Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Sociale
Zaken en Pensioenen over «de steun aan patiënten die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS)» (nr. 2-893)
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het aantal CVS-patiënten in België
wordt geschat op 30.000. De jongste jaren maakte de minister met een reeks positieve maatregelen werk van een vernieuwend beleid voor
CVS-patiënten. Zo kunnen CVS-patiënten terecht bij een
CVS-referentiecentrum, kunnen ze genieten van de voordelen van de maximumfactuur en kunnen ze gebruik maken van de maatregel die erop
gericht is patiënten met een ziekte-uitkering meer kansen te geven op `toegelaten arbeid'.
CVS-patiënten en hun verenigingen wijzen echter op een reeks van praktische problemen waardoor veel mensen met CVS niet enkel in een
sociaal, maar ook in een financieel en economisch vacuüm dreigen te vallen.
Sinds 1 april van dit jaar wordt CVS als ziekte erkend door het RIZIV: bepaalde onderzoekingen en behandelingen voor CVS kunnen voortaan
terugbetaald worden. De erkenning liep gelijk met de opening van het eerste universitair referentiecentrum voor patiënten lijdend aan het CVS
te Pellenberg. Ook in Antwerpen en Gent werden centra opgestart en binnenkort komen er ook aan de UCL en aan de VUB. Het centrum van het
Academisch Ziekenhuis van de VUB zou uitsluitend kinderen en adolescenten met CVS beneden de 18 jaar behandelen. Met deze centra
sluit het Verzekeringscomité, dat is ingesteld bij de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, een
revalidatieovereenkomst waarbij vormen van biopsychosociale screening en een specifieke
interdisciplinaire revalidatie voor de daar behandelde CVS-patiënten ten laste worden genomen.
Om tot een centrum te worden toegelaten moeten patiënten aan een reeks criteria voldoen: minstens zes maand zonder aantoonbare reden vermoeid
zijn en lijden aan minstens vier van de volgende symptomen: keelpijn, gezwollen klieren, hoofdpijn, geheugen- en
concentratiestoornissen, gewrichtsklachten, spierpijn. Bovendien moeten de patiënten door hun
huisarts naar zo'n referentiecentrum worden doorverwezen via een
standaardverwijsformulier.
Het blijft een probleem dat er bij vele huisartsen nog altijd veel onbegrip voor CVS bestaat. Sommigen weigeren gewoon de diagnose CVS te
stellen, omdat zij er niet in geloven, terwijl de WGO criteria heeft opgesteld voor de diagnose van CVS en CVS nu ook in ons land officieel
als ziekte erkend is.
In een centrum kan een definitieve diagnose worden gesteld, eerst door een geneesheer-specialist interne geneeskunde en vervolgens door een
heel multidisciplinair team. Dit team doet dan ook voorstellen voor behandeling en revalidatie. Voor de groeiende groep van mensen waarbij
reeds jaren terug de CVS-diagnose gesteld werd, wordt op deze wijze echter te weinig soelaas geboden.
Zo'n 300 tot 400 patiënten zijn inmiddels doorverwezen naar het centrum in Pellenberg. Voor 50 patiënten werd reeds een revalidatieprogramma
uitgewerkt. De overigen staan op een wachtlijst. Voor een afspraak moet men nu al een vijftal maanden wachten. Verwacht wordt dat de
wachtlijsten snel langer zullen worden, zelfs na de opening van de nieuwe centra. Zelfs indien elk centrum jaarlijks een honderdtal
patiënten kan behandelen, zitten we nog met een groot tekort. Men kan immers onmogelijk de duizenden patiënten ineens in behandeling nemen.
Deze situatie roept een bijkomend probleem op. Immers, alléén patiënten die in een centrum worden behandeld, kunnen voor dit soort
onderzoekingen en behandelingen rekenen op een terugbetaling en vergoeding door het ziekenfonds. Blijven veel patiënten op die manier
niet in de kou staan?
