Hermes in uitbreiding

Boudewijn en de vrouwenproblematiek 1

Machteld De Metsenaere
Hoogleraar VUB

 

Het koningschap van Boudewijn overspant bijna een halve eeuw. Het kan dan ook niet anders of deze regeerperiode is geconfronteerd geweest met een aantal fundamentele maatschappelijke ontwikkelingen , waarvan sommige ook invloed hebben uitgeoefend op de invulling van de koninklijke functie. Eén van de meest opvallende transformaties in deze periode betreft de maatschappelijke rol van vrouwen en de ontwikkeling van de vrouwenbeweging. Het is trouwens één van de belangrijkste dossiers van het tweede golf feminisme geweest, de eis voor abortus, die koning Boudewijn heeft aangezet tot zijn meest controversiële politieke daad tijdens zijn regeerperiode, nl. het weigeren van de ondertekening van de abortuswet in 1990.

In deze bijdrage willen we nagaan hoe de gewijzigde genderverhoudingen en &endash;visies doorwerkten op de koninklijke functie, welke standpunten Boudewijn innam tav. vrouwen, het feminisme en de vrouwenbeweging, op welke wijze dit koninklijk vrouwbeeld kan verklaard worden. De studie van de vrouwenbeweging bevindt zich evenwel nog in een beginfase. Over de houding van het hof daaromtrent zijn we ook niet ingelicht. Bovendien situeert dit alles zich in een zeer recent verleden, waarover het archiefmateriaal nog niet werd vrijgegeven en/of systematisch onderzocht op zijn inhoud. We moeten ons behelpen met onvolledige en onrechtstreekse informatie, zoals de koninklijke toespraken en andere publieke 'gebaren', waarmee de koning signalen naar de publieke opinie kan geven en waaruit de persoonlijke visie van de vorst kan afgeleid worden.2

De compensatie via getuigenissen is beperkt: de discretie, die bewaard wordt omtrent gesprekken met de koning, zorgt er voor dat potentieel interessante getuigen niet willen getuigen of vaak weinig nieuws vertellen. Voor een meer kritische wetenschappelijk verantwoorde studie is het duidelijk nog veel te vroeg.

Wanneer Boudewijn aan het bewind komt, vormen 'vrouwenthema's' geen punt op de politieke agenda en zetten de vooroorlogse genderverhoudingen zich grosso modo verder in de na-oorlogse verhoudingen en visies daaromtrent. Ofschoon gaandeweg meer vrouwen deelnemen aan het arbeidsproces, is de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt nog steeds een tijdelijk en sociaal niet veralgemeend fenomeen. Tot het midden jaren 50 wordt van overheidswege zelfs een vooroorlogs beleid voortgezet om via allerhande maatregelen vrouwen van de arbeidsmarkt te weren en wordt dit gekoppeld aan financiële stimulansen om de vrouw weer aan de haard te krijgen. Dit kadert eveneens in een natalistische politiek . Veel weerwerk tegen een ten aanzien van vrouwen erg paternalistisch optreden wordt toen niet gehoord: de 'klassieke' vrouwenbewegingen binnen de respectieve zuilen worden , zoals voorheen, door de partijen gezien als organisaties om de vrouwelijke achterban te mobiliseren en te disciplineren t.b.v. de partijdoelen. Ook qua ideëengoed borduren ze verder op vooroorlogse visies tav. vrouwen: daarin werd de rol van de vrouw als moeder en hoedster van man en kinderen nog als ideaal aangeprezen. In de socialistische familie worden wel andere klemtonen gelegd- verdediging van anticonceptie en gepland ouderschap -, maar in vergelijking met de generatie feministes die daarop volgt, is ook in de socialistische familie de kloof behoorlijk groot.

