4. Gezondheidsproblemen beïnvloed door milieu-factoren
4.1. Allergieën en astma
- Hoorzitting met prof. Wim Stevens, faculteit Geneeskunde, laboratorium
immunologie, UA, en met prof. Paul Vermeire, faculteit Geneeskunde, laboratorium
pneumologie, UA (hoorzitting van 12 februari 2001)
Prof. Wim Stevens: Het sick building syndrome (SBS) heeft multipele oorzaken, net zoals het chronic fatigue syndrome. Men moet er in elk geval
op toezien grote ruimten waarin de privacy verloren gaat, te vermijden. Ook moet men voldoende lang wachten vooraleer een recent geverfde en
geïnstalleerde ruimte in gebruik te nemen: er mogen geen dampen meer
vrijkomen. Daarmee vermijdt men al de meeste problemen. Tegelijk zijn er ook
psychologische effecten, zelfs bij een organische aandoening door airconditioning. Als men met vragen daarover naar de gebruikers van een
gebouw gaat, krijgt men gegarandeerd 90 percent klachten, die men niet zou hebben als men het probleem niet kende. Als men met dergelijke vragen naar
een gebouw gaat, induceert men dus ook ziekte. Architecten moeten weten dat zij in de eerste plaats bepaalde architectonische
maatregelen moeten nemen. Die zijn in de tekst terug te vinden.
(...)
Hoorzitting met de heer Willem Dhooge, dienst Endocrinologie, UGent, met prof. Marc Boogaerts, dienst Hematologie, UZ Gasthuisberg, KU Leuven, en met
prof. Marc De Broe, dienst Nierziekten, UZA (hoorzitting van 19 februari 2001)
De heer Felix Strackx: Ik heb de indruk dat het Epstein-Bar-virus vaker voorkomt dan vroeger. Is er een verband met het stijgend aantal gevallen van
chronische vermoeidheid of bloedkanker? Komt het virus inderdaad meer voor of is het besmettelijker geworden?
Prof. Marc Boogaerts: De incidentie van het virus is de voorbije tien jaar
niet veranderd. Zestig percent van alle binnenkomende patiënten op de afdeling hematologie hebben antistoffen in hun lichaam.
Dat cijfer is de voorbije twintig jaar niet echt gestegen. Het tijdstip waaraan we aan het
virus worden blootgesteld, is wel veranderd. Het werd altijd geassocieerd met de kissing disease waarvan we vaak uitbarstingen merkten onder
universiteitsstudenten.
Vanuit de beschermde wereld van het college kwamen ze in een universiteitsstad terecht waar de ziekte door nauw persoonlijk contact werd
verspreid. Het kan zijn dat we nu anders reageren op het virus omdat we er op latere leeftijd mee geconfronteerd worden en omdat onze immuniteit lang
niet meer getraind wordt als vroeger. We worden overbeschermd. Het virus veroorzaakt wellicht onrechtstreeks lymfomen.
De invloed van virussen op het ontstaan van leukemie blijkt uit een aantal andere onderzoeken. Bij de kernreactor van Sellafield, een nieuwe
installatie, stelde men een groot aantal leukemiegevallen bij omwonende kinderen vast. Eerst dacht men dat dit iets te maken had met
radioactiviteit. De vaders die in de centrale werkten, zouden in deze hypothese hun kinderen besmetten. Deze hypothese is weerlegd. Het gaat over
een nieuwe kernreactor, die ingeplant is in een dunbevolkt gebied. Om voldoende werkkrachten te hebben, heeft men mensen aangetrokken uit andere
streken in Engeland en Europa. De kinderen kwamen in een grote gemengde groep terecht, met allerlei nieuwe infectieuze invloeden, waardoor hun
immuunsysteem ontspoorde.
Ik ken onvoldoende over het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ik weet alleen dat het een moeilijk en ingewikkeld probleem is.
(...)
