Handelingen van de Commissievergaderingen

09.11.1999


COMMISSION DES AFFAIRES SOCIALES COMMISSIE VOOR DE SOCIALE ZAKEN
RÉUNION PUBLIQUE DU

MARDI 9 NOVEMBRE 1999

OPENBARE VERGADERING VAN

DINSDAG 9 NOVEMBER 1999

 

Bron:http://www.lachambre.be/commissions/acts/current/hc033n.htm & http://www.lachambre.be/commissions/acts/current/hc033f.htm

 


De vergadering wordt geopend om 9.50 uur door de heer Joos Wauters, voorzitter.

La réunion est ouverte à 9.50 heures par M. Joos Wauters, président.

 

  • Samengevoegde interpellatie en mondelinge vragen van:
  • - de heer Luc Goutry tot de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en tot de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "het chronisch vermoedheidssyndroom" (nr. 109)
  • - mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "het chronisch vermoedheidssyndroom" (nr. 294)
  • - de heer Jan Peeters aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "het chronisch vermoeidheidssyndroom en de administratieve gezondheidsdienst" (nr. 373)
  • (Het antwoord zal worden verstrekt door de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en door de minister van Sociale Zaken en Pensioenen)
  • Interpellation et questions orales jointes de:
  • - M. Luc Goutry à la ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement et au ministre des Affaires sociales et des Pensions sur "le syndrome de fatigue chronique" (n° 109)
  • - Mme Annemie Van de Casteele au ministre des Affaires sociales et des Pensions sur "le syndrome de fatigue chronique" (n° 294)
  • - M. Jan Peeters à la ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement sur "le syndrome de fatigue chronique et le service de santé administratif" (n° 373)
  • (La réponse sera donnée par la ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement et par le ministre des Affaires sociales et des Pensions)

De voorzitter: De heer Luc Goutry heeft het woord.

De heer Luc Goutry(CVP): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, mijnheer de minister, er zijn twee aspecten aan mijn vraag verbonden: een informatief gedeelte en een principieel aspect. Gezien de politieke draagwijdte van het fenomeen, wenste ik er een interpellatie aan vast te knopen.

Wij delen uiteraard uw bezorgdheid ten aanzien van de patiënten met een chronisch vermoeidheidssyndroom. Zelf ken ik mensen die ermee geconfronteerd worden. We hebben hierover in het verleden reeds vragen gesteld. De CVP heeft op haar congres in 1997 een actualiteitsmotie gestemd en een werkgroep opgericht. Toen was dit fenomeen nog vrij nieuw en was er wetenschappelijk niet veel over gekend. Zelfs nu bestaat er nog verwarring over. Er wordt wel over gesproken, maar het klinisch onderzoek is nog erg accuraat. Ik wens dus duidelijkheid omtrent het belang van de zaak en wens te wijzen op de hoogdringendheid om er iets aan te doen.

Wat de methode betreft waarmee dit probleem werd aangepakt, rijzen vragen. De aanleiding is de vergadering die betrokkenen over het onderwerp hielden en de actie met motoren die in Oostende plaatsvond. U was daar aanwezig samen met de heer Vande Lanotte. Uw optreden heeft me verwonderd. Het is enigszins misleidend en kan de indruk wekken dat u de zaak wenst op te lossen, maar het is niet duidelijk wat u precies wenst te ondernemen. De betrokkenen verkeren hierover in onzekerheid en stellen mij voortdurend vragen. Er werden blijkbaar verwachtingen gecreëerd. Het aantal mensen dat lijdt aan dit syndroom groeit voortdurend aan. Ik heb vernomen dat veel mensen aangenaam verrast zijn met het feit dat u naar hen luisterde; ze hopen dat op zijn minst de kosten die aan hun ziekte zijn verbonden, zullen worden terugbetaald. Ik haal het voorbeeld aan van een jongen van zeventien, die in mijn streek woont en vanwege het chronisch vermoeidheidssyndroom niet meer naar school kan gaan. Hij ondergaat hiervoor een behandeling in Amerika. Deze behandeling kost 1,5 miljoen frank. Om dit te bekostigen, worden allerlei benefietacties op het getouw gezet. De ouders kwamen me opzoeken en reageerden met een zekere boosheid dat er niets werd gedaan en dat minister van Sociale Zaken Vandenbroucke dit zou oplossen.

Ik waarschuw u voor de valse hoop en de verwachtingen die deze mensen koesteren. Ik vermoed dat dit niet uw bedoeling is.

Welke concrete acties wilt u ondernemen?

U zei allereerst dat het wetenschappelijk onderzoek moet worden voortgezet. Iedereen is het daarmee eens. Er bestaat op dat vlak een grote lacune. Het fenomeen dient zich slechts recent aan. Vroeger stelde men de diagnose niet. Er bestond een strekking die de oorzaak in de psychosomatische richting zocht. Nu ontdekt men blijkbaar organische oorzaken. Het wetenschappelijk onderzoek moet wel degelijk worden gesteund. Concreet sprak u in dit verband over het oprichten van referentiecentra. Referentiecentra zijn geen behandelcentra. Veel mensen denken dat ze terecht kunnen in zulk een centrum. Het is belangrijk duidelijkheid te scheppen.

