Mondelinge vraag van de heer Jozef Van Eetvelt aan de minister van Sociale Zaken en
Pensioenen en aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over
"het chronisch vermoeidheidssyndroom" (nr. 1126)
(Het antwoord zal worden verstrekt door de minister van Sociale Zaken en Pensioenen)De
heer Jozef Van Eetvelt (CVP): Mijnheer de voorzitter, ik hoop dat u na het stellen van
mijn vraag en het antwoord van de minister, niet meer vermoeid zult zijn. Ik veronderstel
van niet.
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik heb enkele jaren geleden reeds
een vraag over het chronisch vermoeidheidssyndroom gesteld. De voorbije legislatuur heeft
men daar in deze commissie nogal veel belang aan gehecht. De ministers van Sociale Zaken
en Volksgezondheid hebben een en ander trachten te bewerkstelligen om een definitieve
oplossing voor die problematiek te zoeken.
Mevrouw De Galan heeft in de sociale programmawet van februari 1998 een tekst aangenomen
waarin men in de oprichting van een medisch-technische raad bij de dienst Uitkeringen van
het RIZIV voorzag. De samenstelling van die raad werd bepaald bij koninklijk besluit van
27 april 1999. De installatie van die raad is nog steeds hangende, alhoewel zijn opdracht
niet onbelangrijk is. De raad zou de opdracht krijgen om uniforme richtlijnen vast te
leggen voor de evaluatie van arbeidsongeschiktheid bij de CVS-patienten
Ook de heer Colla, toenmalig minister van Volksgezondheid, heeft de nodige initiatieven
genomen. Ik denk aan de Hoge Gezondheidsraad, die word belast met de bewaking van een
werkgroep die de wetenschappelijke gegevens terzake moest verzamelen. Men dacht ook aan
betere informatie voor artsen en het publiek via een telefoonlijn en een website.
Belangrijke nieuwe gegevens zouden telkens naar de media worden verstuurd, beloofde men.
Op die manier wou men nog beter informeren. Bovendien zou men trachten een betere
ondersteuning te geven aan de patiëntenverenigingen.
Mijnheer de minister, u hebt zelf in oktober 1999 terzake een reeks initiatieven
aangekondigd. Die hielden verband met de erkenning en financiering van referentiecentra
voor CVS en een aanpassing van het systeem van ziekte-uitkeringen door de mogelijkheid van
deeltijdse arbeidsongeschiktheid.
Ik hoef u niet te vertellen dat het probleem nog bestaat en dat het in bepaalde gevallen
zeer zwaar doorweegt. Vandaar mijn vragen. Hoever staat men momenteel met de
concratisering van de vroegere beloofde maatregelen? Hoever staat het met de realisatie
van de gedeeltelijk uitgevoerde behoeften van de voorgangers ? Hoe zult u de vroeger
genomen beslissingen en beleidsopties proberen te integreren in uw beleid?
Minister Frank Vandenbroucke: Mijnheer de voorzitter, collega Van Eetvelt, omtrent de
oprichting van de technisch-medische raad, kan ik U zeggen dat de laatste voordracht tot
benoeming van leden - uitgaande van een universiteit - op 17 februari 2000 werd opgestuurd
aan de dienst uitkeringen van het RIZIV.
Die dienst zal het nodige doen zodat het koninklijk besluit tot benoeming van de leden van
de technisch-medische raad zo snel mogelijk zal gepubliceerd worden in het staatsblad.
Daarna kan de raad zijn werk beginnen.
De oprichting van dergelijke raden zou ook voor mij sneller mogen verlopen. U kunt zich
dit niet voorstellen voor u eraan begint, maar dit duurt allemaal bijzonder lang. Ik zal
de diensten van het RIZIV hier ook over aanspreken.
Bij de vraag over de erkenning en de financiering van referentiecentra voor het CVS, kan
ik meedelen dat ik aan de diensten van het RIZIV opdracht heb gegeven om dat
administratief voor te bereiden. Het is mijn bedoeling om uiterlijk op 1 januari 2001 een
aantal CVS-referentiecentra via het systeem van de revalidatie-overeenkomsten te erkennen
en te financieren.
