|
Vraag om uitleg van de heer Jos De Meyer tot mevrouw Marleen
Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming en tot mevrouw Mieke
Vogels, Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid, Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking, over tewerkstellingsmaatregelen in het
onderwijs voor mensen met een handicap
De voorzitter : Aan de orde is de vraag om uitleg van de heer De Meyer tot mevrouw
Vanderpoorten, Vlaams minister van Onderwijs en Vorming en tot mevrouw Vogels,Vlaams minister van Welzijn,
Gezondheid, Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking, over tewerkstellingsmaatregelen in
het onderwijs voor mensen met een handicap. De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, de Vlaamse overheid
voorziet in verschillende tewerkstellingsmaatregelen voor gehandicapte mensen die niet tewerkgesteld
zijn in een overheidsdienst en die door hun ziekte het normale rendement niet bereiken. Zo
bestaat een inschakelingspremie waarbij 30 percent van het loon van de werknemer door het Vlaams
Fonds aan de werkgever wordt terugbetaald.
Ook in het onderwijs zijn er mensen met een handicap die voordeel zouden kunnen halen bij een
wettelijk kader dat voorziet in een aantal maatregelen of faciliteiten. Wanneer een vastbenoemd
personeelslid van het onderwijs nu chronisch of langdurig ziek wordt, eindigt de onderwijsloopbaan
na terbeschikkingstelling wegens ziekte ten slotte in een vervroegde oppensioenstelling. Dit kan zelfs
gebeuren op relatief jonge leeftijd. Dit betekent voor de betrokkenen inkomensverlies. Meer nog,
iemand met een chronische ziekte of handicap, die nog heel wat zou willen en kunnen presteren,
wordt verhinderd zijn verminderde mogelijkheden te gebruiken. Naast het ziek zijn weegt dan ook het
gevoelen afgeschreven te zijn.
De Meyer
Zo’n wettelijk kader hoeft eigenlijk weinig te kosten want het huidig alternatief, het lesgeven opgeven
en in ziekteverlof geplaatst worden, kost ook geld zonder dat iets gepresteerd kan worden. De
groep die van zo’n stelsel gebruik zou kunnen maken, is wellicht niet zo groot. Voor hen maakt
zo’n wettelijk kader echter het wezenlijk verschil uit tussen nog kunnen werken of zijn werk verliezen.
Waarom voorziet de overheid in een Vlaams Fonds dat tussenkomt in de loonkost van zulke werknemers
in de privé-sector en voorziet ze niets gelijkaardigs voor het personeel van het onderwijs, noch
voor de vastbenoemden, noch voor de tijdelijken ?
Kan er niet geregeld worden dat zulke personeelsleden gebruik zouden kunnen maken van
verlof en/ of afwezigheidsstelsels, maar zonder dat zij minstens een halve opdracht moeten uitoefenen ?
Kunnen er geen maatregelen genomen worden zodat chronisch zieken en gehandicapten een opdracht
zouden kunnen opnemen in het onderwijs die nauw aansluit bij hun mogelijkheden, zodat inrichtende
machten die zulke personen aanwerven hierdoor geen nadeel ondervinden ? Integendeel,
deze maatregelen zouden zodanig moeten zijn dat inrichtende machten stimulansen krijgen om zulke
personen aan te werven.
Een mogelijkheid is dat zulke inrichtende machten extra uren voor leerkrachten krijgen of extra punten
voor ondersteunend personeel. Kan er eventueel een systeem op punt worden gesteld, naar analogie
met dat van de toelagen van het Vlaams Fonds, om chronisch zieke of gehandicapte personeelsleden
van het onderwijs een verminderde opdracht te geven zonder loonverlies ?
De voorzitter : De heer Suykens heeft het woord.
De heer Lucien Suykens : Mijnheer De Meyer, pleit u ervoor dat de inrichtende machten mensen
die ze op pensioen hebben gesteld, opnieuw in dienst nemen ?
De heer Jos De Meyer : Ik wil graag eens over uw vraag nadenken.
De voorzitter : De heer Ramon heeft het woord.
De heer Frans Ramon : Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, dit is bijvoorbeeld
ook een probleem voor jongere mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom, maar
wier toestand verbetert. Ze zijn al op pensioen gesteld en kunnen geen kant meer uit. Dat is een probleem.
Ik treed de vragen van de heer De Meyer dus bij, al heb ik er ook niet meteen een oplossing
voor.
De voorzitter :Minister Vanderpoorten heeft het woord.
Minister Marleen Vanderpoorten : Mijnheer de voorzitter, collega’s, personeelsleden die chronisch
of langdurig ziek zijn, kunnen inderdaad soms nog in staat zijn om arbeidsprestaties te leveren. In
sommige gevallen kunnen dat dezelfde prestaties zijn als voorheen, maar met een beperkter volume.
In vele gevallen echter kunnen zij niet meer dezelfde prestaties leveren, maar wel nog andere, minder
belastende prestaties. De vaststelling van die mogelijkheden, al dan niet definitief, behoort in het onderwijs
tot de bevoegdheid van de AGD, de arbeidsgeneeskundige dienst.
Als een vastbenoemd personeelslid niet meer geschikt wordt bevonden en zich in de stand ziekteverlof
bevindt, zal het bij de uitputting van zijn ziektedagen ambtshalve op pensioen worden gesteld.