Het tweede punt dat u aanraakt is het reïntegratieprobleem of hoe deze mensen opnieuw in hun functie, geheel of gedeeltelijk, kunnen worden geïntegreerd. We noemen dit progressieve tewerkstelling. Met de goedkeuring van de adviserende geneesheer kan iemand inderdaad gedeeltelijk weer aan het werk worden gezet. Dit is een zeer interessante denkpiste die navolging verdient. Ik stel vast dat er niet veel problemen rijzen vanuit de hoek van de ziekteverzekering, maar veeleer vanuit de hoek van de werkgevers. Gisterenavond zei een drukker met rugklachten mij dat hij van de medisch adviseur progressief weer aan het werk mocht. De arbeid die hij vroeger verrichtte, kan hij niet meer aan, maar de werkgever heeft geen ander werk voor hem in petto. Die man komt automatisch in de werkloosheid terecht. De ziekteverzekering in de mogelijkheid stellen om een cumulatie in te voeren tussen ziekte-uitkering en loon is niet voldoende. De werkgevers moeten worden overtuigd en terdege ingelicht om mensen progressief weer aan het arbeidsproces te laten deelnemen.

Ik wens uw antwoord hierop te kennen.

Het derde punt betreft de kosten van de behandeling. Uw standpunt in de pers was niet duidelijk. De verwachtingen van de betrokkenen zijn op dat punt het hoogst gespannen. Men vindt het uiteraard belangrijk dat er aan wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan en een progressieve tewerkstelling mogelijk wordt. Maar de kostprijs blijft een heet hangijzer. De geneesmiddelen die ze moeten nemen, zoals Amplegen of andere, zijn erg kostelijk. Men wil duidelijkheid of hier financiële tussenkomst in het vooruitzicht wordt gesteld.

Het vierde punt betreft de erkenning. Ik citeer de pers: 'De overheid neemt het chronisch vermoeidheidssyndroom ernstig'. 'Chronisch vermoeidheidssyndroom erkend.' Ik wijs nogmaals op het belang van een correcte informatie.

Deze vraag is echt principieel. U hebt in een belangrijk budget voorzien voor de chronisch zieken en daar staan wij achter, maar wij willen wel duidelijke definities. Dat wordt echter een moeilijke discussie. Immers, het erkennen van het chronisch vermoeidheidssyndroom als een ziekte dwingt ons in de richting van een statische oplossing: men erkent de ziekte en stelt daar een aantal tegemoetkomingen tegenover, waarmee iedereen dan tevreden is. Ik zou dergelijke handelwijze echter betreuren. Een professor van Pellenberg die daar veel mee bezig is, heeft het in dit verband immers over "een ziekte die bij uitstek dient tot revalidatie". Dit behelst dus een dynamische aanpak en niet enige vorm van "installatie" van de ziekte in ons zorgsysteem, inclusief een aantal uitkeringen en voordelen, zonder dat er verder nog iets roert. Deze ziekte wil men dus eigenlijk actief aanpakken vanuit een invalshoek van revalidatie en dat is iets waarover ik graag uw mening zou horen.

Mijnheer de minister, wilt u mij concreet vermelden wat de aangekondigde maatregelen behelzen? Zo komt er toch een beetje duidelijkheid voor de patiënten. Kunt u ons ook meedelen op welke wijze dit zal gebeuren? Welke tijdsplanning werd hierop gezet? Welke procedure denkt u te zullen hanteren? Welke lijn zult u trekken inzake de andere chronische patiënten, waarvoor in een eerste fase reeds een miljard frank en in een volgende fase misschien nog meer zal worden uitgetrokken? Trouwens, wat de chronische ziekten in het algemeen betreft, kunt u zich over afzienbare tijd verwachten aan een identieke principiële vraag als de huidige.

De voorzitter: Mevrouw Annemie Van de Casteele heeft het woord.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VU&ID): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik sluit mij graag aan bij de heer Goutry. Zowat elke partij heeft de problematiek van het chronisch vermoeidheidssyndroom in het verleden gevolgd. U weet dat er meer dan één organisatie is die specifiek met deze problematiek begaan is, wat tot enige concurrentie kan leiden. Het is goed dat u dat weet, want als u naar aanleiding van een actie van een vereniging een aantal maatregelen aankondigt, voelt een andere vereniging zich wellicht tekort gedaan. Ik weet niet hoe dit zuidelijk van de taalgrens georganiseerd is, maar alleszins langs Vlaamse kant zou het goed zijn beide verenigingen op dezelfde manier bij de problematiek te betrekken.