Vanaf de jaren 60 verandert de positie van vrouwen snel en opvallend en dat op verschillende domeinen . Onder druk van de economische expansie en het tekort aan arbeidskrachten worden vrouwen aangezet tot buitenshuis werken. De massale intrede van vrouwen op de arbeidsmarkt manifesteert zich dan ook niet toevallig in de expanderende dienstensector. Dat de activiteitsgraad vooral stijgt bij vrouwen tussen 25 en 40 jaar wijst er op dat huwelijk en kinderen gaandeweg niet meer als een hinderpaal worden gezien voor het uitbouwen van een blijvende professionele activiteit. Het regelen van de eigen vruchtbaarheid ,vooral via de popularisering van de anticonceptiepil, laat trouwens toe de kinderwens aan te passen of uit te stellen. Het zijn vooral hoger opgeleide vrouwen die blijven doorwerken en deze groep van vrouwen met een hoog opleidingsniveau verhoogt ook haar aandeel in de bevolking. De groeiende behoefte aan goed opgeleide arbeidskrachten heeft zich immers vertaald in een een gestegen scholingsgraad van jongeren uit alle lagen van de bevolking , maar vooral in een groeiende participatie van meisjes aan het onderwijs. Halen de meisjes in de jaren 70 hun achterstand in op het niveau van het secundair onderwijs, dan is de democratisering van het universitair onderwijs sindsdien ook al vooral een vrouwenzaak . De crisis van de jaren 70 is niet bij machte geweest dit proces om te keren noch vrouwen van de arbeidsmarkt te verdrijven, ofschoon toen een beleid is gevoerd dat vrouwen gedeeltelijk uit de arbeidsmarkt poogt te halen. De crisis heeft dan wel weer de blijvende zwakke positie van de vrouw op de arbeidsmarkt verduidelijkt. Werkloosheid krijgt dan een vrouwengezicht.

Tegen deze vormen van achteruitstelling, maar ook tegen de blijvende ondervertegenwoordiging van vrouwen op beleidsniveau, wordt geprotesteerd door een vrouwenbeweging, die zich vanaf de jaren 70 begint te manifesteren en als 'het feminisme van de tweede golf' de geschiedenis ingaat.

Deze beweging vertolkt de eisen van een jongere generatie vrouwen, geboren na de Tweede Wereldoorlog, doorgaans met een veel hoger opleidingsniveau dan hun moeders en met totaal andere visies op de maatschappij en op genderverhoudingen. In hun verzet tegen alle bevoogdende vormen van gezag betrekken ze ook het paternalisme tegenover vrouwen en hun eisen voor autonomie en zelfontplooiing trekken ze door tot het meest persoonlijke. Even weinig aanknopingspunten als met de vorige generatie vrouwen hebben ze met de bestaande 'klassieke' vrouwenbeweging : ze beklemtonen andere eisen, hanteren andere actiemiddelen. Met hun ludieke en choquerende acties bezorgen ze de feministen van de jaren zeventig dan ook voor altijd de stempel 'Dolle Mina's'. Maar onder hun invloed en onder druk van de maatschappelijke wijzigingen veranderen ook de standpunten van de vrouwen, die via de klassieke partijorganisaties ageren en die langzaam aan doordringen tot de hoogste politieke niveaus. In de tweede helft van de jaren zeventig hervormen deze politicae de voor vrouwen discriminerende wetgeving. Zo realiseren ze trouwens de juridische gelijkberechtiging, die al lang een feministische eis is. Ofschoon de aanwezigheid van vrouwen in topfuncties er nog altijd één is van een minderheid, zorgen deze schaarse beleidsvrouwen wel voor de uitbouw van permanente structuren om de participatie van vrouwen in alle domeinen van het maatschappelijke leven te stimuleren, te begeleiden, te bestuderen. Kortom, gedurende het koningschap van Boudewijn is de positie van vrouwen en de mentaliteit t.a.v. vrouwen zeer grondig gewijzigd.3

In eerste 20 jaren van Boudewijns koningschap noteren we maar weinig vorstelijke belangstelling voor deze ontwikkelingen. In zijn toenmalige toespraken benadrukt hij klassieke waarden (zie verder), die in niets een invloed van de vrouwenbeweging laten vermoeden. Het Internationaal jaar van de Vrouw in 1975, waarvan de sluiting in december door Boudewijn wordt bijgewoond, schijnt ook ten paleize voor een zekere bewustwording te zorgen. In zijn kersttoespraak van 1975 kaart hij voor het eerst het gebrek aan aandacht voor de vrouwen aan.4 Vanaf die periode begint de koning ook systematisch te lezen van en over vrouwen: via lectuur van de Beauvoir, Lilar,Yourcenar verkent hij een voordien onbekende wereld. Dat doet hij vanaf dan ook door vrouwelijke politici, vertegenwoordigsters van de vrouwenbeweging in audiëntie te ontvangen . Zeer goed voorbereid, met een grote mensenkennis en met zeer veel nieuwsgierigheid naar een leefwereld die hem totaal onbekend is, ondervraagt hij hen over hun klim naar de maatschappelijke top, de manier waarop ze gezin en werk combineren, hun visies, hun eisen. Dit dicht enigszins de kloof tussen het paleis en de vrouwenbeweging. Sindsdien onderhoudt hij samen met de koningin ook regelmatige contacten met de Belgische Vereniging van Vrouwelijke Ondernemers, met de Nationale en Internationale Vrouwenraad. 100 jaar Nationale Vrouwenraad in Vlaanderen wordt met een lunch over de vrouwenproblematiek op het paleis herdacht (1984), de laureates van de prijs van Vrouw van het Jaar worden op het paleis ontvangen en de viering van de honderdste verjaardag van de Vrouwenraad wordt door de koning en de koningin bijgewoond.

