecht. Die bezorgt hem regelmatig zware
epilepsieaanvallen. Op zijn tocht door de Rupelstreek ontmoet hij
bijzondere figuren: het schoonste meisje van de wereld, brutale
straatmadelieven, de vrouw met de baard en de hondenslachter van Boom.
Heeft die zijn hond al geslacht?
Dit is een bijzonder hard verhaal waarin de auteur de verschrikkingen
van de oorlog samenbalt en waarin de waanzin ervan doordringt in elk
mensenleven. Niet enkel de soldaten aan het front leefden in complete
chaos; het hele land en voornamelijk de gewone man en vrouw in de straat
ondervond aan den lijve de onmenselijkheid die de oorlog met zich
meebracht en van eerbare burgers gewetenloze mensen maakt die tot alles
in staat zijn om zelf te overleven. Anderzijds gaf het ook een
samenhorigheidsgevoel bij groepen van mensen die op hun eigen specifieke
en soms bizarre manier hun leven zin trachtten te geven te midden van
dit onbegrijpbare gegeven.
De auteur heeft zich uitermate zorgvuldig gedocumenteerd voor zich aan
dit verhaal te wagen. Uit al die gegevens heeft ze er een aantal
samengebracht en die heel realistisch en beeldend uitgewerkt zodat de
lezer als het ware een film afgespeeld ziet tijdens het lezen. Ook
hij/zij voelt de kou, de honger, de wanhoop, de miserie van de mensen en
hun onstuitbare wil om te overleven.
Victor, die uit een gegoed en heel beschermd milieu komt, contrasteert
hier heel erg tegen. Maar al is hij overdonderd door al de indrukken die
deze wereld op hem achterlaten, toch brengt hij genegenheid op voor deze
mensen. Hij bekijkt hen onbevooroordeeld. Of liever gezegd, hij velt
zijn eigen oordeel. Dit nadat hij, doorheen de brieven van zijn broer
Nest en wat hij vaststelt om zich heen, een oordeel heeft gevormd.
Daardoor zal hij ook in opstand komen tegen zijn vader en diens halve
waarheden niet meer aanvaarden.
Victor vertrekt als een onwetende jongen van huis, maar keert als een
bewuste man terug, die weet wat hij wil en ook antwoorden wil op de
zaken die voor hem verzwegen werden.
Zijn specifieke gezondheidstoestand maakt hem erg kwetsbaar en kan hem
in gevaar brengen, maar heeft ook een positieve kant: er zijn nog mensen
die hun menselijkheid niet verloren blijken te hebben in deze
onmenselijke tijden.
De auteur heeft een taal gezocht die leesbaar is in de 21ste eeuw, maar
toch de sfeer van het begin van de 20ste eeuw tracht weer te geven. Zij
gebruikt dan ook veel de ‘u-vorm’ en andere niet zo frequent voorkomende
woorden.
Vergelijkbare verhalen vanuit een ander gezichtspunt vindt de lezer ook
in ‘Soldaat Peaceful’ van Michael Morpurgo of in de film ‘Un long
dimanche de fiançailles’.
‘De hondeneters’ is een bijzonder krachtig en sterk verhaal dat geen
lezer onberoerd zal laten. Een sterke aanrader!
De Leeswelp, maart 2009
Annelies De Waele : Marita De Sterck:
De hondeneters
(ook: Boek van de week op
www.vlabin.be, 6/04/2009)
In het tweede hoofdstuk van haar
nieuwe oorlogsroman "De hondeneters" beschrijft Marita de Sterck hoe een
hondenslachter en diens handlanger een kennel vol losgeslagen honden
binnensluipen. Een dertigtal honden vecht om een bot en een schedel, en
op gevaar van eigen leven wagen de twee mannen zich de kooi in. “Prosper
voelde de hete adem van de honden tegen zijn handen. [...] Hij wist dat
een grote hond moeiteloos een arm of been kon breken, een kaak
ontwrichten, een hand tot pulp vermorzelen, een halsslagader doorbijten,
een oog uit zijn kas lichten. Maar nooit deed een hond dat soort dingen
zomaar, zonder reden. Had de oorlog het dorp zo zwaar vergiftigd dat ook
de honden moordenaars geworden waren?”
De hele scène in de hondenkooi hoort bij het beste wat ik al gelezen heb
van Marita De Sterck en — bij uitbreiding — in de
adolescentenliteratuur. Ze zet meteen heel sterk de toon van deze roman
over de Eerste Wereldoorlog, waarin niet enkel de honden maar zelfs de
best bedoelende mensen kunnen verworden tot wilde beesten die elkaar de
kop afbijten.
De "hondeneters" wordt in de eerste plaats verteld vanuit het
perspectief van een ander ‘dier’: Victor. Hij is notariszoon en lijdt
aan epilepsie, in die tijd nog een onbegrepen ziekte. Door die
mysterieuze vallende ziekte wordt hij door zijn ouders behandeld als een
papkind. Zijn enige echte vriend is zijn hond Django, een stevige herder
met twee verschillende ogen die voorvoelt als Victor zijn dagelijkse
aanval krijgt en zo mogelijk zijn val breekt. Als Django op een dag
spoorloos is, is Victor zo ten einde raad dat hij zonder verwittigen
thuis wegloopt en zijn hond gaat zoeken. Met enkel wat geld, een mes en
een stapel brieven van zijn broer-soldaat op zak, vat hij te voet de
tocht aan van Mechelen naar Boom, waar de hondenslachters zich
schuilhouden. Hij weet dat de tocht risico’s inhoudt, maar hij heeft er
alles voor over om zijn hond terug te vinden en eindelijk een echte man
te worden. “Wie niet ploegt, trekt ook geen scheve voren.”