Mijnheer de minister, u hebt verwachtingen gecreëerd bij een aantal patiënten die in groepen zijn georganiseerd. Dat geldt niet enkel voor lijders aan het chronisch vermoeidheidssyndroom, maar ook voor diabetici en EB-patiënten om maar die te noemen. Overal waar u komt, waait er een nieuwe wind en koestert men grote verwachtingen over wat de regering zal doen. Daarvoor moeten echter de nodige middelen beschikbaar zijn en nu gezegd wordt dat deze problemen zullen worden aangepakt, rijst de vraag hoe hard u dit meent. Immers, een aantal van de door u vooropgestelde maatregelen werden reeds aangekondigd door uw voorganger, de heer Colla. Dat gebeurde redelijk recent, namelijk op een studiedag op 10 april 1999. Als men echter op een studiedag in april de oprichting van referentiecentra aankondigde en die aankondiging vandaag herhaalt als een nieuwe maatregel, kan men terecht de vraag stellen of er intussen wel iets is gebeurd. Misschien weet u meer hierover. Ook de beslissing om de Hoge Gezondheidsraad met een opdracht te belasten werd reeds door de heer Colla aangekondigd in april en ik durf veronderstellen dat die Hoge Gezondheidsraad dus ook al effectief hiermee bezig is geweest. Ik neem aan dat dit geen nieuw initiatief van u is; misschien heeft u de vraag opnieuw gesteld en aangedrongen op meer snelheid.

Wel nieuw is uw aankondiging dat deze mensen die door hun ziekte moeilijk voltijds kunnen werken, gemakkelijker zonder administratieve rompslomp en zonder verlies van financiële middelen deeltijds zullen kunnen werken.

Wat dat betreft sluit ik mij aan bij de vragen van de heer Goutry. De verwachtingen zijn immers hoog gespannen: men denkt dat er inderdaad een nieuw soort contracten zal worden opgemaakt, die dan heel soepel zullen zijn en aangepast aan het ziektebeeld van die patiënten. Ik vrees echter dat dit niet helemaal uw bedoeling is. In een aantal krantenartikels hebt u er immers naar verwezen dat u zich vooral richtte op het cumuleren van een arbeidsinkomen met een uitkering. Het is goed om hierover duidelijkheid te laten bestaan, want dergelijke maatregel geldt niet alleen voor de hier besproken doelgroep, maar is algemeen en zou voor heel wat mensen een oplossing kunnen bieden. Wij staan daar ook achter, maar duidelijkheid is nu dringend gewenst. Hetzelfde geldt voor de problematiek van de chronisch zieken in het algemeen. In het verleden hebben wij reeds herhaaldelijk gevraagd of men mensen met CVS als chronisch zieken kan bestempelen. Welke maatregelen zal men nu nemen? Er bestaat namelijk geen lijst met chronisch zieken. Hoe zult u die mensen geruststellen?

Ik heb ook een vraag inzake de bevoegdheid waar het de referentiecentra betreft. Ik werd er immers door iemand uit de Vlaamse administratie op gewezen dat erkenning van deze referentiecentra tot hun bevoegdheid behoort. Ik weet hoe complex de bevoegdheidsverdeling inzake gezondheidszorg is en hoe elastisch de interpretaties kunnen zijn. Ik neem echter aan dat ook u een standpunt hebt en ik zou graag vernemen wat nu juist uw bevoegdheid is. Zijn er hierover eventueel contacten geweest met uw evenknie op het Vlaamse niveau? Als het u allemaal menens is, zullen er ook middelen tegenover moeten worden gesteld. Ik weet dat de begroting binnenkort zal worden besproken, maar wil nu toch graag al enige duidelijkheid. U weet dat dit land ongeveer 15.000 mensen telt die aan CVS lijden, dus een budget om aan hun noden tegemoet te komen kan worden berekend. Men verwacht dit en ik zou graag de cijfers kennen.

De voorzitter: De heer Jan Peeters heeft het woord.

De heer Jan Peeters (SP): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik richt mij meer tot u omdat ik een bepaald aspect uit de hele CVS-problematiek wil belichten. Ik heb het dan over de progressieve werkhervatting, toegespitst op de federale ambtenaren, en de houding van de Administratieve Gezondheidsdienst (AGD). Ik verschil enigszins van mening met de heer Goutry: volgens hem zijn de controle-artsen of adviserende geneesheren daar steeds welwillender in, maar in feite zou het de werkgever zijn die in veel gevallen problemen maakt of blijft maken inzake de progressieve werkhervatting. In de particuliere sector zal dat in veel gevallen zo zijn, mijnheer Goutry, maar in de specifieke sector van de ambtenarij is de federale overheid zowel werkgever als scheidsrechter via de AGD. Dit zorgt voor specifieke problemen.

