In dit verslag wordt een onderscheid gemaakt tussen:
- Therapeutische modaliteiten waarvan de effecten via gecontroleerde
outcome-studie's in internationale wetenschappelijke vakbladen zijn gepubliceerd, en
- therapeutische aanbevelingen die de deelnemers van de werkgroep menen te kunnen formuleren op basis van hun eigen klinische ervaring,
en waarover een consensus kon worden bereikt.
1. WETENSCHAPPELIJKE BEVINDINGEN
De volgende strategieën werden tot nog toe ondersteund door gecontroleerd onderzoek:
- behandeling met essentiele vetzuren (efamol) (Behan et al, 1990);
- behandeling met magnesium (Cox et al, 1991);
- behandeling met ampligen (Strayer et al, 1994);
- cognitieve gedragstherapie (Sharpe et al, 1996; Deale et al, 1997, Chalder et al, 1997);
- progressieve fysieke revalidatie (Fulcher & White, 1997; Wearden et al, 1998);
- behandeling met hydrocortisone (Cleare et at 1999);
- behandeling met antidepressiva (Wearden et al, 1998).
Bemerkingen:
- in sommige studies waren de proefpersonen niet gerandomiseerd (o.m. de ampligen-studie van Strayer et al, 1994);
- de studies van Sharpe et al (1996) en Deale et al (1997) over cognitieve gedragstherapie, en de studie van Fulcher & White (1997)
en Wearden et al (1998) over fysieke revalidatie waren wel gerandomiseerd;
- geen enkele van de genoemde studies kan uitsluitsel geven over positieve
lange-termijn-effecten;
- m.b.t. cognitieve gedragstherapie, cortisonebehandeling en behandeling met antidepressiva werden ook negatieve resultaten
behaald in gecontroleerde studies Lloyd et al, 1993; Mckenzie et al, 1998; Vercoulen et al, 1996);
- m.b.t. fibromyalgie werden zowel positieve als negatieve resultaten behaald met cognitieve gedragstherapie (Goldenberg et al, 1994;
Vlaeyen et al, 1996); progressieve fysieke revalidatie (Wigers et al, 1996; Burckhardt et al, 1994); en antidepressiva
(Goldenberg et al, 1996; Norregaard et al, 1995).
2. THERAPEUTISCHE AANBEVELINGEN
- Er dient niet gewacht te worden op een beter begrijpen van van de
pathofysiologie van CVS, noch op de precieze aflijning van mogelijke subgroepen, noch op de resultaten van verdere therapeutische trials
om nu reeds daadwerkelijke hulp te bieden aan de getroffen patiënten.
- Deze hulp is op dit moment het beste realiseerbaar als de CVS patiënt
vanuit een breed biopsychosociaal perspectief wordt benaderd, de hulpverlening pluridisciplinair wordt georganiseerd, en de
doelstellingen op realistische wijze worden aangepast aan de mogelijkheden en beperkingen van elke
patiënt.
- Volgens de actueel geldende regels van "evidence base medicine" kan een therapie pas als effectief worden beschouwd wanneer minimum twee
gerandomiseerde klinische trials positief zijn uitgevallen; dit is op dit moment (januari 2000) enkel het geval voor cognitieve
gedragstherapie en fysieke revalidatie.
- Naast de hogergenoemde therapeutische strategieën met bewezen (korte-tot middellange termijn) effectiviteit, zijn er een aantal
behandelingsmethoden die in de klinische praktijk waardevol zijn gebleken: psycho-educatie; behandeling van psychiatrische
comorbiditeit (o.m. via antidepressiva); en diverse andere vormen van verbale en non-verbale psychotherapie (al dan niet gecombineerd in een puridisciplinair behandelingspakket).
- De huisarts is de aangewezen hulpverlener voor patiënten die - bv. na een doorgemaakte virale infectie - in een subchronisch stadium
verkeren. Via een adequaat somatisch onderzoek, een korte psychosociale screening
(bv. om dysfunctionele attributies, inadequate coping of dreigende psychiatrische verwikkelingen op te
sporen), nuttige informatie en advies (o.m. rond het belang van progressief heropnemen van activiteit) kan het risico op een chronische evolutie worden beperkt.
- Patiënten met persisterende vermoeidheids- en pijnklachten die gepaard gaan met uitgesproken psychiatrische comorbiditeit, of
kaderen in een ernstige psychotraumatische voorgeschiedenis of persoonlijkheidsproblematiek dienen gemotiveerd te worden om
psychiatrische hulp te zoeken.
- Patiënten die zijn vastgeraakt in fysieke en psychosociale "neerwaartse spiralen" met ernstige invalidering en chronisch
ziektegedrag als gevolg (bv. door chronische slaapstoornissen, secundaire depressie en angst, voortschrijdende fysieke
deconditionering, professionele en medicolegale complicaties...) kunnen geholpen worden in een gespecialiseerd centrum waar een
pluridisciplinaire benadering kan worden toegepast.
- Het medisch corps en de media dienen op de hoogte te worden gebracht
van de hogerbeschreven therapeutische mogelijkheden en beperkingen; uitspraken of suggesties m.b.t. een "catastrofische" prognose van
CVS kunnen patiënten veel schade berokkenen en dienen te worden vermeden.
- Er dient meer aandacht te worden besteed aan de preventie van CVS, zowel bij volwassenen als bij kinderen (o.m. op
het vak van chronische slaapstoornissen); hiertoe is adequate voorlichting en
bijscholing van huisartsen noodzakelijk.
- De Sociale Zekerheid dient voldoende financiële middelen te voorzien
voor centra die zich specializeren in de hogerbeschreven, revalidatiegerichte therapeutische
strategieën; bovendien zouden "incentives" moeten worden voorzien voor
CVS-patiënten die bereid zijn zich hierin te engageren.
REFERENTIES
Wessely S. Hotopf M, Shame M. Chronic Fatigue and its Syndromes.
Oxford University Press, Oxford, 1998.
Barsky AJ, Borus JF. Functional somatic syndromes.
Annals of Internal Medicine, 1999; 130: 910-921.
Neerinckx E. Multidimensional Analysis of Chronic Fatigue and Fibromyalgia Syndrome. PhD Thesis. Faculteit Lichamelijke Opleiding
en Kinesitherapie, KU Leuven, 1999.
B. Van Houdenhove (verslaggever)
verslag betreffende de consensus van de
subgroepen, "therapie" en " Diagnose"
aanbeveling
betreffende de medisch-Sociale, economische en juridische aspecten
Syntheseverslag
van de werkgroep "therapie"
Dr. ir. L. J. Lambrecht t.a.v.: Secretariaat Hoge Gezondheidsraad
- Onderafdeling 1 -2
"Psycho-sociale aspecten van ziekten"
|