Marita de Sterck nam in een eerdere jongerenroman, "Met huid en haar"
("De Leeswelp" 2004, p. 371) al het thema van de Grote Oorlog op. In dat
boek ging ze heel geraffineerd heden (de voorbereiding van een
studentendemonstratie tegen de oorlog in Irak) en verleden (een zieke
grootvader die oorlogsherinneringen ophaalt) met elkaar verweven en
schuwde ze ook al de gruwelen van de oorlog niet.
Met "De hondeneters" gaat ze vele stappen verder. Dit verhaal speelt
zich volledig af in volle oorlogstijd — eindejaar en dus winter 1917 —
in de armoedige streek rond de Rupel. Op zijn barre voettocht langs de
rivieren Dijle en Rupel en over het Zennegat, komt Victor in aanraking
met de meest uiteenlopende figuren, die hem helpen of tegenwerken. Zo
ontmoet hij niet alleen een bende vrouwen die een zwaan doodmaken, maar
ook een groep prostituees, een inhalige veerman en een voddenvrouw met
baard, een beeldschoon meisje met een stalen hart, een ‘verboden’
muzikant, een Duitse commandant en de hondenslachter zelf.
Daarbij leert hij o.m. dat schoonheid en goedheid niet met elkaar
verward mogen worden, en dat mensen in oorlogstijd, ook vrouwen, zich
erger dan beesten gedragen: hongerig, listig en vol lust, doodsangstig,
wreedaardig desnoods.
"De hondeneters" wordt op die manier een soort bildungsroman, de
beschrijving van de ontwikkeling van een jongeman tot man. Want Victor
wordt niet enkel ingewijd in gruwel en ellende, hij wordt voor het eerst
ook verliefd, bedrinkt zich, bedrijft de liefde en laat zich tatoeëren.
Door het verhaal in de rivieren- en moerasstreek tussen het nabije
Mechelen en Boom te situeren, kan De Sterck hier ook weer volop doen wat
ze in ongeveer al haar jongerenromans doet: oude Vlaamse volkse verhalen
tot leven wekken. Zo vertelt een veerman aan Victor het verhaal van de
bekende moerasgeest Kludde, die mensen leegzuigt en binnenstebuiten
keert of die wandelaars moeten dragen tot ze erbij neervallen. De
donkere reis — heen en terug — bij nacht over de poel, wordt beeldend en
dreigend beschreven.
Maar het is hier toch bovenal de werkelijkheid van de oorlog zelf die
Victor in het gezicht slaat. Want behalve de hondenslachters, voor wie
geen keffer veilig is, zijn er ook melkvervalsers op pad: ze verkopen
kalk voor dure melk en doden zo nietsontziend baby’s en kinderen. Via de
brieven van zijn broer én het verhaal van de bekende gebroeders Van
Raemdonck, komen dan weer authentieke frontverhalen bij Victor en de
lezer binnen. De Sterck heeft doorgaans een sterk patent op humor in
haar verhalen en ook in "De hondeneters" maakt ze nu en dan plaats voor
grappige situaties en typetjes. Zo hebben de dorpsvrouwen en prostituees
(Trezeke Viool en co.) bijna allemaal bijnamen, en het lokale café, waar
zich grappige taferelen afspelen, heet niet voor niets “De tien
billekens”. Maar over het algemeen valt er niet veel te lachen in "De
hondeneters". Meer nog: bij momenten komt de oorlogsgruwel pijnlijk
gedetailleerd dichtbij, vooral waar De Sterck parallellen gaat trekken
tussen de slachting van dieren, honden dus, en de slachting op het
oorlogsveld. Zo bv. ook in de sterke beginscène waarin de hondenslachter
beslist over leven of dood van Django of die passage waarin Victor met
de zoon van de slachter het slachthuis en de koelkamer met
hondenkadavers gaat doorzoeken, op zoek naar een spoor van zijn
viervoeter.
In al die pijnlijk realistische beschrijvingen van oorlogsgruwel en
nietsontziende armoede sluit "De hondeneters" zich aan bij die andere
jongerenromans die niet noodzakelijk voorbijgaan aan de donkerste kanten
van een oorlog: "Hoe ik nu leef" van Meg Rosoff bv. of het recente
"Allemaal willen we de hemel" van Els Beerten (resp. "De Leeswelp" 2005,
p. 160 en 2008, p. 198). Het zijn stuk voor stuk bikkelharde verhalen
over jongeren die bruusk opgroeien tegen de achtergrond van een echte
rauwe oorlog, een oorlog die uitgehongerde of wanhopige mensen tot het
uiterste doet gaan.