De door de regering aangekondigde initiatieven leiden ertoe dat in de medische wereld CVS steeds ernstiger wordt genomen. Al te vaak werd dit immers als psycho-somatisch weggelachen. Het gaat dus de goede richting uit, maar toch zijn er nog een aantal problemen rond de AGD. Zeer belangrijk is de aankondiging dat er een grotere interne sensibilisering van de controle-artsen en behandelende geneesheren is inzake het ernstig nemen van arbeidsongeschiktheid ingevolge CVS. Reeds enige maanden poogt de regering in haar activeringsbeleid naar tewerkstelling om ook mensen die uit een situatie van arbeidsongeschiktheid komen, progressief aan het werk te stellen. Bij de rijksambtenaren bestaat er hiervoor een specifieke regeling, namelijk de verminderde prestaties wegens ziekte, volgens artikel 54 van het koninklijk besluit van 19 november 1998. Dit stelt dat na een periode van disponibiliteit ambtenaren inderdaad gedurende een maand deeltijds werk kunnen doen in combinatie met een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, om tot progressieve werkhervatting te komen.

De periode van één maand is vrij restrictief, maar volgens de wet kan deze na advies en na beslissing van de behandelend geneesheer bij de AGD, in feite tot in het oneindige worden verlengd.

Eigenlijk werd het model van progressieve werkhervatting reeds opgenomen in het statuut. Dat geldt ook in de klassieke ziekte- en invaliditeitsverzekering voor heel wat gevallen van arbeidsongeschiktheid. Het wettelijk mechanisme bestaat ook voor ambtenaren.

Dit systeem is het geschikte instrument voor CVS-patiënten omdat zij vaak voor de keuze worden gesteld tussen deeltijds werk, ontslag nemen of met pensioen gaan, met alle financiële gevolgen die hieraan verbonden zijn.

De praktijk leert ons evenwel dat de controleartsen van de AGD zeer restrictief optreden inzake het toekennen van verlengingen, dus na de vastgestelde periode van één maand. Meer bepaald CVS-patiënten worden niet toegelaten gedurende een langere periode te werken onder dat statuut en worden in feite gedwongen zware financiële inleveringen te aanvaarden door deeltijds werk, ontslag of pensioen, precies op het ogenblik dat hun ziekte zware medische uitgaven vergt.

Het ware aangewezen dat de AGD artikel 54 minder streng zou interpreteren en de bepalingen ervan voor CVS-patiënten op een ruimere schaal zou toepassen.

Terzake heb ik de volgende twee concrete vragen. Ten eerste, is de minister zinnens de controleartsen van de AGD te sensibiliseren voor de gevallen van CVS bij ambtenaren en voor de specifieke aanpak van deze groep? Ten tweede, zou het tevens niet mogelijk zijn de AGD aan te zetten de bepalingen van artikel 54 minder restrictief toe te passen en er een instrument van te maken zoals werd beoogd door de regering, waarbij met name progressieve werkhervatting gedurende een langere periode zou worden toegelaten?

De voorzitter: De minister heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, de heer Goutry en mevrouw Van de Casteele wezen terecht op het delicate karakter van deze problematiek.

Om te beginnen moet men vermijden valse verwachtingen te scheppen. Zo zei ik bijvoorbeeld zeer uitdrukkelijk tegen al wie het moest horen dat men niet kan werken aan een specifiek statuut voor CVS-patiënten. In het algemeen werken wij trouwens niet op basis van statuten voor welbepaalde patiënten. De erkenning van een ziekte leidt niet tot een specifiek statuut. Ik meen in dat verband zeer duidelijk te zijn geweest, maar ik geef toe dat in de pers soms een andere indruk wordt gewekt.

Voorts meen ik even duidelijk te hebben gezegd dat terzake geen medische consensus bestaat. Ik ben geen arts, maar zelfs al was ik arts, dan zou het nog niet behoren tot mijn taak als minister om terzake een medische consensus te bewerkstelligen. Een minister moet de voorwaarden helpen scheppen die een medische consensus bevorderen.

Hoewel terzake geen medische consensus bestaat, moeten de klachten van betrokkenen wel ernstig worden genomen en de actie die in dat verband werd gevoerd en waaraan zowel mevrouw Aelvoet als ikzelf deelnamen, getuigt ervan dat zulks wel gebeurt. Mevrouw Van de Casteele zei in dat verband terecht dat wij ook met andere organisaties hadden moeten contact opnemen; welnu, om alle misverstanden uit de weg te gaan ware het misschien aangewezen mij de namen mee te delen van de organisaties waarmee ik nog contact moet opnemen en ik zal die lijst dan bekijken.

De problemen die ons terzake bezighouden zijn inderdaad zeer delicaat, maar dat mag uiteraard geen reden zijn om niet tot handeling over te gaan. De heer Goutry merkte overigens op dat tijdens de vorige regering reeds een aantal initiatieven werden genomen, waarvan wij hopelijk zo spoedig mogelijk de vruchten kunnen plukken. Thans gaat het erom dat het ene aansluit bij het andere.