Van een heroriëntatie getuigt ook de bewuste strategie om meer vrouwen in het kabinet van de koning tewerk te stellen. Onder invloed van contacten met vrouwenorganisaties &endash; namens de Nationale Vrouwenraad heeft ook voorzitster Lily Boeykens deze verzuchting geformuleerd -zoekt het hof bewust naar vrouwen om aan het hof te werken. Claire Kirshen wordt aangezocht als de eerste vrouw in het Huis van de koning voor de functie van adjunct-Kabinetschef voor buitenlandse zaken (1984-89 ) en Jehanne Rocas wordt adviseur bij de kabinetschef van de Koning, verantwoordelijk voor de persdienst.

Voor de 'klassieke' eisen van de vrouwenbeweging, die betrekking hebben op meer participatie van vrouwen aan het maatschappelijk leven, toont de koning gaandeweg veel begrip en sympathie. Het duurt wel tot 1985 vooraleer Boudewijn zich openlijk uitspreekt ten gunste van een grotere politieke participatie van vrouwen5, maar in dezelfde periode oefent hij discrete druk uit om de aanwezigheid van vrouwen in de regering te verzekeren en steunt hij door zijn aanwezigheid en in zijn audiënties aanspraken op een grotere integratie van vrouwen in de politieke mannenwereld.

In de Raad van Bestuur van de Koning Boudewijnstichting. die in 1976 op initiatief van de koning wordt opgericht met de giften t.g.v. de 25e verjaardag van zijn bewind, wordt de vrouwelijke aanwezigheid verzekerd met een 20% aandeel en met de opvolging van vrouwen door vrouwen.

Minder affiniteit vertoont Boudewijn met het gedachtengoed van het nieuwe-golf-feminisme. Het VOK (Vrouwen Overleg Komitee) dat sinds 1972 via de organisatie van een jaarlijkse Nationale Vrouwendag (op 11 november) de feministische en progressieve eisen naar de publieke opinie en de achterban vertaalt, plaatst haar vierde Vrouwendag , deze van 1975, in het teken van de evaluatie van het Jaar van de Vrouw. Ter gelegenheid van de plechtige afsluiting van het jaar van de vrouw, in december, protesteren de VOK-vrouwen via een pamflet tegen de 'politieke schijnheiligheid' van het vrouwenjaar . Toenmalig voorzitster Rita Mulier slaagt er in om dit pamflet tijdens de begroeting aan de koning te geven en de tekening uit te leggen. Op deze karikatuur van GAL wordt een vrouw door de mannelijke ministers van de regering Tindemans aan het kruis (met een vrouwenvuist) genageld, terwijl toenmalig regeringslid Rika de Backer haar handen in onschuld wast. De reactie van de koning was heel afwijzend ('mevrouw, dit is niet waar en niet mooi').

In 1979 formuleert het VOK scherpe kritiek op de regeringsvoorstellen voor een SPT (sociaal pedagogische toelage), een vergoeding voor huismoeders. Op de vrouwendag van 11 november ondertekenen honderden vrouwen een open brief aan koning Boudewijn,waarin ze argumenteren dat de SPT de belangen van de vrouw niet dient. Daarmee proberen ze tegengewicht te vormen voor de actie van de Bond van de Grote Gezinnen, die eveneens bij koning Boudewijn steun zoekt om de SPT wél uit te voeren. De brief van het VOK wordt 'overhandigd aan de koning', maar aan de achterdeur, zonder dat ze de koning te zien krijgen.6 De brief neemt stellingen in over het recht van mannen en vrouwen op een volwaardig privé en maatschappelijk leven, over opvoeding van kinderen als taken van mannen en vrouwen, standpunten, die de koning een decennium later wél steunt . Welke de limieten van deze steun zijn maakt hij echter duidelijk in de kersttoespraak van 1985, die als een verdoken kritiek aan het feminisme kan geïnterpreteerd worden: hij klaagt de diskreditering van de familiale waarden aan, 'onder voorwendsel van de zogenaamde bevrijding van het individu'.7

