Marita de Sterck

VRAGEN


leven

boeken

cursussen

lezingen

vragen

reizen

nieuw

links

e-mail

home
 

English

Français

   
Vertel eens iets over je kindertijd?

Mijn vader was een kleermaker, mijn moeder voorzag zowat half Congo van roze sokjes en het was iedereen een raadsel waarom ik toch zo’n kluns met naald en draad was en ben. Wat betreft het verhalen vertellen, viel de appel iets minder ver van de boom. Mijn vader kon urenlang vertellen over merkwaardige dorpsfiguren en over twee halvegare beren, Lili en Fifi, waarin ik later mijn tantes – zijn pesterige zussen – herkende. De ergste straf was zonder verhaal naar bed en dan moest ik, om mijn kleine broer te plezieren, mijn vaders taak overnemen. Trainingskansen genoeg dus. Al van toen ik kind was ben ik geboeid door mensen uit andere landen. Ik kon urenlang zoet zijn met fotoboeken over verre landen en met atlassen. In die tijd wou ik ontdekkingsreiziger worden. Ik luisterde ademloos naar de verhalen van mijn grootoom die in China bisschop was. Het leek me wel wat: reiziger én schrijver worden. Ik woonde in een huis vlakbij de Kalmthoutse hei, een immens natuurreservaat. Daar groeide mijn interesse voor beesten en planten. Ik zwierf urenlang met mijn honden of te paard over de hei. Ik was ook jarenlang bij enkele natuurverenigingen en aan de kampen in verschilende natuurgebieden bewaar ik mooie herinneringen.

Wat heb je gestudeerd ?

Aan de universiteit van Gent studeerde ik Germaanse talen en pers- en communicatiewetenschappen, maar eigenlijk wou ik graag antropologie studeren. Dat is er later van gekomen. Toen ik al werkte ben ik antropologie gaan studeren aan de universiteit van Leuven. Als antropoloog hou ik me vooral bezig met de inwijdingsrituelen en –verhalen waarmee niet-westerse groepen vieren dat jongeren volwassen worden.

Wat doe je nu ?

Mijn dagen zijn goed gevuld: ik geef les in literatuur, jeugdliteratuur en antropologie aan de bibliotheekschool van Gent. Daarnaast schrijf ik jeugdboeken en geef ik ook les in schrijven aan jonge mensen.

Wat voor boeken schrijf je ?

Toen ik antropologie studeerde begon ik te reizen, naar Marokko, Egypte, Mexico, Indonesië, Papoea Nieuw Guinea, Mali ... Ik vind niets zo interessant als kijken naar mensen die anders leven dan wij. Na mijn eerste reizen ging ik schrijven. Veel van mijn boeken gaan over andere culturen. Vlinders op het dak volgt een Vlaams meisje dat bij de familie van haar vriendin in Marokko op vakantie mag. Langzaam maar zeker leert ze de spelregels van deze cultuur begrijpen. Indianen Verhalen en Loop naar de zon zijn gebaseerd op een verblijf bij de Navajo-Indianen. Terwijk ik inwijdingsrituelen bestudeerde, begon ik plots een verhaal te schrijven over mijn eigen zomer 16, die één en al inwijding was. Het werd het boek Wachten. Die zomer van toen vond ik als puber de woorden voor mijn gevoelens niet, nu was er geen houden aan. Het verhaal moest geschreven worden, en wel aan een tempo dat ik schrijvend niet kon bijhouden. Uiteindelijk heb ik het verhaal ingesproken in een recorder. Dat boek maakte andere emoties los dan mijn vroegere verhalen. Ik kreeg het gevoel dat ik woorden bijeensprokkelde om het vanzelfzwijgende in mijn leven tot spreken te brengen. Dat, waar ik niet over wou, kon of durfde te spreken.
Wachten is een kortverhaal over het begin van een relatie en Zoë zwijgt gaat dan weer over het einde van een relatie. Daarna kreeg ik zin om een langer verhaal ineen te steken. Ik wou het verloop van zo’n eerste grote liefdesrelatie – met alles erop en eraan – beschrijven. Dat werd de basis voor Splinters. Door de wijsheid en ouderdom van de grootmoeder uit Splinters groeit haar kleindochter Jutta en durft ze uiteindelijk ook stappen in de liefde te zetten. 
De verbondenheid van leven en dood is het hoofdthema van de jeugdroman Wild vlees. Een jongen gaat na de dood van zijn grootvader op zoek naar zijn eigen wortels en zijn plek in de wereld. Ook voor mij betekende het schrijven van dat boek een verkenningstocht langs mijn eigen roots. 