De luttele zes dagen dat Victor onderweg is en zijn eigen oorlog
uitvecht, staan dan in schril contrast met de duur van dat andere echte
conflict (ruim 1200 dagen, telkens zo expliciet vermeld bij het begin
van elk hoofdstuk) en trekken in hun lengte en lastigheid een mooie
parallel met wat mannen aan het front moeten doorstaan. Mannen als
Victors broer Nest bv.: op elk moment is deze — via brieven, dromen en
verhalen — met Victor verbonden; pas op het einde dringt over zijn broer
een verschrikkelijke waarheid tot hem door.
Marita de Sterck heeft in "De hondeneters" heel diep gegraven in tijd,
ruimte, en de dunne grens tussen mens en dier. Het vertellen vanuit het
perspectief van een epilepticus is origineel, vooral doordat daarmee een
link ontstaat tussen Victor en de mannen die vallen aan het front of een
andere unieke band tussen mens en hond: beide lijken even mooi en lief
als gevaarlijk en onberekenbaar. De beschrijvingen van het dier hond
zijn liefdevol, mooi en treffend.
Dat dierlijke en zinnelijke trekt zich ook sterk door in de stijl. In
geen van haar vorige boeken gaat De Sterck zo extreem aan de slag met
geuren en kleuren, magere en arme en vuile en zieke lichamen, de even
schone als verslindende kracht van natuurelementen, en de al even dunne
grens tussen leven en dood. Haar onderzoekswerk als antropologe en de
link met ‘onze’ cultuur, traditie en folklore op gebied van omgaan met
die dood, wordt hier weer een waarmerk en wordt stevig uitgewerkt. Het
zorgt zoals gezegd lang niet altijd voor opbeurende lectuur, bij
momenten wel voor sterke literatuur. Liedjes, historische feiten,
wetenswaardigheden zijn beter — lees: minder geforceerd — ingebed dan in
sommige van haar vorige jeugdromans.
Rest nog de vraag wat jonge lezers in dit verhaal kunnen ontdekken.
Alleszins zullen velen zich herkennen in het hoofdpersonage Victor, een
outcast die zijn plek en identiteit zoekt in de wereld — oorlog of niet.
Te midden van al de armoede en gruwel is hij ook maar gewoon een jonge
gast die zijn broer mist, en aan wie het knaagt dat hij wel zeker leeft
en de fouten jegens zijn broer misschien niet meer kan goedmaken.
Spanning behoudt het verhaal alleszins ook doordat lang niet duidelijk
is of Victor zijn hond terugvindt of niet, en hoe.
De folkloristische en historische rivieren-, moeras- en caféverhalen
zitten misschien iets minder dicht op de huid van jonge lezers, maar De
Sterck houdt ze boeiend en gebald en trekt ze behoorlijk dicht naar die
leeftijd toe. Bovendien bewezen haar vorige verhalen ("Kwaad bloed", "De
Leeswelp" 2006, p. 278) en de prijzen van haar lezers, dat die dergelijk
historisch geijkt materiaal wel weten te appreciëren.
De auteur draagt dit boek o.m. op aan haar vader en grootmoeder en ‘“aan
de ontelbare families die door de grote oorlog zijn getroffen”. En ook
aan “alle lokale historici die de kleine geschiedenis groot weten te
maken”. De Sterck doet net hetzelfde, maar dan als schrijfster die
radicaal kiest voor sterk literaire romans. Met "De hondeneters" schreef
ze vanuit een originele invalshoek een voortreffelijke klacht tegen elke
oorlog en voor mij haar beste boek sinds "Wild vlees" ("De Leeswelp"
2001, p. 29).
De Leeswelp, april 2009
Annelies De Waele: Beest of mens
Interview met Marita De Sterck over haar anti-oorlogsroman ‘De
Hondeneters’
“Dit boek moest vroeg of laat
uit mijn systeem”, zegt Marita De Sterck over haar nieuwe roman ‘De
hondeneters’. Een anti-oorlogsverhaal pur sang is het, dat de rauwe
werkelijkheid niet schuwt, zich integraal afspeelt in het barre gebied
tussen Dijle en Rupel en diep graaft naar de dunne grens tussen ‘de
goeden’ en ‘de slechten’. “Wat je leest en hoort over de realiteit
van die Grote Oorlog overtreft soms elke verbeelding”.
Je draagt dit boek onder meer
op aan je ouders. Werd het vanuit die wortels geschreven?
Marita De Sterck: Ik heb altijd het
gevoel gehad, als kind al, dat de verliezen mijn en veel andere families
heel erg getekend hebben, zonder dat daar een taal voor bestond. Ik wist
bijvoorbeeld dat de moeder en een zusje van mijn vader aan die oorlog
waren gestorven, ik wist dat mijn moeders moeder had moeten vluchten met
vier kleuters en zwanger en dat ze onderweg die baby had moeten
begraven. Ik had het gevoel dat die trauma’s door de generaties reisden.
Mijn vader was veertien toen de oorlog stopte en bracht dat stuk jeugd
door in een dorp bij de Rupel. Termen als ‘hondenfretters’ en liedjes
als ‘’t Is van den hond zijn kont’ zijn dus dingen die ik zelf als kind
ook oppikte en intrigerend vond.
Was dat echt typisch voor die
streek, honden slachten én opeten?