De gehele rol van het koninklijk paar staat trouwens haaks op een meer feministische invulling van genderrelaties: de koningin speelt geen constitutionele of politieke rol, maar is actief in de niet-politieke sfeer en vult met de 'moederlijke' rol de 'vaderlijke' koningsfunctie aan. Samen, als gezin, incarneren zij de monarchie en vertegenwoordigen zij de familiale waarden van wederzijds begrip, loyauteit, rechtvaardigheid, waardigheid, respect voor autoriteit en recht op vrijheid. De mate waarin koning en koningin daar in slagen, verzekert de consensus over het voortbestaan van de monarchie bij de bevolking.8

Hoe groot de kloof tussen koning en progressieve vrouwenbeweging wel is, wordt duidelijk met de abortuskwestie, die sinds de jaren zeventig weer in de publieke belangstelling en boven aan de agenda van de vrouwenbeweging komt. Terwijl in onze buurlanden de wetgeving immers versoepelt9, blijft België vasthouden aan een 19e eeuwse wet, die abortus strafbaar stelt. Voor de progressieve feministes staat deze wet model voor een vrouwonvriendelijke, asociale, natalistische en conservatief-katholieke visie, die aan het gezin en het huwelijk een voortplantingsrol geeft, die het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw onderwerpt aan de bescherming van de foetus, beschouwd als ongeboren leven. In het verlengde van het 'baas in eigen buik' -standpunt, m.a.w.van het zelfbeschikkingsrecht over de eigen seksualiteit , eisen zij een liberalisering van deze wet . Even sterk verzetten ze zich tegen de bevoogding van de kerkelijke autoriteiten over anticonceptiva en gezinsplanning, die precies vrouwen kunnen toelaten andere rollen te spelen dan deze van het moederschap. Bovendien mobiliseert de abortuskwestie feministes over de generaties heen: de jongere 'tweede golf ' feministes vinden in de klassieke liberale en socialistische vrouwenorganisaties, die al langer ijverden voor gezinsplanning en medisch verantwoorde abortus, belangrijke bondgenotes. Een totale eensgezindheid sneuvelt evenwel op de levensbeschouwelijke verdeling binnen de vrouwenbeweging: ofschoon een groeiend aandeel van christelijke vrouwen zich gaandeweg achter een voorstel voor liberalisering van de abortuswet schaart, blijft een groot deel van de katholieke wereld wars van een wetswijziging. Dit verklaart ook mede waarom op regeringsvlak geen initiatieven worden genomen en verschillende voorstellen van socialisten en liberalen geen meerderheid halen . In 1990 is dat uiteindelijk wél het geval voor het voorstel Lallemand/Herman-Michielsens, dat zwangerschapsonderbreking tot de 12e week mogelijk maakt in een noodsituatie, waarover de vrouw zelf beslist. De stemming in de kamer van volksvertegenwoordigers op 29 maart illustreert duidelijk de levensbeschouwelijke verdeling: de vrouwelijke CVP-parlementairen stemmen &endash;niet allemaal uit overtuiging- uiteindelijk tegen de wet . Daags nadien gebeurt uiteindelijk ook nog wat binnen de regering al gevreesd wordt: via een brief aan premier Martens zegt de koning de nieuwe abortuswet niet te kunnen ondertekenen en beroept zich op zijn geweten. Daarmee ontgoochelt Boudewijn niet alleen grote delen van de vrouwenbeweging,-Lucienne Herman-Michielsen ervaarde het als een persoonlijke vernedering -, maar ontketent hij ook een constitutionele mini-crisis en polemieken over de rol van de monarchie. Tenslotte laat hij zijn privé-overtuiging doorwegen op de koninklijke rol om automatisch door het parlement goedgekeurde wetten te tekenen als uitvoerder van de wil van het soevereine volk en agerend onder medeverantwoordelijkheid van de ministers. Bovendien manifesteert hij voor het eerst zo openlijk zijn conservatief-katholieke standpunten, inclusief het verwerpen van de aanspraken van andersdenkenden op abortus, en breekt hij daarmee met zijn anders steeds getoond respect voor andersdenkenden. In de politieke en academische wereld en in de vrouwenbeweging liet deze minicrisis een wrange smaak na.10