Wat zijn de hoofdthema's in je jeugdromans?

Een belangrijk thema in mijn werk is hoe je kunt leren liefhebben zonder jezelf te veel te verliezen. Al die spelletjes die mensen hierbij spelen: verstoppertje, tikkertje, koele jongen, kat en muis, ijskoningin, stommetje ..., de gevoelens die ze verstoppen, hun onmacht om te echt te praten, dat vind ik boeiend om te verwoorden. Mijn personages verlangen naar het leven, maar ze barsten ook van de angst om te falen, om alleen achter te blijven. 
In zekere zin sluiten mijn jeugdromans aan bij mijn werk als antropoloog, vooral bij de inwijdingsrituelen en –verhalen van andere culturen.

Hoe schrijf je ?

Schrijven loopt bij mij, zoals bij veel auteurs, in twee stappen. De eerste schrijfbeurt is altijd wild. Die ontsnapt aan elke controle. Schrijven is aan de ene kant vrijuit spreken, ongecontroleerd, maar aan de andere kant toch ook vorm en structuur zoeken. Dat eerste loopt vanzelf, maar die structuur zoeken, dat is wroeten, voor mij toch. Dan is kritiek welkom. Niet dat het makkelijk is. Keiharde kritiek roept bij mij een soort rouwproces op: ontkenning, opstand, berusting en aanvaarding. Hard nee roepen, nadenken en daarna moed en ook tijd verzamelen om door te gaan en die tekst te laten groeien.
De eerste versie van Splinters was loodzwaar. De droefenis droop van de bladzijden, zo had ik het ook bedoeld. Maar je werd er als lezer door platgeslagen. Toen groeide de idee om met een soort pendel te werken, van licht naar zwaar en weer terug. Na de Jutta- hoofdstukken begon ik de Anton-hoofdstukken te schrijven. Met plezier. Of ik uit de donkerte van dat Jutta-moeras omhoog kroop. Spannend vond ik dat ook, proberen weer te geven hoe een jongen en een meisje zo anders tegen het verloop van eenzelfde relatie kunnen aankijken.
Lastige passages lees ik meestal hardop voor aan mezelf. Dat blijf ik doen tot ik ze niet meer al te melig, sentimenteel of banaal vind.

Waarom schrijf je ?

Soms hebben mensen verhalen harder nodig dan voedsel om te overleven.
Dat is de reden waarom we blijven verhalen in elkaars geheugen stoppen.
Op deze manier zorgen mensen voor elkaar.
Deze woorden zijn niet van mij. Ik heb ze opgetekend tijdens een conferentie van inheemse volken in Genève waar ik Indiaanse leiders interviewde. Ik kan niet bewijzen dat ze waar zijn, maar ik geloof het wel. Misschien kun je met een verhaal voor mensen zorgen.
Misschien kun je met een verhaal ook wel dingen uitdrukken die op geen enkele andere manier uit te drukken zijn, bv. de idee dat leven en dood verbonden zijn.

 

Lees ook: het interview met Wally de Doncker in: Christene School, 5-11-1994
                 het interview met Jet Marchau in: Leesidee Jeugdliteratuur, november1998
                 het interview met Annelies De Waele in: Het Nieuwsblad, 28-10-2000