Een eerste belangrijk initiatief was de oprichting van de werkgroep CVS bij de Hoge Gezondheidsraad, die in de praktijk werd opgesplitst in diverse sub-werkgroepen en waarvan de cruciale opdracht erin bestaat een medische consensus te bereiken in verband met CVS.

Dat is een absolute noodzaak, zowel wat de diagnosestelling als de behandeling betreft en ik reken erop dat er snel bruikbare aanbevelingen worden geformuleerd. Dergelijke aanbevelingen zijn van cruciaal belang voor de goede werking van de fameuze CVS-referentiecentra.

De formule van de referentiecentra is niet nieuw en wordt nu reeds toegepast voor een aantal chronische aandoeningen zoals mucoviscidose, erfelijke metabole aandoeningen en neuro-musculaire aandoeningen. Die referentiecentra werken met revalidatie-overeenkomsten of contracten met het RIZIV. Het grote voordeel van deze contracten is dat zij toelaten multidisciplinaire zorgen op maat van de patiënten te organiseren en te financieren, hetgeen niet mogelijk zou zijn via de klassieke RIZIV-nomenclatuur. In dat verband denk ik bijvoorbeeld aan het betalen van een psycholoog of een maatschappelijk werker.

Een dergelijke formule kan tevens nuttig worden toegepast voor de specifieke CVS-gevallen, omdat op die manier de expertises kunnen worden gebundeld en ten dienste kunnen worden gesteld van het medisch korps in zijn geheel. Immers, momenteel worden CVS-patiënten op de meest verscheidene manieren opgevangen en behandeld. Daarom lijkt het mij beter de deskundigheid en de ervaring van de gespecialiseerde centra te bundelen en door te geven aan huisartsen en specialisten die CVS-patiënten behandelen.

Ik heb niets gezegd over het aantal op te richten centra vermits dat nog niet werd bepaald en omdat ik wil wachten op de resultaten en de aanbevelingen van de CVS-werkgroep bij de Hoge Gezondheidsraad. Het vorige initiatief is een ondersteunende uitgangsbasis voor het nieuwe initiatief dat ik terzake aankondigde.

Vervolgens ben ik van oordeel dat de nare ervaringen van sommige CVS-patiënten met de controleartsen zoals medische adviseurs en artsen van het RIZIV, ernstig moeten worden genomen. Om die reden moeten de reeds geleverde inspanningen om de controleartsen beter te informeren en te sensibiliseren inzake CVS, worden voortgezet. Ontegensprekelijk zijn ook op dat vlak een medische consensus en duidelijkheid over CVS van cruciaal belang om een eenduidig optreden van de controleartsen te bewerkstelligen en om ervoor te zorgen dat de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid wordt bepaald aan de hand van uniforme richtlijnen.

In dat verband, mijnheer Goutry, kan ik u mededelen dat de medisch-technische Raad waarnaar u verwees, zijn opdracht met betrekking tot het CVS pas werkelijk zal kunnen waarmaken na het tot stand komen van een medische consensus. De concrete samenstelling van de medisch-technische Raadbij de dienst Uitkering van het RIZIV is momenteel in voorbereiding.

Voorts wens ik te beklemtonen dat de huidige RIZIV-wetgeving perfect toelaat CVS-patiënten als arbeidsongeschikt te erkennen, maar dat op dat vlak veel misverstanden bestaan. De opdracht van controleartsen bestaat erin na te gaan of een persoon al dan niet arbeidsongeschikt is. De ziekte waaraan betrokkene lijdt, is in principe van geen belang voor de bepaling van de arbeidsongeschiktheid.

Wat CVS-patiënten betreft is voor sommigen arbeidsactiviteit in zekere mate medisch aanbevolen, wat een goede reden is om binnen de ziekteuitkeringen de inactiviteitsvallen te verminderen. Dat is een breder probleem. De reeds bestaande formule van progressieve tewerkstelling laat toe dat erkende arbeidsongeschikten een klein deel van hun uitkering kunnen cumuleren met een arbeidsinkomen. Thans wordt onderzocht hoe zulks doeltreffender kan en in dat verband zal ik later voorstellen formuleren. Het ware trouwens aangewezen deze aangelegenheid te bespreken in de commissie.

Op de specifieke vragen van mevrouw Van de Casteele kan ik het volgende antwoorden. Ten eerste, de verschillende maatregelen, namelijk de revalidatieovereenkomsten met revalidatiecentra, de werking van de controleartsen, de wetgeving in verband met de ziekteuitkeringen en de progressieve tewerkstelling vallen volledig binnen de federale bevoegdheid. Ik beging aldus geen enkele bevoegdheidsoverschrijding terzake.

Ten tweede, de financiering van de referentiecentra werd nog niet concreet uitgewerkt. Momenteel onderzoek ik of die centra aansluiting kunnen vinden bij de reeds bestaande referentiecentra voor neuro-musculaire aandoeningen, maar daarover wens ik mij thans niet uit te spreken, want ik weet nog niet of het de goede oplossing is. Immers, dit zou een budgettaire impact hebben.