Totaal onverwacht is de koninklijke weigering evenwel niet: in de kerstboodschap van 1989 en in de nieuwjaarstoespraak van 1990 zet hij met de verdediging van het ongeboren kind de toon al en eersterangsgetuigen zijn al langer op de hoogte van zijn standpunt. Waarschijnlijk hebben ze niet verwacht dat hij uiteindelijk zou weigeren de wet te ondertekenen.11 Zijn privé-aalmoezenier pater Verhaegen had het wel verwacht: volgens hem zou de koning nooit hebben willen tekenen omdat hij vond 'dat abortus niet 'gewoon' mocht worden en hij vreesde voor een stijging van het aantal abortussen'. De koning zou hem niet om advies hebben gevraagd, maar mocht dat het geval zijn geweest, dan zou hij hem, 'net zoals kardinaal Danneels, geadviseerd hebben te tekenen'. Naast kardinaal Danneels wordt ook moeder Theresa, bekend tegenstandster van een liberalere abortuswet, in dezelfde periode in audiëntie ontvangen. Hoe dan ook,verschillende invloedrijke personen schijnen tevergeefs geprobeerd te hebben de koppige volharding van de koning om te buigen door te wijzen op de gevolgen voor de monarchie. De koning verdedigt evenwel wél het respecteren van de parlementaire meerderheid , maar zonder zijn handtekening, door voor te stellen de grondwet zo te wijzigen dat hij niet hoeft te tekenen. Uiteindelijk vindt de regering12 een geschikter juridische uitweg door de regering te laten vaststellen dat de koning zich in de 'morele' onmogelijkheid bevindt te regeren. Vervolgens wordt de abortuswet door alle ministers getekend en op 5 april herstellen de Verenigde Kamers Boudewijn in zijn grondwettelijke rechten. Daarmee is een uitzichtloze constitutionele en politieke crisis vermeden.

Een jaar later, ter gelegenheid van de Internationale Vrouwendag op 8 maart, kondigt de regering een grondwetsherziening aan om de 'Salische' wet, die vrouwen uitsluit van de troon, te wijzigen . Zo zou prinses Astrid na prins Filip, maar voor prins Laurent, in lijn voor de troonsopvolging komen. Ofschoon de premier dit voorstel heeft gemotiveerd door te wijzen op de internationale verdragen en de gelijkheid der geslachten, valt te betwijfelen of dit koninklijk initiatief ingegeven is door feministische overwegingen of door plannen voor een snelle troonsafstand, want Boudewijn zou van plan zijn geweest eerst nog een tiental jaar te regeren . Sommige bronnen veronderstellen dat Boudewijn heeft willen vermijden dat prins Laurent, in wiens veel minder orthodoxe levenwandel hij geen vertrouwen heeft, de onmiddellijke opvolger van Filip zou zijn13, maar andere ontkennen dit dan weer ten stelligste.

Vanaf 1991 manifesteert de vorst zijn belangstelling voor de vrouwenproblematiek via zijn aandacht voor de achterstelling van migranten en verarmde autochtonen en voor de bestrijding van racisme en van mensenhandel. De eerste Europese ministerconferentie over Fysiek en Sexueel Geweld tegen Vrouwen, waarop de koning en de koningin aanwezig waren (14.03.91) schijnt achteraf een keerpunt . Van dan af neemt koning Boudewijn zeer geprononceerde stellingnamen in tegen alle vormen van uitsluiting en onderdrukking, inclusief deze tegenover vrouwen. Na de verkiezingen van 24 november 1991, die omwille van het succes van het Vlaams Blok als 'zwarte zondag' de geschiedenis ingaan, consulteert hij in een lang gesprek Paula D'Hondt als koninklijk commissaris voor Migranten. Zijn bezoeken aan migrantengezinnen en &endash;projecten in gezelschap van Paula D'Hondt (zoals zijn bezoek aan Borgerhout Beter Bekeken in juni 1991) moeten gezien worden als gebaren van steun voor Paula D'Hondt en tegen het discriminatoire ideeëngoed van het Vlaams Blok.