Bovendien blijven er grote vragen bij de behandelingswijze die in de referentiecentra wordt toegepast. Men zweert er bij cognitieve
gedragstherapie en kinesitherapie.
We kunnen niet om de vaststelling heen dat er in de wetenschappelijke wereld en evenzeer in het milieu van de CVS-patiënten en hun
verenigingen verdeeldheid bestaat tussen twee scholen: de psychosociale school van Leuven, met als meest uitgesproken vertegenwoordiger
professor Van Houdenhove, en de fysisch-biologische school van Brussel met professor Kenny De Meirleir. Vele CVS-patiënten zijn ervan overtuigd
dat een `grotendeels psychologische aanpak' niet volstaat om de ziekte onder controle te krijgen.
In de commissie Milieu/Gezondheid van het Vlaams Parlement getuigde professor De Meirleir over de wisselwerking van infecties, stress en de
blootstelling aan schadelijke stoffen uit het leefmilieu, als oorzaak van de aanhoudende uitputting die typisch is voor CVS. Vooral in het
geval van blootstelling aan het houtverduurzamingsmiddel PCP was de band
onmiskenbaar.
Voor zover nu bekend, zou in geen enkel van de vijf referentiecentra de fysisch-biologische aanpak een reële kans krijgen, ondanks de zogenaamde
multidisciplinaire werkwijze die gevolgd wordt. Dat versterkt bij vele CVS-patiënten en hun verenigingen het idee dat hun probleem niet ernstig
wordt genomen, omdat hun ziekte als voornamelijk psychisch of zelfs als `ingebeeld' wordt afgedaan.
Bovendien ontstaat de indruk dat enkel patiënten met een lichte variant van CVS, de nieuwe patiënten dus die nog voor echte revalidatie in
aanmerking komen, toegelaten worden. De echt zware gevallen, of de langdurige patiënten die met een combinatie van oefeningen en
gedragstherapie niet kunnen worden geholpen, zouden aan hun lot worden overgelaten. Voor een groep langdurig zieken die bedlegerig zijn, rijst
een probleem om zich op eigen krachten naar die referentiecentra te begeven.
Deze discussie is geen marginaal gegeven dat beperkt zou blijven tot enkele patiënten of belangengroepen van patiënten in Vlaanderen. Ze
wordt wereldwijd gevoerd. Ook in Nederland bijvoorbeeld hebben de twee grootste organisaties die de belangen van CVS-patiënten verdedigen,
verzet aangetekend tegen het besluit van het College voor
Zorgverzekeringen om enkel cognitieve gedragstherapie voor CVS-patiënten bij de minister te adviseren. Dit kwam onlangs nog uitvoerig aan bod op
een groot colloquium in Utrecht.
We kunnen ons in elk geval afvragen of het verstandig is dat de overheid de kaart trekt van één enkele wetenschappelijke school. Enig pluralisme
inzake behandelingsmethoden zou hier moeten gelden, aangezien dé wetenschappelijke discussie rond dé oorzaak of oorzaken van CVS nog lang
niet beslecht lijkt.
Soortgelijke problemen rijzen in verband met de maximumfactuur. Er is immers discussie over een aantal geneesmiddelen die ontwikkeld zijn of
worden voor CVS. De ziekteverzekering betaalt deze experimentele middelen niet terug, zodat de kosten voor deze middelen geheel buiten de
regeling van de maximumfactuur vallen. Hetzelfde probleem geldt voor de erkenning van onderzoeken en behandelwijzen. De nieuwe tegemoetkomingen
voor CVS-patiënten staan rechtstreeks in verband met de therapie van de referentiecentra, namelijk de verzorging in de referentiecentra zelf of
de voortgezette oefentherapie, tot 60 kinesitherapeutische zittingen per jaar met hoogste terugbetaling, waarvoor het centrum een attest moet
geven.