4.3. Zware metalen en het chronische vermoeidheidssyndroom
- Hoorzitting met prof. Kenny De Meirleir, Menselijke Fysiologie, VUB
(hoorzitting van 5 maart 2001)
Prof. Kenny De Meirleir: Toen ik mij in 1990 begon te concentreren op het
chronische vermoeidheidssyndroom, schatte ik de incidentie op ongeveer 13.000 patiënten of 1,3 per duizend mensen. Nu is dat cijfer opgelopen tot 4
per duizend, wat overeenkomt met 30.000 tot 40.000 mensen. Die toename is heus niet alleen het gevolg van een betere registratie.
Wat is het chronische vermoeidheidssyndroom precies? Het is een aandoening met vermoeidheid als hoofdsymptoom. Daarnaast merken we dat de patiënten
slecht recupereren na een minimale inspanning en dat ze minstens de helft van hun fysieke en intellectuele capaciteiten verliezen. Daarnaast zijn er
nog een aantal organische en psychiatrische symptomen. In 1998 en 1994 is een definitie verschenen in gerenommeerde Amerikaanse tijdschriften, telkens
gesubsidieerd door het Centre for Disease Control uit Atlanta. Naast de al genoemde symptomen, heeft men het ook over: zware
concentratiestoornis, pijnlijke of gezwollen lymfeklieren, spier-, keel-,
gewrichts-, en hoofdpijn. We merken eveneens dat de slaap onvoldoende recupereert en dat
patiënten na een korte en intensieve inspanning vaak een week het bed moeten
houden. Een disproportionele situatie.
De heer Komaroff van de Harvard Medical School heeft in 1992 gesuggereerd dat er vijf factoren zijn die het immuunsysteem verstoren en zo slapende
virussen wakker maken. Toxines, allergieën, stress, lymofotrope virussen en
chronische stoornissen van psychiatrische aard activeren het immuunsysteem waardoor bepaalde symptomen de kop opsteken.
Het model van Komaroff was het eerste, maar het verklaart niet waarom de situatie na verloop
van tijd niet terug normaal wordt.
In een poging te beschrijven wat er zich precies in de patiënten afspeelt, hebben we een subgroep ontdekt. We ontdekten bij een tiental families met
minstens twee patiënten dat iemand blootgesteld was aan pentachlorophenol (PCP). Al deze mensen leden vijftien tot twintig jaar later aan het
chronische vermoeidheidssyndroom. Na een PCP-intoxicatie merken we veranderingen in het immuunsysteem waardoor de kans op infectie vergroot. Er
is dus een relatie tussen toxines en het chronische vermoeidheidssyndroom.
Er zijn al verschillende publicaties waarin wordt aangetoond dat zink, cadmium, chroom, lood, kwik en nikkel ervoor zorgen dat het immuunsysteem
wordt aangetast waardoor infecties niet meer geëlimineerd worden. In een familie die gebouwd heeft op een plaats waar voorheen arsenicum werd
gestort, merken we dat het immuunsysteem op een vergelijkbare manier aangetast is. Proeven met dieren hebben dat ook al aangetoond.
Vervolgens moet het verband tussen het chronische vermoeidheidssyndroom en opportunistische infecties aangetoond worden. Bij een groep van 272
patiënten hebben we de incidentie van chronische mycoplasma-infecties nagegaan en die bedroeg 68,7 percent. Bij twee controlegroepen bedroeg die
incidentie minder dan 10 percent.
We vinden alle soorten infecties. Bij sommige mensen komen zelfs twee of drie infecties voor en bij 17 percent vinden we multipele infecties. Er zijn
7 zogenaamde beginfactoren die aanleiding kunnen geven tot het chronische vermoeidheidssyndroom, met name
zwangerschap, een aantal isotrope virussen, langdurige stress, overmatige fysieke activiteit, allerlei infecties,
transfusies, allergische reacties en zware metalen, fosfaten en PCB's. Die factoren laten het immuunsysteem eveneens slechter functioneren.
Eens er een cellulaire dysfunctie is, treden er infecties op die een afwijking in het immuunsysteem vastzetten en het onmogelijk maken om tot de
normale toestand terug te keren. Er ontstaan een aantal afwijkingen die aanleiding geven tot de symptomen van het chronische vermoeidheidssyndroom
zodat er nog meer infecties optreden en er een grotere kans op kanker ontstaat. Een langdurige aandoening van het chronische
vermoeidheidssyndroom zal leiden tot een incidentie van kanker die vijfmaal hoger is dan normaal.