Ik wil er wel de nadruk op leggen dat ik voor de concrete invulling en de
operationalisering van de functies van dergelijke referentiecentra heel veel belang hecht
aan het advies dat we nog moeten ontvangen van de Hoge Gezondheidsraad. In deze raad
zitten een aantal medici samen die nadenken over het fenomeen van chronische vermoeidheid.
Zij proberen een consensus te formuleren die een aantal richtlijnen formuleren. Ik wens
dat deze centra werken op basis van wat de medische consensus is of wat een aantal
elementen van consensus daar rond zijn. Ik wacht daar op en hoop dit snel te krijgen.
Dit is, zoals ik had beloofd, in gang gezet. Ik hoop na ontvangst van het rapport van de
Hoge Gezondheidsraad te kunnen overgaan tot de invulling van die belofte.
Met betrekking tot de aanpassing van het systeem van toegelaten werkhervatting door een
gerechtigde die arbeidsongeschikt is erkend, wil ik verwijzen naar het antwoord op vraag
nummer 735 van uw college Luc Goutry. Ik heb daar bevestigd dat er een aantal knelpunten
onderzocht worden, bijvoorbeeld ook op het vlak van het vrijwilligerswerk. We zijn ermee
bezig. Ik heb een studie besteld bij het ministerie van Sociale Zaken waar ook de dienst
voor
uitkeringen van het RIZIV actief aan deelneemt. We gaan de studie binnenkort afronden en
dan moet ik initiatieven kunnen nemen.
Om misverstanden te vermijden wil ik zeggen dat men vandaag opnieuw aan het werk kan in de
ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. Er is toegelaten arbeid mogelijk. Het systeem werkt
in de praktijk echter niet optimaal. De regulering kan, bijvoorbeeld inzake deeltijdse
arbeid, verbeterd worden. Men moet echter geen wonderen verwachten. Ik ben ervan uitgegaan
dat voor mensen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom de huidige knelpunten
hinderpalen zijn om een goed beleid te voeren. De studie is bijna afgerond en ik hoop die
snel om te zetten in een paar praktische besluiten.
De heer Jozef Van Eetvelt (CVP): Mijnheer de minister, ik dank u voor het feit dat u de
problematiek onderschrijft. Ik neem aan dat u ongelukkig bent omdat het zo lang duurt,
maar U zult wellicht zelf moeten trachten de installatie van die Raad te forceren.
Uiteindelijk is het de taak van het beleid om voor de uitvoering ervan in te staan. De
verantwoordelijkheid ligt bij u. U legt veel goede wil aan de dag en erkent het probleem,
maar beklemtoont dat we moeten wachten.
Minister Frank Vandenbroucke: U bent weinig serieus, mijnheer Van Eetvelt.
Ten eerste, wat u niet kunt weten - en wat ik u overigens niet kwalijk neem - is hoe ik
mij elke dag opwind, druk uitoefen, protesteer en telefoneer om de zaken sneller vooruit
te doen gaan. Hoewel ik misschien een kalme indruk geef, ben ik een heel ongeduldig
persoon. De druk die ik op de administratie uitoefen is bijzonder groot.
Ten tweede, dit zijn problemen waarin ik niet wens te improviseren. CVS is een gevoelige
materie, ik wens niet, omwille van de populaire bijval, snel dingen te doen waarvan ik
daarna spijt zou hebben. Ik wens te werken op basis van een maximale medische consensus.
Het erkennen van centra op basis van revalidatie-overeenkomsten is een langdurig proces,
omdat wij daarmee niet lichtzinnig kunnen omspringen.
De heer Jozef Van Eetvelt (GVP): Mijnheer de minister, ik heb U niet aangezet om aan
improvisatie te doen, integendeel. Ik heb gezegd dat u ongelukkig bent omdat het zo lang
duurt. Tevens heb ik gezegd dat het tot de taken van een minister behoort om de zaken
vooruit te doen gaan.
De voorzitter: Ik weet dat de minister zich onvermoeibaar voor deze zaak inzet.
Het incident is gesloten.
|