Het grootste probleem blijft natuurlijk bij de controleartsen die moeten oordelen over de arbeidsongeschiktheid van CVS-patiënten. Gelet op het
onbegrip dat bij een deel van de medische wereld nog leeft rond CVS, kan worden gevreesd dat de beslissingen dikwijls arbitrair zullen worden
genomen. CVS-patiënten moeten hun gelijk soms afdwingen voor de
arbeidsrechtbank. Van de beloofde CVS-opleiding voor controleartsen is er blijkbaar nog geen sprake.
In Nederland is via het zogenaamde `Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten' sinds juli 2000 een nieuwe algemene regel
van bestuur van kracht waarbij het feit dat geen oorzaak van gezondheidsklachten gevonden wordt, geen reden kan zijn om iemands
aanvraag voor een WAO-uitkering af te wijzen. In zo'n geval moet de keuringsarts juist extra zorgvuldig onderzoek doen om de klachten te
objectiveren en de beperkingen en stoornissen vast te stellen.
Dat CVS-patiënten met een ziekte-uitkering toch nog toegelaten arbeid kunnen verrichten, is een goede zaak. Voor vele CVS-patiënten is het
immers van groot belang dat ze partieel actief kunnen blijven. Maar ook hier is het begrip van de adviserende geneesheer doorslaggevend.
Hoe ver staat het nu met de werking van de referentiecentra? Wanneer zullen de nu geplande centra echt actief zijn? Volstaat het budget van
1,5 miljoen euro dat u heeft vrijgemaakt? Hoeveel CVS-patiënten worden er behandeld? Hoeveel patiënten zijn al ingeschreven op eventuele
wachtlijsten? Welke planning wordt vooropgesteld om voor alle CVS-patiënten in een aangepaste opvang en behandeling te voorzien?
Op hoeveel schatten uw diensten het aantal CVS-patiënten in België, in Vlaanderen, in Brussel en in Wallonië? Hoeveel CVS-patiënten krijgen
gedurende een langere periode een uitkering van de ziekteverzekering op basis van arbeidsongeschiktheid en hoe hoog zijn die uitkeringen
gemiddeld? Bent u voorstander van een verdere objectivering van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid naar Nederlands model?
Welke stappen worden er gezet door de diensten van het RIZIV om geneesmiddelen, onderzoeken en behandelwijzen specifiek voor CVS nader
te screenen en te oordelen over hun werkzaamheid en veiligheid en de opportuniteit van terugbetaling? In welke mate wordt daarbij rekening
gehouden met bestaande wetenschappelijke onzekerheden of zelfs meningsverschillen?
Heeft de minister er enig idee van hoeveel mensen met CVS deeltijds terug aan het werk kunnen met behoud van een deel van hun
ziekte-uitkering en dat met voorafgaande toestemming van hun adviserend arts?
In Nederland berekende het Economisch en Sociaal Instituut van de VU Amsterdam dat de ziekte CVS de Nederlandse samenleving jaarlijks tussen
de 560 en 1,34 miljoen gulden kost, voornamelijk door het wegvallen uit de productie. Werden soortgelijke berekeningen reeds gemaakt voor de
Belgische economie? Zo nee, is daar geen nood aan? Is er enig zicht op de kosten voor de sociale zekerheid?
Op welke wijze wordt het overleg met alle CVS-patiëntenverenigingen verder georganiseerd?
De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. -
Op de uitgebreide vraag van de heer Malcorps heb ik een uitgebreid antwoord.
Sta me toe bij zijn inleidende tekst enkele opmerkingen te maken. De schatting van 30.000 CVS patiënten is nieuw voor mij. Tot nu toe werd
het getal van 15.000 tot 20.000 gehanteerd. Mogelijk is het cijfer gebaseerd op een recente schatting in Nederland. De schattingen over de
prevalentie van CVS lopen in de meeste landen uiteen. De vraag rijst of
het kennen van een exact aantal erg relevant is. Het is duidelijk dat een belangrijke groep mensen door dit syndroom wordt getroffen.
