De conquistadores: wereldveroveraars met oogkleppen

Jos Martens


 

Afrika. De zwarte mythe.

Nieuwe ontwikkelingen

 

In de 17de en 18de eeuw was Afrika het toneel van drie ingrijpende ontwikkelingen.

Nieuwe, goed georganiseerde imperia ontstonden en oudere rijken breidden zich uit.

Ten tweede drong de islam steeds verder door bezuiden de Sahara, een evolutie die de eerste trend zou versterken. Want islamgeleerden werkten instellingen uit voor een goed bestuur. Om één voorbeeld te noemen: reeds in het midden van de 15de eeuw stelde de wijze Al Maghili een complete, zeer doordachte staatsinrichting op voor de emir van Kano, een der beste Hausaheersers in het huidige Nigeria.

De derde historische ontwikkeling was de opkomst van de gruwelijke slavenhandel. Langs een fatale keten van oorzaak en gevolg ging die de stabiliteit van de inheemse staten ondermijnen en op de duur tot een werkelijke ineenstorting van vele inheemse culturen leiden.

 

[Terug naar overzicht: De conquistadores]

 


Bloedend Afrika

 

Hoeveel mensen nu uiteindelijk tussen ca. 1520 en 1860 uit Afrika werden weggesleept, blijft een twistpunt onder academici. Tien miljoen? Twintig miljoen? Of meer? In zekere zin is de slavenhandel, net als de Grote Ontdekkingen zelf, een vrucht van de Renaissance, een bittere galappel, een erfenis van de Oudheid. Een voorbeeld te meer van de dichotomie der humanisten, waar verlichte tolerantie en heksenverbranding, een vooruitstrevend Utopia en achteruitstelling van de vrouw elkaar in een vreemd huwelijksbed troffen.

De westerse Middeleeuwen kenden geen slavernij. Wel lijfeigenschap, horigheid en allerlei vormen van onvrijheid, (volgens onze normen), waarbij echter de persoonlijkheid van de betrokkene nooit in het gedrang kwam. Terwijl een slaaf volgens de Antieken geen persoon was, doch een zaak! In de Nederlanden waren de lijfeigenen reeds eeuwen vervangen door vrije pachters en (doodarme) dagloners. In andere landen, zoals Frankrijk, bestonden ze nog en zouden ze pas verdwijnen in 1789, bij het begin van de Franse Revolutie. In de 17de en 18de eeuw werd hier de lijfeigenschap in tegendeel nog verstrakt, doordat rijke burgers titels en landerijen kochten en veel sterker op het uitoefenen van eeuwenoude heerlijke rechten stonden dan de oude adel, die meestal genoegen had genomen met betalingen in geld in plaats van herendiensten en andere belastingen in natura.

Onder invloed van de herontdekte en zo bewonderde Oudheid sloop de slavernij terug binnen. Eerst in landen als Italië, Portugal en Spanje, waar een in rijkelijke zijde als Moor uitgedoste zwarte een fel begeerd statusobject werd. In de 16de eeuw raakte Europa op grote schaal vertrouwd met de slavernij, niet door de invoer van negers uit Afrika, maar vooral door de raids van de Barbarijse zeerovers uit Algiers en Tunis, die angst en afschuw verspreidden in alle landen rondom de Middellandse Zee, omdat ze niet alleen plunderden en brandden, maar ook christenen als slaven meevoerden. In de 17de eeuw opereerden ze zelfs tot op de kusten van Engeland en ... Mexico toe! Zij stichtten een ware multinational in mensenvlees, waarvoor als tegengewicht geestelijke orden als die der Trinitariërs ontstonden met als voornaamste taak: het vrijkopen van christelijke gevangenen uit Barbarijse kerkers. Van daar naar de lange rijen geketende negers op de plantages in de Caraïben en Brazilië, is maar een kleine stap.

Na 1650 nam de vraag naar slaven overhand toe en de onmenselijke driehoeksnegotie bereikte een hoogtepunt rond 1750. Nog in de twintiger jaren van de 19de eeuw, toen de slavenhandel op zijn eind liep, verscheepten de stadstaten aan de delta van de Niger ongeveer 20 000 slaven per jaar. Koude cijfers, die weinig zeggen over een oceaan van menselijk lijden. Afrika bloedde dood.

Deze schanddaden komen niet voor een rekening van een of andere woeste nomadenstam. Het waren de zeer beschaafde ontdekkers uit het zeer christelijke Europa, die deze duivelse machinatie op gang brachten.