De geruchtmakende interviews met Chris De Stoop in Knack over de vrouwenhandel en de smeekbedes van Patsy Sörensen om symbolische en daadwerkelijke protectie van de politieke wereld, mobiliseren Paula D'Hondt en het Hof. 'Hartverwarmend' en 'moedig' evalueert Patsy Sörensen de koninklijke steun aan Payoke via het onverwachte bezoek van de koning aan het opvanghuis in Antwerpen (28.10.92). Het koninklijk bezoek doorbreekt het stilzwijgen rond gedwongen prostitutie en mensenhandel van buitenlandse illegaal aanwezige vrouwen. Door zich op te werpen als verdediger van een specifieke groep uitgeslotenen stuurt hij een sein naar de politieke wereld, plaatst hij hun problemen op de politieke agenda, zorgt hij voor een meer respectvolle behandeling van deze vrouwen en hun kinderen . Dat hij de prostituees van Payoke duidelijk behandelt en wenst behandeld te zien als gelijkwaardigen, illustreert dat 'gelijkwaardigheid' de invalshoek is van waaruit hij vrouwen als uitgeslotenen en achtergestelden van het systeem benadert. Samen met de rol van een combattieve organisatie en een goed overheidsbeleid wordt het optreden van de koning in het buitenland essentieel geacht voor een efficiënte aanpak van de strijd tegen de mensenhandel. Hij blijft discrete en publieke signalen van steun sturen naar de activisten, zoals hij dat deed via zijn kersttoespraak in 1993.14 Terwijl de parlementaire onderzoekscommissie de rol van België in de internationale vrouwenhandel onderzoekt, laat koning Boudewijn zich continu informeren door personen die in deze domeinen actief zijn. Zo ontvangt hij in de maanden voor zijn dood nog vertegenwoordigsters van 'Geweld tegen Vrouwen' van de 'Conferentie voor de Promotie van de Plattelandsvrouw,' van ECPAT, een organisatie die kinderprostitutie in Azië bestrijdt.15 Het belang dat hij aan hun strijd heeft gehecht, wordt ook onderlijnd doordat hun vertegenwoordigers op zijn begrafenis worden uitgenodigd te komen spreken.

Kortom, voorzover het kan gereconstrueerd worden, getuigt het vrouwbeeld van de koning van een bijzonder respect voor de waardigheid en de gelijkwaardigheid van de vrouw. Dit is echter niet zozeer ingegeven door begrip en inlevingsvermogen in het ideeëngoed van het feminisme dat zich vanaf de jaren 70 ontwikkelde . Op geen enkele manier zijn er sporen van steun te vinden voor deze vrouwenbeweging, tenzij voor die activiteiten, die de klassieke maatschappelijke achterstelling van de vrouw willen wegwerken. Bevoorrechte getuigen bevestigen dat enkel de abortuswet (en aanverwante kwesties, zoals contraceptie) hem geprononceerde stellingnamen ontlokte. Wanneer hij zich tot de vrouwen richt, is het om deze te overtuigen van de verdediging van gezinswaarden of om ze als 'zwakke', 'verdrukte' vrouwen te verdedigen.

Zijn vrouwbeeld sluit dus niet zozeer aan bij de maatschappelijke realiteit en bij het leven dat het merendeel van de vrouwen dagdagelijks leiden, maar past veeleer in een geïdealiseerd en harmonieus gezinsbeeld, geïnspireerd door een even geïdealiseerd en religieus gefundeerd vrouwbeeld .Tot die idealisatie is ongetwijfeld bijgedragen door het beeld dat hij zich van zijn moeder heeft gevormd na haar vroege overlijden . Alle getuigen zijn het erover eens dat het overlijden van Astrid hem voor de rest van zijn leven heeft getekend. Na tot zijn 10 jaar opgevoed te zijn geweest door een Nederlandse gouvernante, verblijft hij in een uitsluitend mannelijke leefwereld, waarin de vrouwelijke hoofdrolspelers evenwel sterke en dominante persoonlijkheden zijn. Dit is zeker het geval voor zijn stiefmoeder, prinses Liliane. Deze wordt in de beginjaren van Boudewijns koningschap trouwens gewantrouwd door de socialistische partijtop omwille van haar invloed op de jonge koning. De koningskwestie zit hen nog vers in het geheugen. In 1953 wordt ze door Larock en Spaak als een mooie vrouw, als het enige 'élément vivant' op het paleis ingeschat , die zich evenwel 'beter zou bezighouden met het opvoeden van haar kinderen en goede werken'. Dit illustreert zowel hun bezorgdheid over de paleisroddels (die het hebben over 'ses relations un peu particulières avec sa belle-mère') als hun stereotype vooroordelen tegenover een mooie en zeer ambitieuze vrouw, die volgens hen een huwelijk van de jonge koning tegenwerkt.16 Zijn huwelijk komt er uiteindelijk pas in 1960. Het daaropvolgend vertrek van Leopold en Liliane uit het kasteel van Laken beantwoordt aan de wens van het politieke milieu en van koningin Fabiola, die zich minder goed verstaat met de prinses van Rethy. De breuk met zijn vader en stiefmoeder wordt pas jaren later gedeeltelijk hersteld.