Wat de opmerking over de huisartsen betreft, hoor ik ook heel wat andere echo's. Veel huisartsen zijn verheugd dat ze hun patiënt waarbij ze CVS
vermoeden, voor een diagnostische afstelling en het voorstellen van een therapieplan verder kunnen verwijzen. Het hanteren van een
standaardverwijsformulier, waarbij de huisarts ook kan oordelen over het al dan niet aanwezig zijn van de anamnestische criteria van CVS, leidt
tot een veel adequater verwijspatroon, in die zin dat patiënten die niet aan de criteria van CVS voldoen of die omwille van een onderliggende
somatische of psychiatrische aandoening beantwoorden aan een exclusiecriterium, al door de huisarts hierop gewezen kunnen worden. In
de opvang van patiënten met chronische vermoeidheidsklachten moet de huisarts de centrale plaats innemen, hetgeen ook expliciet is opgenomen
in de RIZIV-conventie voor CVS.
Het is als minister van Sociale Zaken niet mijn taak om me uit te spreken in de wetenschappelijke discussie hoe patiënten met CVS best
kunnen worden behandeld. De zogenaamde scholenstrijd die u aanhaalt, lijkt me in dit verband achterhaald en zeker voor de patiënten totaal
contraproductief. Er is maar één vraag belangrijk in dit verband: voor welke behandelingen bestaan er op het ogenblik voldoende
wetenschappelijke bewijzen die geleverd worden door gerandomiseerde klinische studies van hoge kwaliteit? Het is in dit verband interessant
om enkele systematische reviews en internationale rapporten op een rijtje te zetten. Ik stel voor dat ik dit overzicht van internationale
rapporten die zeer genuanceerd zijn over de verschillende soorten behandeling, niet voorlees, maar de tekst bezorg.
Er bestaan grote vragen over het chronisch vermoeidheidssyndroom waarbij, althans volgens wat experts mij vertellen en volgens de
beschikbare wetenschappelijke informatie, er op het ogenblik geen enkele behandeling genezend is, maar er blijkbaar wel een aantal
behandelingsvormen zijn die op basis van meerdere klinische studies de moeite zijn om te proberen met ten doel de revalidatie van de patiënten.
Het college van geneesheren-directeurs van het RIZIV heeft zich bij het ontwerp van de conventie van de CVS-referentiecentra laten leiden door
een rapport van de Belgische Hoge Gezondheidsraad en de op dat ogenblik voorhanden zijnde wetenschappelijke publicaties. Samen met het opstarten
van de referentiecentra is er ook een Akkoordraad opgericht waarin, naast vertegenwoordigers van het college, meerdere CVS-experts van
verschillende disciplines aanwezig zijn, met juist de bedoeling om eventuele nieuwe wetenschappelijke inzichten op te volgen. Er zijn het
afgelopen jaar een aantal nieuwe wetenschappelijke rapporten verschenen en ik verneem dat momenteel ook in de Nederlandse Hoge Gezondheidsraad
een rapport wordt voorbereid. Ik heb niet de indruk dat de wetenschappelijke inzichten zoals gehanteerd door het college in
tegenspraak zijn met de internationale rapporten. Mocht echter worden gemeend dat er wel degelijk
wetenschappelijk hardgemaakte nieuwe inzichten zijn die een ander standpunt vanwege de Hoge Gezondheidsraad
en het college zouden verantwoorden, dan zal ik niet aarzelen om, samen met de minister van Volksgezondheid, deze instanties te vragen om de
inzichten te bestuderen en een advies terzake uit te brengen.
Ik wil de vraagsteller dus duidelijk corrigeren: de overheid trekt geenszins de kaart voor een of andere school, wel voor een benadering
die zoveel mogelijk en in de mate van het mogelijke wetenschappelijk ondersteund is. Ik heb op zich geen problemen met het pleidooi voor een
zeker pluralisme inzake behandelingsmethodes, vooropgesteld dat hierbij gerefereerd wordt aan methodes, waaromtrent een aantal klinische studies
van hoge kwaliteit zijn, die bij een deel van de patiëntenpopulatie een positief resultaat gaven en geen schade berokkende. Het is mij
onduidelijk over welke producten de heer Malcorps het heeft als hij spreekt over de terugbetaling van medicamenten die ontwikkeld zijn of
worden voor CVS.