Als men dat niet doet, heeft men een iets zwaardere budgettaire uitdaging. Er is hoe dan ook budgettaire ruimte beschikbaar om in het kader van een betere zorg voor chronisch zieken te komen tot betere zorg voor CVS-patiënten. U weet dat er voor 2000 reeds 1 miljard frank ter beschikking werd gesteld. Dit is een soort overgangssituatie en het bedrag moet oplopen tot 4 miljard frank in 2001. Dit laat toe te zeggen dat ik geen budgettaire excuses heb om niets te doen, zonder evenwel valse verwachtingen te scheppen voor de betrokken personen. Binnen deze kleine budgettaire enveloppe kan ik werken.

Momenteel probeer ik overigens via contacten in de medische wereld alle verschillende standpunten te horen. Ik wens mij dus niet te beperken tot één bepaalde perceptie van het probleem. Dat wil ik nogmaals benadrukken. Ik wens in deze voorzichtig en niet eenzijdig te werk te gaan.

De voorzitter: De minister heeft het woord.

Minister Magda Aelvoet: Mijnheer de voorzitter, allereerst wil ik in het algemeen opmerken dat wij in gemeenschappelijk overleg een aantal zaken die waren stilgevallen, weer leven hebben ingeblazen. De werking die was opgestart in het kader van de Hoge Gezondheidsraad was enigszins stilgevallen. Naar aanleiding van zowel de druk, die steeds een motor is voor beweging, als van het besef dat heel veel mensen klachten hebben over de manier waarop zij worden opgevangen, zowel door artsen in het algemeen als door controleartsen, is er een nieuwe impuls gegeven. Ik heb de Hoge Gezondheidsraad van in september uitdrukkelijk gevraagd om deze zaak opnieuw te bekijken.

Wat de problematiek van de administratieve gezondheidsdienst betreft, is het merkwaardig dat de antwoorden die ik van hen heb gekregen luiden dat zij zich steeds begripsvol en humaan opstellen telkens als er zich problemen in verband met CVS voordoen. Zij geven daar concreet bewijsmateriaal voor. Mijnheer Peeters, als u hieromtrent over gegevens beschikt, zou het mij zeer interesseren als u die aan mij wilt doorgeven zodat ik het gesprek hierover met de administratieve gezondheidsdienst kan voort zetten. Net als u verwijzen zij naar het koninklijk besluit van 1954. Bovendien wijzen zij op de omzendbrief van eind mei 1999 die het koninklijk besluit van 1954 een nog ruimere interpretatie geeft. Hierdoor worden zeer veel nieuwe mogelijkheden in het leven geroepen, vooral op het gebied van de halve dag-prestaties. In die context zeggen zij meer bepaald dat men gemiddeld drie à vier periodes van dertig kalenderdagen toekent als er vraag is naar halve dag-prestaties. Men geeft die goedkeuring voor halve dag-prestaties per maand maar de gemiddelde toegekende periode bedraagt drie tot vier kalendermaanden als dat gevraagd wordt. Zij beweren van oordeel te zijn dat zij hiermee constructief en in dienst van de herinschakeling van ambtenaren werken.

Wat de situatie van mensen met CVS aangaat, geven zij de volgende gegevens. Zij zeggen dat in het medisch centrum Brussel tussen 1 januari 1999 en 8 november 1999 in totaal 67 personen een aanvraag voor verminderde prestaties hebben ingediend. Op die aanvragen werd positief ingegaan, in die mate dat in totaal 181 maanden werden toegekend. Dit betekent een gemiddelde van 80 dagen per persoon.

Zij onderstrepen dat er zich onder de personen die een aanvraag hebben gedaan slechts één enkele bevond met het chronisch vermoeidheidssyndroom. Deze persoon kreeg halve dag-prestaties toegekend voor 90 kalenderdagen. Volgens hun persoonlijke appreciatie stellen zij zich begripsvol en constructief op binnen de bestaande mogelijkheden. Als ik uw verhaal beluister, schort daar wel degelijk één en ander aan. Afgaand op de ervaring die ik tot nog toe heb kunnen opdoen, zou ik mij eerder aansluiten bij de analyse dat zowel op het vlak van de artsen als van de controleartsen, bij de mutualiteiten en op andere niveaus, wel degelijk nog sensibiliseringswerk moet worden verricht. Dat is overigens één van de drie elementen die ik als minister van Volksgezondheid in dit verband heb bekendgemaakt. Het ging er meer bepaald om de werkgroepen nieuw leven in te blazen, de sensibiliseringscampagne meer volume te geven - op dat vlak zullen zeer concrete initiatieven volgen - en te verklaren dat verschillende disciplines betrokken zijn bij de problematiek van CVS als men deze mensen opnieuw wil inschakelen. Dit thema is volgende vrijdag aan de orde in de Ministerraad. Daar zal ik met de verschillende betrokken ministers, onder meer de ministers van Arbeid en Tewerkstelling en Financiën, overleg plegen om een adequaat antwoord te vinden voor de verschillende facetten van deze problematiek.