De Sterck: Over Roeselare heb ik
ook referenties gevonden, maar de meeste documenten betreffen toch Boom,
met getuigenissen over de paardenslachterij die plotseling
hondenslachterij werd, een slachtreglement en prijzen per kilo. De
Rupelstreek was altijd al een arme en tegelijk vindingrijke regio, en
zeker de Boomenaars hadden een nogal kwalijke reputatie. Anderzijds is
het vrijwel zeker dat de honden overal gegeten werden waar mensen honger
hadden, maar dat in Boom het vuile werk werd opgeknapt.
Tijdens mijn research kwam ik in
contact met de Boomse historicus Alex Vinck, de specialist
‘hondenfretters’ en een wandelende encyclopedie. Hij had nog met veel
levende getuigen gesproken en kon daar eindeloos gedetailleerd over
vertellen, ik wist niet wat ik hoorde. Terwijl ik aan het boek werkte,
is hij overleden. Daarom droeg ik het ook aan hem op.
Dat je schrijft over kleine
schoothondjes die op de markt in een zak werden verkocht, klaar voor de
pan, is inderdaad hard te verteren voor een dierenliefhebber.
De Sterck: Zo’n passage waarin
mensen in barre oorlogstijd overgaan tot het eten van dieren, stak als
sleutelscène al in mijn roman ‘Met huid en haar’. Jonge lezers reageren
er altijd met afgrijzen op: ‘Dat mag niet, dat kan niet’. Tegelijk zegt
het iets over onze tijd: dat we ons blijkbaar beter de gruwel in de
loopgraven kunnen voorstellen dan de platte dagelijke rauwheid van het
gewone volk. Misschien is het geen toeval dat ik tijdens deze research
schreef aan het kinderverhaal ‘Schatje Patatje’, over een hondje dat
tegelijk berispt én in de watten wordt gelegd.
Wat heb je zelf met honden?
De Sterck: Ik ben een enorme
hondenliefhebber. In mijn pubertijd, toen ik nog tijd had om ze te
verzorgen, heb ik er verschillende gehad: herders, setters, een Deense
Dog. Wat die beesten denken en voelen, fascineert me enorm.
Het verhaal draait dan
eigenlijk rond Victor, een epilepticus voor wie zijn hond een kwestie
van leven of dood is, want het dier waarschuwt hem voor aanvallen.
Interessant perspectief, hoe kwam je erbij?
De Sterck: Er is discussie over het
feit of een hond al dan niet een aanval kan voorvoelen. Hier en daar
lees je wel berichten over honden die met een schelle piep hun baas
verwittigen. Ik vond het een geloofwaardige piste en narratief ontdekte
ik zo een krachtig gegeven, namelijk dat Victor het huis wel moést
ontvluchten, op zoek naar zijn hond.
Eens op dreef, stootte ik dan weer op al die facetten van epilepsie,
iets wat me ook al langer intrigeert. Ik had ook een personage nodig dat
me twee jaar lang zou blijven boeien.
Ik kreeg een dvd in handen met wel 200 aanvallen erop en daar kan ik
sprakeloos naar zitten kijken: hoe vallen die mensen, waar zijn ze
tijdens een aanval, hoe komen ze bij?
Het bracht me weer bij het motief van de dunne lijn tussen mens en dier
en wie van de twee nu het wreedst is. Zo’n mensen werden vroeger voor
halve beesten aanzien. Toen stelde men de vraag: ben je nog wel een mens
als je ‘weg’ bent?
In de boeken die ik doornam in het Guislainmuseum in Gent trof ik ook
termen aan als ‘ontaard’. Toen al doken gruwelijke ‘oplossingen’ op: dat
je epileptici best onvruchtbaar maakte of opsloot. De wortels van
fascistisch denken liggen altijd dieper en vroeger in de tijd dan we
aannemen.
Heb je zelf iets nieuws over
de oorlog geleerd?
De Sterck: Die Eerste Grote Oorlog
wordt wel eens ‘de moeder van alle oorlogen’ genoemd en dat klopte voor
mij ineens heel erg. Alsof hij het startpunt was van de nog grotere
calamiteiten die zouden volgen.
Ook wordt je duidelijk hoe dun die lijn is tussen slachter en
slachtoffer, hoe moeilijk die te trekken is. Hoever kan collectieve
hysterie gaan, dat opzwepen van jonge mensen die helemaal niet voor zo’n
slachtveld gemaakt zijn. Ook dat hele shot-at-dawn-verhaal, waar iemand
als Piet Chielens (conservator In Flanders’ Fieldsmuseum, adw)
zich heel erg in verdiept heeft. De realiteit overtreft hier elke
verbeelding.
En dat was vaak zo met de informatie die ik tegenkwam: over melk- en
botervervalsers, over vodden rapen en een kot waar karrenvrachten
beenderen van paarden en honden werden vermalen tot voeder. Je hoeft het
niet uit te vinden, het staat in de kranten van die tijd, het is echt
gebeurd.
De dunne grens tussen meedoen
of aan de kant blijven, tussen ‘goed’ en ‘slecht’, is een thema dat
tegenwoordig wel vaker opduikt, ook in Els Beertens boek ‘Allemaal
willen we de hemel’ bijvoorbeeld.