Zijn huwelijk met Fabiola is niet van aard geweest om de religieuze inspiratie van zijn ideaalbeeld van vrouwen te verzwakken en confronteert hem opnieuw met een sterke en intelligente persoonlijkheid. Zij deelt zijn religieuze overtuiging: ze is zeer katholiek opgevoed en ze hebben elkaar trouwens ontmoet via de bemiddeling van de 'religieuze engelbewaarder van de koning', Veronica O' Brien.17 Fabiola deelt de koninklijke interesse voor de Charismatische beweging en zijn uitgesproken conservatieve standpunten t.a.v. ethische dossiers zoals abortus. Daarnaast wordt ze vooral ervaren als een kritische, realistische vrouw met duidelijke ideeën en een sterk gevoel voor humor. De laatste jaren van Boudewijns koningschap heeft Fabiola trouwens een meer actuele dimensie aan haar rol als koningin gegeven door groeperingen die ijveren voor solidariteit met derde-wereld-vrouwen als haar actieterrein te kiezen en waarden als solidariteit en zelfactiviteit van vrouwen te beklemtonen.18 Na de dood van Boudewijn heeft ze zijn acties tegen de mensenhandel zeer hardnekkig voortgezet.

Hun kinderloosheid heeft wellicht ook de koninklijke standpunten t.a.v. vrouwen en hun gezinsrol beïnvloed. Ongetwijfeld heeft dit op het koninklijk paar gewogen zoals op ieder koppel dat kinderen had gewild, zij het dat de troonsopvolging daar voor een monarch een extra -gewicht aan toevoegt.

Voor alle waarnemers is het evenwel zeer duidelijk dat Boudewijns visie op vrouwen en op hun plaats in de maatschappij in belangrijke mate terug te voeren is tot zijn religieuze overtuiging. Samen met koningin Fabiola en andere leden van de koninklijke familie wordt hij sterk beïnvloed door het ideeëngoed van de Charismatische beweging. Waarschijnlijk zijn ze via kardinaal Suenens en pater Verhaegen, zijn privé-aalmoezenier sinds 1974, in contact gekomen met het denken van de Charismatici. Ook het kabinet van de koning draagt een Charismatische stempel.

Deze stroming onderscheidt zich o.m. door uitgesproken conservatieve standpunten tav. gezin en abortus, door een sterk zondebesef , door het promoten van een actief verzet tegen het kwade, door een sterke Maria-verering. 'Compassie', bidden en evangelisatie staan daarbij centraal. Een sterk inlevingsgevoel fungeert als alternatief voor naastenliefde. De Charismatische beweging combineert uitgesproken stellingnamen met een grote tolerantie tegenover andersdenkenden.19 Het koninklijk engagement voor de zwakken en verdrukten- en daartoe behoren voor hem zowel de vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel en geweld als geboren en ongeboren kinderen - heeft dus meer te maken met een groeiend religieuze zingeving van zijn koningschap dan met een aanpassing aan gewijzigde collectieve mentaliteiten. Naarmate Boudewijn de door hem verdedigde waarden internaliseert, is hij het koningschap als een religieuze roeping, een zending, gaan beschouwen. Op de duur incarneert hij voor de publieke opinie de waarden van goedheid en mededogen. Dit laat hem ook toe om zijn aanpak van een aantal maatschappelijke problemen in een meer uitgesproken en politiek en constitutioneel meer riskante richting doen evolueren. Hij gebruikt immers zijn volle 'gewicht' (overreding, invloed, steun, media-aandacht) om moeilijk bespreekbare problemen aan te snijden en oorspronkelijk christelijke waarden als naastenliefde, waardigheid, generositeit een eigen invulling te geven en te verruimen naar de publieke opinie tot solidariteit, vrijheid, rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid, waarden die ook door niet-gelovigen kunnen gedeeld worden . De manier waarop zijn koningschap tijdens de begrafenisplechtigheid in Bijbelse termen wordt geëvalueerd - hij wordt o.a. vergeleken met koning David, wordt een herder voor zijn volk genoemd20 - geeft volgens progressieve en vrijzinnige kringen evenwel geen blijk van veel gevoeligheid voor een niet-gelovige en/of democratische invulling van het koningschap.