De voorzitter: De heer Luc Goutryheeft het woord.

De heer Luc Goutry (CVP): Mijnheer de voorzitter, ik wil de repliek zeer kort houden omdat wij alle kansen hebben gekregen om de zaak toe te lichten.

Mijnheer de minister, ik dank u voor het uitgebreide antwoord. Ik ken u voldoende om niet te twijfelen aan uw goede bedoelingen. Toch wil ik u ervoor waarschuwen dat als u al weldoende rondgaat, bijvoorbeeld voor diabetici en lijders aan het chronisch vermoeidheidssyndroom, het niet mag blijven bij flarden informatie die wij in de pers moeten terugvinden. Mijnheer de minister, als u het ernstig meent, waarvan ik trouwens overtuigd ben, dan wil ik een voorstel doen. Wij hebben belangrijke budgetten voorzien voor de chronisch zieken. Ik ondervind dat veel mensen niet goed weten over welke zieken en welke aandoeningen het gaat. Zou het niet nuttig zijn om in de commissie een soort hoorzitting te organiseren over chronische ziekten zodat wij een aantal betrokkenen aan het woord kunnen laten komen? Wij zouden dan meer informatie krijgen over de kosten en over de uitwerking van verhoogde tegemoetkomingen, franchises en meer kosten voor wetenschappelijk onderzoek. Wij kunnen dan een consistent plan opstellen in verband met de middelen die nodig zijn voor dergelijke mensen. Mijnheer de voorzitter, om mijn goede bedoelingen kracht bij te zetten, zal ik een motie van aanbeveling indienen.

De voorzitter: Mevrouw Annemie Van de Casteele heeft het woord.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VU&ID): Mijnheer de minister, ik heb weinig toe te voegenaan wat de heer Goutry heeft gezegd. Het is een goede suggestie om ons eens te beraden over de hele problematiek, hoewel we dat eigenlijk al vier jaar aan een stuk hebben gevraagd. Dat is nooit gebeurd maar misschien is het nu wel het juiste moment om deze problematiek van dichtbij te bekijken, vooraleer de regering maatregelen neemt.

Mijnheer de minister, u zegt dat we referentiecentra gaan installeren. Ik wil erop aandringen om daar voorzichtig mee te zijn. U weet dat ook een aantal specialisten daarmee bezig zijn en het zal niet gemakkelijk zijn om uit te maken wie terzake bevoegdheid moet krijgen.

Wat de bevoegdheid betreft, is het een feit dat de federale overheid er steeds weer in slaagt om er via de centen voor te zorgen dat de bevoegdheid voor volksgezondheid van het Vlaamse en Franse niveau een lege doos blijft. Er bestaat een schemerzone, zeker inzake de revalidatieovereenkomsten. Zoals u zegt is dat een zeer soepel systeem. Dat kan alleen maar worden toegejuicht en ik gun het die zieken ook dat er een formule voor hen wordt uitgedokterd. Aan de andere kant kan men echter alleen vaststellen dat dit een sleutel vormt om een aantal bevoegdheden opnieuw onder het federale gezag te brengen. In mijn ogen moeten dit bevoegdheden van de gemeenschappen zijn.

Trouwens, ook de discussie over de eerstelijnszorg wordt hier steeds opnieuw bij betrokken omdat men een aantal van die zorgen intramuraal gaat situeren. Dat geldt voor de overeenkomsten inzake diabetici en inzake revalidatie.

Door hier ook intramuraal te werken, wordt er toch een beetje geknabbeld aan de eerste lijn. Ik sta, ter verduidelijking, wel achter de idee om via die referentiecentra een soepele formule te vinden om die mensen met hun specifieke problemen op te vangen.

De voorzitter: De minister heeft het woord.

Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, collega's, er moet mij hier toch iets van het hart. Er wordt hier een kritiek geformuleerd, weliswaar niet op een agressieve wijze en daarom richt ik mij niet persoonlijk tot mevrouw Van de Casteele, die geen ruimte meer laat voor gelijk welk initiatief. Mevrouw Van de Casteele zegt, enerzijds, dat ik mijn bevoegdheid eigenlijk te buiten ga omdat ik hier ook bezig ben met gezondheidspolitiek. Dat is toch maar normaal, want ik ben verantwoordelijk voor de ziekteverzekering en mevrouw Aelvoet is verantwoordelijk voor volksgezondheid. Zij verwijt mij dat ik bezig ben met de organisatie van het CVS-beleid. Ik wens er toch de aandacht op te vestigen dat ik mij niet alleen bezighoud met het uitdelen van geld. De wijze waarop een frank wordt gespendeerd is onlosmakelijk verbonden met de conceptie van een goede organisatie van de gezondheidszorg. Zo zeg ik bijvoorbeeld dat er een financiering moet zijn van de projecten op maat die werkelijk zorgprojecten zijn. Dat kan niet in de klassieke nomenclatuur, met de klassieke wijze van werken van de ziekteverzekering waarop tal van kritieken worden geformuleerd. Ik wil dat wijzigen en dan krijg ik onmiddellijk het verwijt dat ik mijn bevoegdheden te buiten ga. Anderzijds, en dat is wat het leven zo moeilijk maakt, lees ik in een bepaalde krant als reactie op mijn verklaringen over diabetes, dat de minister nog nooit gehoord heeft dat er inzake diabetes eens moet worden nagedacht over de organisatie van de zorg, over het belang van de eerste lijn. De "sukkelaar" zou met andere woorden alleen maar geld kunnen uitdelen. Uitgerekend wat diabetes betreft, heb ik er sterk de nadruk op gelegd dat de zorg anders moet worden georganiseerd, dat er geld moet gaan naar de preventie. Als ik dat doe, ben ik natuurlijk bezig met het gezondheidsbeleid. Men moet goed weten dat de federale bevoegdheid in zich houdt dat je bezig bent met de gezondheid van de mensen en al het andere, alleen maar meer geld spenderen in bepaalde structuren, is verkeerd.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VU&ID): Coherente bevoegdheidspakketten zijn het enige antwoord op dit probleem.

De voorzitter: Laten we dit overigens zeer interessante onderwerp niet nu behandelen.

De heer Jan Peeters heeft het woord.

De heer Jan Peeters (SP): Mijnheer de voorzitter, ik heb nog enkele bedenkingen.

Het verheugt mij ten eerste dat mevrouw Aelvoet erkent dat er ook bij de AGD nog een taak van sensibilisering van de controleartsen is en dat de minister daartoe initiatieven heeft genomen. De cijfers die de AGD geeft, illustreren immers mijn standpunt. Men geeft daar gemiddeld twee tot drie maanden progressieve werkhervattingstijd. Dat is in zeer veel situaties een erg lange periode. Voor iemand die een acute operatie ondergaat en stilaan terug in het arbeidsproces moet integreren, is die twee maanden voldoende. Het specifieke van CVS is echter dat het gaat om een chronische aandoening die op twee of drie maanden geen totaal ander ziektebeeld of situatie kan geven. De betrokkene heeft niet veel aan een dergelijke periode. Nadien staan zij voor dezelfde verscheurende keuzen.

De voorzitter: Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, des motions ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Luc Goutry en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Luc Goutry

en het antwoord van de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en van de minister van Sociale Zaken en Pensioenen,

vraagt de regering dat:

1. er dringend precieze middelen zouden vastgelegd worden voor het wetenschappelijk onderzoek in verband met CVS;

2. de Medisch-Technische Raad bij de Dienst Uitkeringen van het RIZIV, opgericht bij de sociale programmawet van 22 februari 1998, met als doel het vastleggen van uniforme standaarden en procedures voor de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, zo snel mogelijk zou samengesteld worden en het CVS als de eerste aandoening op de agenda zou plaatsen;

3. specifieke referentiecentra voor opvang en begeleiding van CVS-patiënten en hun familie zouden erkend worden en precieze middelen zouden krijgen voor onderzoek en behandeling;

4. specifieke referentiecentra voor alle chronische aandoeningen zouden opgericht worden met betrekking tot de verdere inspanningen die op dit vlak dienen te gebeuren."

Une motion de recommandation a été déposée par M. Luc Goutry et est libellée comme suit:

"La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Luc Goutry

et la réponse de la ministre de la Protection de la consommation, de la Santé publique et de l'Environnement et du ministre des Affaires sociales et des Pensions,

 

demande au gouvernement:

1. d'engager d'urgence des moyens appropriés, à affecter à la recherche scientifique sur le SFC;

2. de composer sans tarder le Conseil médico-technique auprès du Service des allocations de l'INAMI, crée par la loi-programme en matière sociale du 22 février 1998, afin d'arrêter des critères et procédures uniformes pour l'évaluation de l'incapacité de travail, et de faire inscrire le SFC comme première affection à l'ordre du jour;

3. de reconnaître des centres de référence spécifiques pour l'accueil et l'accompagnement de patients SFC et leur famille et leur accorder des moyens appropriés pour la recherche et le traitement;

4. de créer des centres de référence spécifiques pour toutes les affectations chroniques, compte tenu des efforts encore à consentir sur ce plan."

Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Yolande Avontroodt en de heren Joos Wauters, Jean-Marc Delizée, Jan Peeters en Bruno Van Grootenbrulle.

Une motion pure et simple a été déposée par Mme Yolande Avontroodt et MM. Joos Wauters, Jean-Marc Delizée, Jan Peeters et Bruno Van Grootenbrulle.

Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

 

 

knoppolitiek.jpg (2653 bytes)