De Sterck: Ja, en ook in de
Angelsaksische oorlogsliteratuur, bij auteurs als Pat Barker en
Sebastian Faulks. Of David Grossman, die zelf zijn zoon verloor tijdens
de Tweede Libanonoorlog in 2006. Blijkbaar hangt het in de lucht. Zelf
werd ik geraakt door de angst die gepaard gaat met het zien opgroeien
van je eigen kinderen die de leeftijd hebben van soldaten die naar het
slagveld worden gestuurd. Tijdens het lezen en schrijven kreeg ik ook
voortdurend actuele oorlogsbeelden voor ogen. Bovendien denk ik niet dat
ik er mijn stem als moeder heb uitgekregen: je stelt het je vroeg of
laat toch voor, dat je eigen kinderen moeten vertrekken en je hen
verliest in een zinloze oorlog. Vandaar het opnemen van
anti-oorlogsliederen. Dat lied ‘Oorlog aan den oorlog’ had ik tijdens
de opzoekingen rond ‘Kwaad Bloed’ al gevonden en trof me heel erg.
Het verhaal van de gebroeders
Van Raemdonck uit Temse werd niet eerder in jongerenliteratuur
verwerkt...
De Sterck: Wellicht niet. Het is
ook risicogebied want er hangt een hele heroïek rond. Zo kwam ik tijdens
het bezoeken van hun grafmonument ineens in een entourage terecht waar
ik liever niet wilde bijhoren. Het verhaal raakte me enorm, maar ik heb
goed afgebakend wat ik ermee wilde doen, los van enige rechtse retoriek
uiteraard. Vooral het aspect dat die oudere broer koste wat kost voor
die jongere broer wilde zorgen, sprak me heel erg aan. Dit verhaal toont
hoe mensen behalve naar heroïsche oorlogsliteratuur ook hunkeren naar
ware grote verhalen, naar warmte en menselijkheid. Ik ben vrij dicht bij
het origineel gebleven. Het is dan ook een ongelofelijk verhaal, dat in
Temse en omstreken toendertijd voortdurend verteld werd. Je kan je dat
levendig voorstellen, dat iemand in een café op een stoel kroop en dat
doorgaf. En je kan je ook heel goed voorstellen dat jonge mensen die
oorlog naar het einde toe moe waren, dat ze op waren en niet anders meer
konden dan het opgeven, op welke manier dan ook.
Door jouw roman te situeren
in de Rupelstreek, kon je er meteen weer wat volksverhalen in verwerken
– een van je stokpaardjes.
De Sterck: Daar blijf ik door
bezeten, ja. Om die verhalen op te sporen, heb ik dezelfde methode
gehanteerd als voor ‘Kwaad Bloed’, namelijk naar een rusthuis in Boom
trekken met een fles Porto en een doos koekjes. Zo komen die verhalen
over die waterduivels en zo vanzelf wel naar boven.
Door zijn tocht langs al die rivieren zit Victor daar echt ook pal op.
Je hebt die wandeling van
Mechelen naar Boom ook zelf gemaakt, neem ik aan?
De Sterck: Ik heb de route
verschillende keren gelopen en heb ze ook op mijn website beschreven. Je
kan ze lopen of fietsen. Het is een mooie tocht, en dat Zennegat
halverwege blijft een magische plek. De veerman uit het boek is er niet
meer, maar zijn kleinzoon woont er wel nog.
Alleen het laatste traject naar de slachterij, is lelijk. Waar de
hondenslachterij was, is nu een garage langs de Boomsesteenweg. In het
centrum van Boom staat een standbeeld voor de honden.
In het boek zit trouwens ook mijn ambivalentie tegenover die streek:
enerzijds vind ik die heel deprimerend, anderzijds ook heel intrigerend,
precies door al die waters.
Veeleer dan een
‘schelmenroman’, zoals in de foldertekst staat, is ‘De Hondeneters’ voor
mij een soort ‘Bildungsroman’.
De Sterck: Klopt. De foldertekst
wordt soms maanden op voorhand uitgewerkt, terwijl je boek dan soms nog
andere richtingen uitgaat. Het is inderdaad een Bildungsroman.
Zoiets als een ‘groeispurt’ vind je in veel van mijn boeken, ook in
‘Kwaad bloed’. En blijkbaar ben ik ook nogal gefascineerd door figuren
die jarenlang nooit echt buiten zijn geweest en dan ineens echt beginnen
te leven.
Anders dan vorige boeken verloopt ‘De hondeneters’ nu vrij rechtlijnig
en niet met sprongen. Daar is niet over nagedacht. Het groeide gewoon
vanuit het gegeven dat Victor achter zijn hond aangaat, recht vooruit.
Waarom laat de slachter
Victors herder bij het begin van het boek leven?
De Sterck: Hij twijfelt echt, hij
staat met die hamer klaar en legt hem toch weer weg, omdat het beest hem
op de een of andere manier intrigeert. Ik heb Django een beetje geluk
gegeven, voor hetzelfde geld had hij het niet overleefd. Of hij wordt
een beetje in bescherming genomen, omdat hij net opviel: hij was goed
verzorgd, goed getraind en stevig gebouwd. Het was voor mij meteen
duidelijk dat maar één van de twee het kon halen: of de hond, of Victors
broer.
Ook in de personages die
Victor ontmoet speel je graag met goed en kwaad, schoonheid en
lelijkheid, mannelijkheid en vrouwelijkheid.