Mits enige kritische ingesteldheid worden ook de limieten van zijn engagement duidelijk: dat is er immers niet om te doen geweest de oorzaken van de problemen te formuleren in politieke termen , enige politieke verantwoordelijkheid te dragen over hun uiteindelijke oplossing of aan te zetten tot collectieve actie, maar alleen om met een individuele daad het lijden van de andere te delen. Dergelijke acties riskeren de politici te stigmatiseren en kunnen daardoor gemakkelijk verglijden in rechts populisme, maar anderzijds zijn het enkel dergelijke vormen van persoonlijk engagement, die voor de vorst politiek toelaatbaar zijn. Alleen met de weigering om de abortuswet te tekenen heeft koning Boudewijn de grens tussen moreel engagement en politieke opstelling overschreden.


1 Mijn bijzondere dank gaat uit naar Paula D'Hondt, Miet Smet, Patsy Sörensen, Lily Boeykens , die zo vriendelijk waren mij gedurende de maanden maart - april 1998 een interview toe te staan . Baron Jacques , kolonel De Maere , baron Dehennin en Rita Mulier mogen zich dank weten voor hun schriftelijke getuigenis. Ik ben ook Maud Bracke van het memoriaal bijzonder dankbaar voor haar bereidwillige medewerking en het ter beschikking stellen van uitgeschreven interviews met Wilfried Martens en pater Verhaeghen en een aantal documenten. terug
2 Zie hieromtrent o.a. A. Molitor, La fonction royale en Belgique, Brussel, 1979; J.Stengers, De koningen der Belgen. Van Leopold I tot Albert II, Leuven, 1997. terug
3 M. De Metsenaere e.a., Gewapend met het gewicht van het verleden: enige resultaten van vrouwengeschiedenis in België, in: G.Duby en M.Perrot (eds.), Geschiedenis van de vrouw. De twintigste eeuw, Amsterdam, 1993, p.523-556.
terug
4 Kerstrede 18.12.1975, (ed.V.Neels), Wij Boudewijn, Koning der Belgen. Het politiek, sociaal en moreel testament van een nobel vorst,deel II, Gent, 1996, p. 846. terug
5 Redevoering van de koning tot de overheden van het land, 18.01.1985, ibid., p. 1163. terug
6 25 vrouwendagen in beelden en woorden, Brussel, 1997. terug
7 Kerstboodschap 1985, ib.id., p.1200. terug
8 M.Nagels, Het overlijden van koning Boudewijn in de Belgische dagbladpers, Onuitgegeven licentieverhandeling Communicatiewetenschappen VUB, 1995-'96. terug
9 M. De Metsenaere, Abortus-gegevens in onze buurlanden: een status quaestionis, in: Rapporten en perspectieven omtrent vrouwenstudies, 4, themanummer: Abortus, Brussel,1993, p.131-154. terug
10 E.Witte, De liberalisering van de abortus-wetgeving in België (1970-1990),in: Rapporten en perspectieven, op.cit.,p. 21-102. terug
11 Interview met W. Martens, 23.06.97; zie ook Witte en Neukermans, op. cit. terug
12 Zie Witte en Neukermans, op.cit. terug
13 Stengers, op.cit., p. 303. terug
14 Kerstboodschap 1992,in Neels, deel 2, op.cit., p. 1447. terug
15 Volledige audiëntielijst 1993. terug
16 Bureau P.S.B., 16.03.53 (Instituut Emile Vandervelde), Statut de la Famille Royale. terug
17 Kardinaal Suenens, Koning Boudewijn. Het getuigenis van een leven,Leuven, 1995. terug
18 Rede van koningin Fabiola t.g.v. de top over de economische vooruitgang van plattelandsvrouwen UNO, Genève, 25.02.1992, in: Neels, op.cit., p. 1416-1418. terug
19 H. le Paige (dir.), Questions royales, Réflexions à propos de la mort d'un roi et sur la médiatisation de l'évènement, Brussel,1994. terug
20 Ibid., p.24-29. terug



Copyright © 1999 VLG, 01.02.1999