Er zijn twee mogelijkheden. Ofwel gaat het om geneesmiddelen waarvan de doeltreffendheid door middel van gerandomiseerde klinische studies is
bewezen en dan veronderstel ik dat de betrokken producent een aanvraag tot terugbetaling, Europees of in België, zou indienen. Zoals u weet,
heb ik er in het kader van het vernieuwd geneesmiddelenbeleid voor gezorgd dat een volledig dossier van een nieuw geneesmiddel binnen de
180 dagen behandeld wordt. Volgens mijn informatie is er zo geen enkel dossier voor een CVS-geneesmiddel ingediend bij de Commissie voor
Terugbetaling van Geneesmiddelen. Ofwel gaat het over wetenschappelijk onderzoek naar de werking van een nieuw experimenteel middel. Voor
onderzoek naar en ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel komt de ziekteverzekering inderdaad niet tussen. Dergelijk onderzoek wordt
gefinancierd door de geneesmiddelenproducent. In het geval een CVS-patiënt aan wetenschappelijk onderzoek deelneemt moet hij omstandig
worden ingelicht over de studie, moet hij op de hoogte zijn van de mogelijke risico's en nevenwerkingen van de behandeling en vervolgens
toestemming geven. Het is ethisch onaanvaardbaar dat een patiënt zelf zwaar moet betalen voor deelname aan een experiment! De
geneesmiddelenindustrie, ook in België, verwijst hierbij naar haar
deontologische code.
Het is ook mogelijk dat u verwijst naar een aantal commerciële producten die voor grof geld aan patiënten met CVS worden verkocht, het internet
staat er vol van trouwens, met de belofte dat het mirakelmiddel hen zal genezen en dit zonder dat de werkzaamheid en, misschien nog erger, de
veiligheid ervan is aangetoond.
Inzake arbeidsongeschiktheid bij CVS is en blijft het ongetwijfeld vaak moeilijk voor een controlearts om hierover te oordelen. Medische
verslagen van deskundigen, bijvoorbeeld uit een referentiecentrum, kunnen hierbij een hulpmiddel vormen. Ik moet hier wel onmiddellijk aan
toevoegen dat er voor die beoordeling op zich geen onderliggende ziekte of oorzaak moet gevonden worden en dat daarvoor zeker geen `erkenning'
van CVS door het RIZIV nodig is, hetgeen dikwijls tot misverstanden leidt. Met de oprichting van de
CVS-referentiecentra is er dus wel vanuit de overheid en het RIZIV toenemende aandacht voor de problematiek
van CVS, maar het is niet aan het RIZIV om een ziekte te `erkennen'. Dat is volgens mij nog altijd op de eerste plaats de verantwoordelijkheid
van de medische wereld.
Op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat het RIZIV een kandidatuur heeft ontvangen van de volgende vijf centra: UZ Gent, AZ VUB voor kinderen, UZ
Leuven, UZ Antwerpen en de ziekenhuizen van de UCL. Voor de eerste vier werd inmiddels de
revalidatieovereenkomst goedgekeurd door het Verzekeringscomité. Deze centra zijn ondertussen ook allemaal
operationeel. Voor de UCL verneem ik dat het enige tijd heeft gekost voordat aan de administratieve vereisten die opgenomen zijn in de
overeenkomst, voldaan was, maar dat ook die overeenkomst nu binnenkort ter goedkeuring aan het Verzekeringscomité voorgelegd zal worden.