De Sterck: ‘De vrouw met de baard’
was er heel snel. Ik zat ergens op een lezing en voor me zat een heel
verzorgde oudere dame. Plots viel me op dat ze een echte baard had. Dat
intrigeerde me, dat ze tot in de puntjes verzorgd was en toch die baard
liet staan, als een soort statement. Van die lezing heb ik niet veel
meer gehoord, ik was vertrokken. Naderhand wordt zij, een
voddenraapster, door wat ze doet voor Victor, echt de heldin van het
boek: een straffe madam in een vuile verschijningsvorm.
En dan heb je inderdaad dat gegeven dat mensen van wie men het niet
verwacht, plotsklaps toch heel wreed blijken te zijn. Die grootmoeder
die melk vervalst bijvoorbeeld;
Zo komen we weer bij de uitgangsvraag: waar zitten de grootste beesten
precies?
De vraag stel je al bij het
begin van het boek, in de prachtige passage waarin de hondenslachters de
kooi met vechtende honden binnendringen.
De Sterck: Op de hondentrainingen
die ik bijwoonde leerde ik waartoe zo’n herders echt in staat zijn: ze
kunnen zonder problemen een kaak ontwrichten als ze dat willen. Maar als
ze met elkaar vechten, sta je sprakeloos van hun fair play. Ze
presenteren hun buik en de tegenstander bevriest onmiddellijk de strijd.
Dat is toch anders dan mensen die andere mensen met een witte vlag omver
knalden of strijdkrachten uit Afrika zonder wapens de strijd in
stuurden, omdat ze bang waren voor muiterij.
Hoe wreed is een beest, hoe wreed is het beest mens? Het blijft een
intrigerende vraag.
Je gaat soms ver in dit boek,
vaak is het bikkelhard.
De Sterck: Klopt, en misschien is
dat iets wat ik heb geleerd uit de initiatieverhalen die ik hoor en
hertaal: vertel voluit. Het was nu eenmaal een harde oorlog en het zou
van intellectuele oneerlijkheid getuigen om bepaalde hoeken af te
ronden. Maar het staat wel eerlijk op de flaptekst.
Ik heb de indruk dat je
dieper hebt gegraven dan in je vorige boeken, ook qua taal.
De Sterck: dat gevoel heb ik ook,
en daarom deed het ook veel meer pijn om het te schrijven. Het was alsof
ik met terugwerkende kracht de pijn van mijn voorouders een plek wilde
geven. Maar dan moet je die eerst wel toelaten. Het was dus een vloekend
en sputterend proces, maar dit boek moest vroeg of laat blijkbaar toch
uit mijn systeem.
De Morgen, 19 maart 2009
Annemie Leysen : Mijn eigen kleine
oorlog. Spannende bildungsroman van Marita de Sterck
Marita de Sterck is gepassioneerd
voor mensen en hun verhalen van lang geleden. Daar heeft haar
antropologische achtergrond alles mee te maken. Ook de grote oorlogen
fascineren haar. Voor haar nieuwe roman De hondeneters liet ze zich
inspireren door de vele vertellingen van haar vader.
Geen vertrouwde Flanders Fields, en nauwelijks modderige loopgraven in
De hondeneters. De Westhoek is ver weg, en komt enkel in de verhalen en
de brieven van de jonge soldaten aan de orde. Het slik en het slijk van
de ruige Rupelstreek met zijn bizarre bewoners is hier het decor,
waartegen zich in zes dagen tijd een klein oorlogsdrama afspeelt.
Het is 28 december 1917. In zijn slachterij verkoopt de bonkige Prosper,
bij gebrek aan beters, hondenvlees tegen woekerprijzen. Net voor hij een
bijzonder gezond exemplaar, een opvallende Mechelse herder met twee
verschillende ogen, tot vlees wil verwerken, duikt in de volle
hondenkooi een raadselachtig bot op dat bij beesten en mensen voor grote
commotie zorgt. Een apocalyptisch tafereel, dit razende gevecht om een
been, dat overigens indrukwekkend in beeld is gezet. Het hele dorp
stroomt samen, druk speculerend over de herkomst van wat een menselijk
dijbeen blijkt te zijn. Uit het niets arriveert dan een bleke, en naar
zijn outfit te oordelen, welgestelde jongeman, op zoek naar zijn
verloren hond. Meteen wordt een overgang gemaakt naar de volgende
hoofdstukken, twee dagen terug in de tijd. Daarmee is de setting gezet
en zijn de rode draden geweven: subtiele verwijzingen naar wat gebeurd
is en naar wat nog komen moet en een bonte parade van haast alle
dramatis personae prikkelen de nieuwsgierigheid en zorgen voor een
slimme compositie en een zorgvuldig opgebouwde spanningsboog.
Danteske reis
Victor Vervoort, achttien, neemt op
de ochtend van 26 december 1917 een besluit. "Ten eerste en ten laatste:
vanaf heden wil Victor leven als een man." Hij verlaat het besloten
herenhuis van zijn ouders onder de Mechelse Sint-Romboutstoren. Het
gemis van zijn broer Nest, op aansturen van zijn patriottische
notarisvader en een bevlogen leraar als vrijwilliger aan het front,
drukt op het gezin. Victors trouwe herdershond Django, getraind om een
beginnende aanval van het grand mal waaraan hij lijdt meteen te
detecteren en op te vangen, is verdwenen, en die wil hij terugvinden.