Stuk 740 (2000-2001) Nr. 1 Bijlage 59
Het is dus mogelijk om indirect chemische stoffen in verband te brengen met kanker, met name door stoornissen in het immuunsysteem waarbij P53 (de
beschermende factor tegen kanker) verdwijnt. Als men een of meerdere factoren heeft en een infectie krijgt die men niet kwijtraakt, komt men in
een vicieuze cirkel terecht die men zeer moeilijk kan doorbreken. In de Lake
Tahoe epidemie van 1984, waarbij 9 percent van de mensen het chronische vermoeidheidssyndroom ontwikkelt na infecties, is de incidentie van kanker
hoger dan normaal. Bepaalde lymfotrope en hersenkankers komen tot een miljoen keer meer voor bij de Amerikaanse populatie. Er is een grote
statistische verandering. Dat wil zeggen dat er welbepaalde kankers kunnen ontstaan en die gaat men relateren aan veranderingen in het immuunsysteem.
Het chronische vermoeidheidssyndroom kan dus verklaard worden. Een van de inducerende factoren kan in het milieu gevonden worden.
De heer Jan Van Duppen: De caspaseactiviteit verhoogt waardoor de apoptose
stijgt. Hoe werkt dat?
Prof. Kenny De Meirleir: Caspasen en calpaine worden geïnduceerd door
cellulaire stress die leidt naar apoptose. Door een intracellulaire stoornis
is er meer calciuminflux. Calcium zal calpaine verder activeren, waardoor sommige caspasen geïnhibeerd worden en dus apoptose blokkeren. Binnen de
cel-eiwitten die door die enzymen gesplitst worden, is het STAT 1 die het signaal van interferon-gamma binnen de immuuncellen draagt en daardoor
gebeurt de Th1 naar Th2 shift.
Spijtig genoeg wordt het chronische vermoeidheidssyndroom vaak psychosomatisch genoemd. Het is echter eerder een onmacht van de
geneeskunde. We begrijpen momenteel hoe de aandoening in elkaar zit. In de beginfase neemt de apoptose toe. In een verdere evolutie wordt die apoptose
geblokkeerd en verdwijnt het signaal van interferon, omdat het eiwit dat het
intracellulair signaal van interferon naar de nucleus vervoert (dat apoptose
transporteert) vernietigd wordt. Dat geeft aanleiding tot meer en meer infecties.
Dit proces speelt zich af op alle niveaus (in het centrale zenuwstelsel, de spiercellen, de witte
bloedcellen enzovoort). Sommige patiënten die lijden aan het chronische vermoeidheidssyndroom ontwikkelen epilepsie. We stellen vast dat de meeste
patiënten een lichte vorm van epilepsie hebben.
Dat leidt tot slaapstoornissen en een situatie waarin de vermoeidheid toeneemt omdat men niet meer recupereert.
De heer Felix Strackx: In hoeverre wordt spierzwakte bepaald door het
onvermogen om magnesium op te nemen?
Prof. Kenny De Meirleir: De magnesiuminflux wordt vervangen door calcium. Er
bestaat een omgekeerde relatie tussen extracellulair calcium en spierpijn.
De spierpijn en -zwakte nemen toe met meer en meer calcium. Magnesium is een
belangrijk intracellulair ion dat door channelopathy verloren gaat. Dat wordt door calcium vervangen om het ionenevenwicht te herstellen. Het
probleem ligt in de channelopathy. Er is een directe relatie tussen channelopathy en spierzwakte. Hoe uitgesprokener die relatie aanwezig is,
hoe meer de spierzwakte voorkomt.
De heer Felix Strackx: Wat is de prognose voor dergelijke mensen?