Vermits het merendeel van de centra hooguit enkele maanden geleden gestart is, is het nog te vroeg om op uw andere punten al precies te
kunnen antwoorden. Inhoudelijk is het College van geneesheren-directeurs verantwoordelijk voor de revalidatieovereenkomsten met de
referentiecentra, maar bij de ontwikkeling van het concept heb ik er wel op toegezien dat dit gepaard ging met een verplichte rigoureuze
registratie van de symptomen, van de resultaten van onderzoeken en van de behandeling bij elke patiënt. Dit impliceert dat de toestand van de
patiënt wordt opgevolgd op basis van meerdere gevalideerde
registratieinstrumenten. Het RIZIV ziet nauwgezet toe op deze verplichting tot registratie. Na één jaar werking zal een eerste analyse
van de werking en vooral van de resultaten van de centra mogelijk zijn.
Daaruit zal moeten blijken of de organisatie van referentiecentra voor CVS zinvol is. Er kan dan geëvalueerd worden bij hoeveel patiënten de
revalidatie een gunstig effect heeft op de symptomen, op de levenskwaliteit en hopelijk ook op de sociale en professionele
reïntegratie van vaak jonge mensen. Op basis van die evaluatie kan dan beoordeeld worden of een verdere uitbreiding en dus ook een bijkomende
investering van overheidsmiddelen gerechtvaardigd is.
De wachtlijsten wijzen ten dele op de reële nood aan diagnose en therapie voor patiënten waar CVS vermoed wordt. In de eerste maanden van
de opstart is dat ongetwijfeld ook te wijten aan het feit dat er tot vóór de zomer nog maar één referentiecentrum aan de vereisten inzake
multidisciplinaire bestaffing en organisatie voldeed en een overeenkomst met het RIZIV kon afsluiten. Nu ook de andere centra eindelijk uit de
startblokken komen, zal de belasting van de centra gelijkmatiger worden.
Ik verneem ook dat men de in de maanden vóór de start gevolgde patiënten met CVS even heeft laten wachten om ze dan desgevallend in de conventie
te kunnen insluiten, hetgeen ook tot een vertraging zal geleid hebben voor nieuwe CVS-patiënten.
Wat uw tweede vraag betreft, kan ik u meedelen dat in het RIZIV rekening werd gehouden met het rapport van de Hoge Gezondheidsraad en met
internationale wetenschappelijke publicaties waaruit blijkt dat het totale aantal CVS-patiënten in België 15.000 tot 20.000 bedraagt. Een
deel van deze patiënten lijdt reeds langer aan CVS en heeft in het verleden reeds aan een revalidatie deelgenomen. De meeste centra waren
immers al met CVS bezig voor de invoering van de conventie. Bij een ander deel van de patiënten zal de diagnose CVS nooit gesteld worden,
maar zal men, omwille van de grote overlapping in klachtenpatroon met andere syndromen, het misschien ook anders noemen. Wat betreft het
aantal patiënten met CVS dat een uitkering krijgt, heb ik aan de bevoegde diensten van het RIZIV gevraagd om in overleg met de
mutualiteiten te onderzoeken of op deze vraag kan worden geantwoord. Op dit moment worden geen statistieken bijgehouden van de precieze
aandoeningen van de betrokken arbeidsongeschikten. De statistieken die voorhanden zijn, beperken zich tot een opsplitsing in enkele van de
belangrijkste gekende ziektegroepen. Het is evident dat ik voorstander ben van een zo objectief mogelijke beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid en ik meen zelfs dat de controlerende instanties zoals het RIZIV en de mutualiteiten daaromtrent vragende partij zijn,
maar de vraag rijst welk instrument bovenop de reeds gehanteerde schalen hiertoe specifiek voor CVS dan wel zou moeten gebruikt worden.