Met wat geld, een Zwitsers mes en een omslag met - zo blijkt later -
door zijn vader gecensureerde brieven van zijn broer, breekt hij uit
zijn isolement.
Victor is jarenlang door zijn labiele, naar bloesem ruikende moeder
klein gehouden wegens zijn epilepsie. De fantasieën van Jules Verne
waren zijn enige uitzicht op de wereld. De tocht langs het water, van
Mechelen naar Boom, wordt voor hem dan ook een confronterende
onderneming en een schokkende kennismaking met het echte leven. De
Sterck stippelt een danteske reis uit: van de veilige geborgenheid
binnen de beklemmende muren vol onuitgesproken geheimen van zijn
ouderhuis, door de verschrikkingen en ontberingen heen van een land in
oorlog, waar alle normen en verhoudingen zoek zijn geraakt. Een
zoektocht naar de ware toedracht van een en ander, met onluisterende
ophelderingen aan het eind, en tegelijk een coming of age-queeste naar
een eigen identiteit. De dagelijkse epileptische aanvallen, de momenten
waarop "de wereld kantelt", vormen een structurele constante. Op zijn
eerste halte, de gore Mechelse armenmarkt, waar moordende melkvervalsers
uitgehongerde mensen bedriegen, maakt Victor kennis met de
"hondentrafiek". Tijdens zijn tocht naar Boom, langs de Dijle, het
gevaarlijke Zennegat en de Rupel ontmoet hij een stoet van felliniaanse
figuren, archetypes haast, die stuk voor stuk een rol spelen in Victors
groei van "papkind" naar "vent". Zo is er Germaine, die zijn eerste
aanval opvangt en hem met haar grote lijf met affectie overlaadt. En
sensuele Anna met de blauwste ogen van de wereld en een brutale bek, die
samen met haar identieke zussen op een verlaten boerenerf haar
bedenkelijke manieren van overleven heeft gevonden. Zelfs een
mysterieuze, ijskoude veerman komt eraan te pas. Het voddenwijf met de
baard en de wijde rokken vertelt hem over de alles overwinnende liefde.
Door de oorlogsverhalen in het schipperscafé en de brieven die hij op
zak heeft gaat Victor aan het denken over het vermeende heldendom van
zijn broer aan het front. Na een bezoek aan Café De Tien Billekens, waar
straatmadelieven en duistere taferelen hem behoorlijk van slag brengen,
arriveert hij, een stuk en een paar dagen wijzer, in Boom, bij de
slachterij. Hier maakt De Sterck de cirkel voorlopig rond. Maar de echte
catharsis moet nog komen. Met de hulp van kleine Peer, de mishandelde
zoon van Prosper de slachter, vindt Victor zijn hond terug, en op de
ontnuchterende terugreis door zijn eigen "niemandsland" komt hij alles
aan de weet: over het verzet, over "hoe een man in een vrouw past", over
een onvermijdelijke moord, en, vooral, over het lot van zijn
"heldhaftige" broer. In een ultieme confrontatie met zijn rabiate vader
stelt Victor definitief orde op zaken. Het papkind is man geworden.
Verteltradities
De hondeneters is een boordevol
boek. Het is een overtuigend pleidooi tegen absurde oorlogen en
misplaatst heldendom en tegelijk een portret van een jongeman die zijn
eigen kleine oorlog uitvecht. Haast lijfelijk voelbaar beschrijft De
Sterck de intieme band tussen de hond Django en de mens Victor.
Verademend is hier ook het brede vertelspectrum: niet de gebruikelijke,
wat kneuterige adolescentenbiotopen, maar een ruim perspectief op wat
ertoe doet in de wereld, vanuit een verrassende geografische
achtergrond. De roman is bovendien knap gecomponeerd en grondig
gedocumenteerd.
Marita de Sterck is een gedreven onderzoekster en een schrijfster die
het vak kent. Dat is bekend. Maar in haar ijver en enthousiasme om
vergaarde kennis over orale verteltradities mee te geven in haar boek,
gaat ze te bedacht te werk. Als het maar even kan legt ze haar
personages verhalen en volkse liedjes in de mond, die niet altijd
relevant zijn en zelden geloofwaardig klinken. Bovendien vallen de
inconsequent gehanteerde Vlaamse taalregisters vaak ergerlijk uit de
toon. Behendig regisseert De Sterck haar professioneel opgezette
'schouwtoneel' en organiseert ze haar uitgebreide cast. Dat levert een
rimpelloos en bij momenten boeiend spektakel op. Maar acteurs van vlees
en bloed die met hart en ziel échte emoties bespelen, krijgen in deze
rationele constructie zelden een rol toebedeeld. En net die authentieke
bezieling had een rijke verhaalstof als deze echt wel verdiend.
Standaard der Letteren, 24 april
2009
Veerle Vanden Bosch : Echte venten huilen niet
De Eerste Wereldoorlog was niet
alleen een hel voor frontsoldaten - daar zijn al massa's romans over
geschreven. In ‘De hondeneters’ focust Marita De Sterck op de ellende
van de gewone burger.