Prof. Kenny De Meirleir: De prognose is goed als de immuunafwijking omkeerbaar is en als de infecties behandelbaar zijn. Als het immuunsysteem
door een stof in het beenmerg aangetast is en een slechte immuniteit induceert, is de prognose zeer slecht. Bij een agressieve behandeling is er
een recuperatie van 50 percent na één jaar. Dat zal nooit 100 percent zijn
omdat een aantal factoren onomkeerbaar zijn.
Het hangt ervan af of de initiërende factoren al dan niet omkeerbaar zijn, maar dat is moeilijk uit te maken.
De heer Bruno Tobback: Hoe verhouden die verschillende factoren zich tot
elkaar?
Prof. Kenny De Meirleir: Dat weten we niet, dat moet nog bestudeerd worden.
Maar bijvoorbeeld voor een familie die op een arsenicumstort woont, is de prognose slecht want dit is moeilijk omkeerbaar.
Mevrouw Marleen Van den Eynde: Stelt u een verhoogde incidentie vast van het
chronisch vermoeidheidssyndroom in sterk verontreinigde gebieden of komt het
syndroom lukraak voor?
Prof. Kenny De Meirleir: Er zijn endemische gevallen maar er zijn in België
ook een 4-tot 5-tal clusters met een verhoogde incidentie, met name de regio
Olen-Herentals, een gebied tegen de Nederlandse grens in Noord-Limburg, Péruwelz, 3 tot 4 straten in Oostende en de streek van
Sint-Truiden. Een grondige studie hierover is nodig, omdat in deze gebieden ook meer leukemie
en andere kankers schijnen voor te komen. Het zou interessant zijn dit met elkaar te correleren.
Stuk 740 (2000-2001) Nr. 1 Bijlage 60
De heer Jacques Devolder: Is er gericht onderzoek gebeurd in de omgeving van
verbrandingsovens?
Prof. Kenny De Meirleir: Nee, studies rond dioxines zijn noch voor ons land,
noch voor het buitenland beschikbaar.
De heer Felix Strackx: Hoeveel tijd is er verlopen tussen het contact met
zware metalen en het uitbreken van de symptomen?
Prof. Kenny De Meirleir: Het gaat hier om jaren, maar dat hangt ook van de blootstelling af. In het geval van PCP-intoxicatie is het gemakkelijk: tot
1984 of 1986 bevatten vernis en bepaalde verven PCP's, nadien zijn die er uit gehaald. De acute gevallen hebben zich in de periode voordien
voorgedaan.
Bij chronische gevallen nu kan er een PCP-intoxicatie zijn, maar telkens is de vernis of de verf ouder dan van 1985. Maar dat is niet bewezen.
De enige bewezen gevallen zijn die waar professor Schepens in Antwerpen de metingen heeft verricht bij mensen die acuut ziek geworden zijn en bij wie
men een verhoging gevonden heeft in het bloed.
Direct aansluitend is de symptomatologie van de ziekte begonnen. Bij al die patiënten hebben we mycoplasma-infecties gevonden.
De heer Johan Malcorps, voorzitter: Wat met de verdere opvolging? Op initiatief van minister Vandenbroucke komen er medische centra. Moeten die
zich ook bezig houden met het probleem dat u aanhaalt: het opsporen van
mycoplasma's, eventueel antibacteriële behandeling. Is er voldoende rekening
gehouden met externe factoren?
Prof. Kenny De Meirleir: In de wettelijke context zijn enkel revalidatiecentra mogelijk. Bij een ziekte gaat het echter om symptomen, een
diagnose, een therapie en dan pas om revalidatie. Aan diagnose en therapie wordt te weinig aandacht besteed.
De heer Johan Malcorps, voorzitter: Er zijn twee denkrichtingen: Sommigen
dragen vooral psychosomatische factoren aan, volgens u spelen externe factoren toch ook een zeer belangrijke rol.
Prof. Kenny De Meirleir: Ook langdurige mentale stress kan leiden tot
immunologische veranderingen. Revalidatie is pas mogelijk als er een model voorhanden is.
De heer Johan Malcorps, voorzitter: We zullen, binnen onze bevoegdheden,
proberen rekening te houden met de bevindingen van professor De Meirleir.
|