Uw derde vraag heb ik ook reeds ten dele beantwoord. Net zoals voor andere geneesmiddelen moet men ook voor eventuele geneesmiddelen voor
CVS de nodige bewijzen voorleggen over hun werkzaamheid en veiligheid en kan dan pas over de opportuniteit van terugbetaling beslist worden. Ik
zie geen enkele reden waarom voor CVS een uitzondering gemaakt zou moeten worden. Voor andere aandoeningen zoals hart- en vaatziekten en
kanker, met een belangrijke impact op het vlak van morbiditeit en mortaliteit, staat het al lang niet meer ter discussie dat men moet
beschikken over de nodige klinische studies en gezondheidseconomische analyse, zeker voor klasse 1 geneesmiddelen. Gezien het grote aantal
patiënten dat lijdt aan deze chronische aandoening en vermits CVS niet als een acute levensbedreigende aandoening beschouwd kan worden, moet
het voor de farmacoloog die het geneesmiddel test, toch relatief eenvoudig zijn om de werkzaamheid en veiligheid te bewijzen. Ik zie dus
geen enkele reden waarom voor patiënten met CVS de doeltreffendheid en veiligheid van een eventueel nieuw geneesmiddel niet bewezen zou moeten
zijn. Integendeel, ik denk dat deze patiëntengroep mogelijk beschermd moet worden tegen bepaalde malafide praktijken die de patiënt valse hoop
bieden, hem bepaalde risico's doet lopen en hem de kans op een goede diagnosestelling en zo deskundig mogelijke begeleiding ontneemt. Een
aparte behandeling voor eventuele CVS-geneesmiddelen zou ook niet rechtvaardig zijn ten opzichte van andere mensen met een acute of
chronische ziekte waarvoor een nieuw geneesmiddel ontwikkeld is.
Wat de vierde vraag betreft, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2, waarbij ik er nog kan aan toevoegen dat mijn hervorming van de
`toegelaten arbeid' op dit moment grondig wordt bestudeerd door de diensten van het RIZIV en de ziekenfondsen en dit met het oog op een
evaluatie in de loop van het voorjaar van 2003.
De vijfde vraag bevat een interessante suggestie. Het lijkt me inderdaad zinvol dat hierover in de toekomst ook in België meer onderzoek zou
plaatsvinden. Hierbij kan rekening gehouden worden met de schattingen van andere landen zoals Nederland en het Verenigd Koninkrijk.
Wat de laatste vraag betreft, kan ik meedelen dat de nog bestaande verenigingen van patiënten met CVS zoals voorheen altijd welkom zijn op
mijn kabinet en de bevoegde instanties bij het RIZIV. Mijn medewerkers hebben recent nog contact gehad met de CVS/ME-vereniging van mevrouw
Vertommen.
Ik wens tot slot meedelen dat ik bijzonder bekommerd blijf over de weerslag die een chronische aandoening zoals het CVS heeft op de
levenskwaliteit en de mogelijkheid tot deelname aan normale sociale activiteiten. De beschikbare middelen van de ziekteverzekering moeten zo
doelmatig mogelijk worden besteed. Hierin staat België niet alleen. Het merendeel van de Westerse landen wordt met dit probleem geconfronteerd.
Ik heb de vraag en mijn antwoord ook ter informatie aan collega Tavernier, minister van Volksgezondheid, bezorgd. Ik verwacht alleszins
dat de referentiecentra en de bevoegde instanties binnen Volksgezondheid en het RIZIV de wetenschappelijke evolutie op de voet verder opvolgen en
het publiek en de artsen op de hoogte houden.
De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik suggereerde niet dat de minister
slecht bezig is. Hij heeft een echt beleid rond CVS opgestart, wat door de patiënten en de patiëntenverenigingen wordt gewaardeerd. Aangezien
het om veel patiënten gaat, moeten we afwachten hoe de wachtlijsten zullen evolueren.
Ik vraag geen voorkeurbehandeling. Alle behandelingswijzen en geneesmiddelen moeten aan een volwaardige screening worden onderworpen.
Ik heb echter de indruk dat bepaalde groepen die op een zeer onbaatzuchtige wijze met dit probleem bezig zijn, te weinig kansen
krijgen.
-Het incident is gesloten.
|