Een personeelslid dat volgens een uitspraak van de AGD nog geschikt wordt bevonden voor
een andere functie in het onderwijs, kan ingeschakeld blijven in het arbeidscircuit als de inrichtende
macht een functie in het wettelijke kader kan vrijmaken of nog ter beschikking heeft.
Het personeelsbeleid in het onderwijs is strikt wettelijk georganiseerd, wat niet wegneemt dat er voor
deze groep van personeelsleden toch ook een aantal tewerkstellingsmogelijkheden zijn. De wetgeving
biedt de personeelsleden op sociaal vlak immers ook een aantal mogelijkheden.
U verwees naar het Vlaams Fonds dat een tegemoetkoming verstrekt voor de loonkost van zulke
werknemers in de privé-sector, en u vroeg waarom dat niet ook in het onderwijs zo is. De overheid
heeft in de wettelijke reglementering voor haar personeel voorzien in een ander systeem.Terwijl in
de privé-sector de werknemers na een maand ziekte
terugvallen op de bijdrage van de ziekteverzekering, blijft een personeelslid in het onderwijs zijn
volledig loon behouden tot op het ogenblik dat de ziektedagen, die hij heeft via de opbouw van sociale
anciënniteit in verhouding tot het aantal gepresteerde dagen, heeft uitgeput.
Vanderpoorten
Voor het antwoord op uw tweede vraag moet ik verwijzen naar de verlof- en afwezigheidsstelsels
die in het onderwijs gelden. Die vergen niet allemaal een minimumprestatie van een halve opdracht.
Het gebruikmaken van een verlofstelsel heeft uiteraard loonverlies tot gevolg. Een vastbenoemd
personeelslid behoudt echter zijn job, en blijft ook dienstanciënniteit verwerven die in aanmerking
komt voor zijn pensioenberekening. Dat is
een belangrijk onderscheid met werknemers in de privé-sector, waar dat voordeel niet bestaat.
De inrichtende machten zijn de rechtstreekse werkgevers van het onderwijspersoneel. Alleen zij
zijn bevoegd om het personeel anders en in een andere functie tewerk te stellen. Een andere opdracht
geven is echter niet zo eenvoudig. In het onderwijs is uit de aard van de dienstverlening weinig variatie
in het soort prestaties. De meeste opdrachten in het onderwijs houden in dat er les wordt gegeven
aan leerlingen. Andere pedagogische of administratieve taken zijn niet de kerntaak van de scholen.
Zeker voor een inrichtende macht is het niet evident aan het onderwijspersoneel een andere opdracht
te geven. Een inrichtende macht die enkel dagonderwijs inricht, kan geen opdracht geven aan
een personeelslid dat enkel nog geschikt wordt geacht voor het avondonderwijs. Maar ook over de
inrichtende machten heen is het moeilijk om op aanvaardbare afstand een geschikte opdracht te
vinden.
Een uitbreiding van deze organisatorische mogelijkheden is mogelijk door een uitbreiding van de
klasvrije opdrachten. Het personeelslid kan een andere opdracht krijgen, als het aan de voorwaarden
voor die nieuwe opdracht voldoet, onder andere de bekwaamheidsvereisten. Het personeelslid kan een
andere opdracht bij een andere inrichtende macht krijgen, maar verliest dan meestal de rechten bij de
oude werkgever.
Als de mogelijkheden er zijn, ondervinden de inrichtende machten geen nadeel door dergelijke
personen aan te werven. Er kunnen inderdaad zelfs stimulansen gegeven worden, mits er financiële
ruimte voor is en het gelijkheidsbeginsel hierdoor niet wordt geschonden.
Gezien de mogelijkheden die nu reeds in onderwijs aanwezig zijn, en gezien de positieve aspecten van
het statuut van het onderwijspersoneel in vergelijking met de positie van werknemers in de privésector,
sector, is het niet meteen noodzakelijk zo’n fonds of een vermindering van prestaties zonder loonverlies
mogelijk te maken. Ik zal met het oog op de aanmoediging van het tewerkstellen van mensen
met een handicap in het onderwijs nagaan welke extra stimulans kan worden gegeven aan de scholen
die deze mensen tewerkstellen.
De voorzitter : De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer : Mevrouw de voorzitter, dit antwoord is juridisch gezien volledig correct. Belangrijk
is echter wat u op het einde van uw antwoord hebt gezegd, namelijk dat er creatief wordt
gezocht naar een mogelijkheid om gehandicapten een klasvrije opdracht te geven en inrichtende
machten extra stimuli te geven om die mensen toch nog tewerk te stellen in een zinvolle opdracht die
overeenstemt met hun mogelijkheden. Zonder extra stimuli zal dat onvoldoende gebeuren. Het
gaat om een beperkt aantal mensen, maar de waarde van hun verdere leven wordt soms bepaald door
hun tewerkstellingskansen.
Minister Marleen Vanderpoorten : Ik geef nog een voorbeeld van hoe het kan : bij de hertekening van
het onderwijslandschap basisonderwijs is gepland dat wedertewerkgestelden buiten het kader kunnen
worden ingezet.
De voorzitter : Het incident is gesloten.
|