Een hond liegt niet. En hij doodt
nooit slachtoffers die zich niet kunnen verdedigen. 'Het waren de mensen
die weerloze soldaten met een witte vlag overhoopschoten', schrijft
Marita De Sterck in de eerste bladzijden van De hondeneters. Het is de
oorlogswinter van 1917, maar De Sterck focust niet op de frontsoldaten
en de ellende van de loopgraven - al zijn die wel voortdurend aanwezig
in de gedachten van de personages. De hondeneters uit de titel zijn de
uitgehongerde, verpauperde en door ziekte en ontbering geteisterde
bewoners van de Rupelstreek. Ook daar is het oorlog, en de strijd om te
overleven is er bikkelhard. Het is een wereld waar jacht wordt gemaakt
op honden en katten vanwege hun vlees, waar fraudeurs baby's en kinderen
vergiftigen door water met kalk te verkopen voor melk aan wanhopige
jonge moeders, en waar mannen hun vrouwen 'op hun bakkes' slaan als ze
te veel noten op hun zang hebben. Het is een harde, ruige wereld waar de
notariszoon Victor Vervoort geen weet van heeft. Hij is zeventien en
komt haast nooit de deur uit. Zijn universum bestaat uit het herenhuis
van zijn ouders onder de Sint-Romboutstoren in Mechelen en de tuin
waarin hij dagelijks enkele rondjes loopt om wat beweging te hebben.
Victor lijdt aan epilepsie en daarom stoppen zijn ouders hem onder een
verstikkende glazen stolp. Het contrast met zijn gezonde oudere broer
Nest is groot. Nest is - onder druk van zijn vader en een leraar - als
vrijwilliger naar het front getrokken, iets waar Victor hem om benijdt.
Ook hij had maar wat graag getoond dat hij 'een echte vent' was. De
enige bondgenoot die Victor na het vertrek van zijn broer nog heeft, is
zijn Mechelse herder Django, een bijzondere hond die zijn
epilepsieaanvallen voorvoelt en voor hem door het vuur zou gaan.
Weerwolf
Wanneer Django verdwijnt, gaat
Victor hem zoeken. Hij ontvlucht zijn ouderlijk huis en tuimelt pardoes
de werkelijkheid in. Het wordt een ware helletocht, die Victor voorgoed
van zijn wereldvreemdheid geneest en hem de volwassenheid in
katapulteert. Hij ontmoet een bonte stoet van bizarre personages - een
voddenvrouw met een baard, een meisje met ogen van het donkerste blauw
maar een minder propere ziel, een volkszanger, straatmadelieven met
sprekende namen als Trezeke Viool en Malse Melanie, en Prosper, de
hondenslachter van Boom. Voor hen is Victor evengoed een rare snuiter:
een rijkeluiskind met een vreemde ziekte die hem geregeld in een
stuiptrekkend beest doet veranderen. Het maakt hem tegelijk kwetsbaar en
beangstigend - sommigen beschouwen hem zelfs als een weerwolf. Tot zijn
schade en schande moet Victor ondervinden dat niet iedereen het goed met
hem voorheeft. De strijd om te overleven wordt niet door iedereen fair
gespeeld. In de oorlog zijn er geen regels, en als het erop aankomt,
zijn mensen erger dan beesten - een thematiek waarvan het hele boek is
doordrongen. In die harde omstandigheden gaat Victor op zoek naar
zichzelf en zijn plaats in de wereld en ontdekt hij 'hoe een man in een
vrouw past'. De confrontatie met het harde lot van gewone mensen en met
hun visie op de oorlog - 'Weg met leugens over helden / Die crepeerden
op de velden' zingt de volkszanger - zetten hem ook aan het denken over
de holle retoriek van zijn vader en de zogenaamde eer om te mogen
vechten voor het vaderland. Gaandeweg komt hij tot het besef wat er aan
het front met zijn broer is gebeurd.
Mythisch
De hondeneters is een grimmig boek.
De gruwel, het rauwe verdriet, de uitgeputte mensen die bij bosjes
sterven aan ondervoeding, tyfus en griep, de slachtoffers van de
melkvervalsers, de bloedige bezigheden van Prosper de hondenslachter:
het wordt onverbloemd beschreven, net zoals er zonder omwegen wordt
geschreven over lust en drift. Dit is een meedogenloze, boze wereld,
waarin het vechten is om overeind te blijven.
De Sterck doet haar verhaal in een
directe, volkse taal, die helaas niet altijd even consequent wordt
volgehouden: hier en daar zitten er valse noten in. Dat ze zich grondig
heeft gedocumenteerd, blijkt niet alleen uit de indrukwekkende lijst
achterin het boek, maar ook uit de weetjes, volks- en protestliederen
die ze het boek heeft binnengesmokkeld - hier komt de antropologe in
haar om de hoek kijken. Dat komt soms artificieel over. Zo verbindt ze
Nests lot op een wat geforceerde manier met de mythe over de gebroeders
Van Raemdonck, die in elkaars armen zouden zijn gesneuveld.
Het Zennegat en de Rupel krijgen in
het boek haast mythische proporties: het is een duister, mistig
landschap waar eeuwenoude watergeesten op de loer liggen, altijd klaar
om argeloze passanten naar hun ondergang te slepen. De hondeneters is
een mooie coming-of ageroman en een imposant portret van een arme streek
in tijden van oorlog. Als de personages nog iets doorvoelder waren
geweest, had Marita De Sterck een regelrecht meesterwerk geschreven.
|