In 1498, op zijn beroemde ontdekkingstocht naar 1ndië trof Vasco da Gama op de Oostkust van Afrika tot zijn verbazing bloeiende en rijke steden aan. De inwoners waren helemaal niet onder de indruk van de kralen en spiegeltjes die hij meebracht. Ze dachten er niet aan dergelijke prullaria te ruilen voor goud of ivoor. Hier hadden reeds eeuwen lang de Swahili-steden gebloeid. Zij waren ongelooflijk rijk geworden door de overzeese handel op lndië, gedreven door het halfjaarlijkse gaan en keren van de moessonwind. Hun zeewaardige boten schrikten niet terug voor tochten van duizenden mijlen, tot China toe. Da Gama besefte dat ruilhandel hier niet opging: hij had eenvoudig geen goederen die de Swahili's wilden! Op zijn tweede reis reeds maakte hij het de koning van Kilwa met wat kanongebulder duidelijk dat hij de stad zou platbranden, tenzij hij 'geschenken' en schatting kreeg voor de koning van Portugal. Zijn opvolgers zouden die 'buskruitdiplomatie' nog veel brutaler toepassen. In 1505 werden Kilwa en Mombasa platgebrand, en alle inwoners, vrouwen en kinderen incluis, over de kling gejaagd. Van dit bloedbad zou de Swahilicultuur zich nooit meer volledig herstellen.

Ondertussen vestigden eerst de Portugezen, later ook de Spanjaarden, Hollanders, Fransen, Engelsen en Denen handelsfactorijen in de Baai van Benin, die bekend raakte als de Slavenkust. Met de stamhoofden in het binnenland wilden zij Europese producten ruilen tegen goud en ebbenhout. Maar buskruit konden de zwarten alleen verkrijgen in ruil voor ivoor, en vuurwapens alleen voor slaven, het ëlevend ebbenhoutí. Zo kwam het werelddeel terecht in een destructieve cumulatieve spiraal van geweld: slaven voor de begeerde geweren, waarmee meer oorlogen konden gevoerd voor meer slaven, voor nieuwe geweren.

De verfoeilijke maar o zo winstgevende driehoekshandel organiseerde zich: goedkope Europese waren (spiegels, katoenen lappen, ijzeren staven) werden in Afrika geruild voor slaven; de slaven vonden in Amerika een gretige aftrek in ruil voor koloniale waren als goud, suiker, tabak en leer, die in Europa fabelachtige winsten opleverden. Een internationale ruilhandel met slechts één verliezer: Afrika.

 

de economische driehoek

 

Langzamerhand veranderde ook de houding van de Europeanen. Waar de eerste Portugese reizigers in de 15de eeuw verdragen sloten met zwarte heersers en vol respect over hun bondgenoten spraken, groeide nu een superioriteitsgevoel tegenover een duidelijk inferieur ras. Een superioriteitsgevoel dat alleen maar zou toenemen, naarmate de eeuwen verstreken en dat ook nu nog niet helemaal verdwenen is. Waarom zouden zelfs de streng calvinistische Hollandse kooplui zich schamen voor hun winstgevende handel, die niet eens door hun kerken werd afgekeurd? Integendeel: winst wees immers op de zegen van God.

Die negers waren toch van nature uit voorbestemd tot een haast dierlijk leven. Als slaaf kwamen zij tenminste in contact met de zegeningen van de christelijke beschaving.

Schip na schip werd volgestouwd met zijn menselijke lading angstige, naakte zwarten. Wat gaf het als minstens 20% onderweg stierf. Een koele rekensom maakte duidelijk dat volstouwen in lagen boven elkaar, zonder voldoende ruimte om te kunnen zitten, toch nog meer winst opleverde dan een behoorlijke behandeling met minder lading. En de negers werden verder op elkaar gepakt als dieren. Neen, erger. Want koeien en varkens waren kostbaar overzee en werden met de grootste zorg omringd.

Op het einde van de 18de eeuw begon in Engeland een klein groepje idealisten te ageren tegen de slavenhandel. Hierbij speelde een intelligente, bevrijde slaaf uit het koninkrijk Benin, Equiano genaamd, een belangrijke rol. (Grappig is te zien hoe de voorstanders van de slavernij exact dezelfde argumenten aanvoerden, die men tegenwoordig aanhaalt om de wapenhandel te verdedigen: afschaffing zou economische ondergang en werkloosheid betekenen enz.) In 1805 verbood Engeland de slavenhandel en Engelse schepen begonnen het vervoer van mensenvee uit Afrika te bemoeilijken.

 


[Terug naar overzicht: De conquistadores]