Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 2: de wereldreizen van Zeng he

 

Jos Martens

Bouw van de vloten en afvaart

 

Een van Zhu Di's eerste orders na zijn troonsbestijging, was de uitbreiding van de scheepswerven van Longjiang, vlak bij de hoofdstad Nanjing. Deze werven op de oevers van de Yantgtze, voorheen al de belangrijkste van China, werden nu gigantisch groot.

Zeven nieuwe, grote droogdokken werden via een serie sluizen met de rivier verbonden. Deze droogdokken bestaan nog steeds, maar worden geleidelijk aan door de stadsuitbreiding opgeslokt.

Chinese tekening van de scheepswerven.

Hier is in 1962 het roer van een van Zheng He's grote schepen gevonden, 12 m hoog! Begin 2002 kondigde de Chinese regering een ambitieus plan aan om de dokken te restaureren en een replica op ware grootte na te bouwen van een van de jonken van Zheng He. Hiervoor kan men gebruik maken van de grote maquettes waaraan vrijwilligers jarenlang hebben gewerkt, gelukkig zonder op officiële goedkeuring te wachten.

Reconstructie van het roer van een der grote jonken, op basis van de vondst te Nanjing, 1962. Links een staande figuur als schaalaanduiding. De roerspil is 12 m lang, de oppervlakte van het roerblad bedraagt 40 m2.

De eerste Chinese oceaanjonken waarover we zekerheid hebben, voeren uit tijdens de Song-dynastie (960-1270). Het waren de Mongoolse keizers van de Yuan-dynastie (1271-1368) die de eerste 'schattingsvloten' uitzonden. Marco Polo beschrijft jonken met vier masten, zestig kajuiten, ruimen met waterdichte schotten en bemanningen van 300 man. De admiraalsschepen van Zheng He overtroffen alles wat ooit bestaan had. Pas de allergrootste houten oorlogsbodems uit het Victoriaanse Engeland benaderden hun lengte. En verscheidene van deze 19de eeuwse reuzen leden aan structurele problemen, waarbij ijzeren spanten binnenin de romp moesten samenhouden.

Helaas zijn er, buiten de reeds vermelde roerkoning, tot nu toe geen andere archeologische resten gevonden uit Zheng He's tijd. Een van de best bestudeerde wrakken, gevonden in Guanzhou (Canton) in 1973, dateert uit de Song periode. Deze tweemaster zonk ergens in de jaren 1270. In de 13 compartimenten van het ruim vielen nog de resten te herkennen van een exotische cargo: specerijen, schelpen en welriekend hout. De lading was afkomstige uit Oost-Afrika. Dus toen reeds bestond de verbinding China - Afrika, zoals men ook kan afleiden uit de Kangnidokaart (zie verder)

Op de educatieve website Nova Online vind je diverse bijdragen over onderwaterarcheologie m.b.t. Chinese jonken en een computeranimatie van een van Zheng he's admiraalsschepen.

Menzies geeft een bijzonder levendige en plastische beschrijving van de bouw der schepen en hun uitzicht, alsof hij er zelf bij was! Hij kan dit omdat er een paar goede ooggetuigenverslagen zijn, waaronder dat van een Perzische ambassadeur, die met de vloot huiswaarts keerde. De grootste schepen waren, zoals reeds gezegd, ongeveer 146 meter lang en 58 meter breed. (Ter vergelijking: het grootste zeilschip in 2004, het Russische -stalen- opleidingsschip Sedov, is 'slechts' 123 m lang.) Elk schip was groot genoeg om 50 vissersboten te bergen. De constructie van elk van de grootste schepen had 120 ha van het allerbeste teakhout gekost. Zij voerden aan elk van de negen masten zelfs zeilen van rode zijde, 'licht maar ongelooflijk sterk' (p. 43).

Slechts op één punt volg ik hem niet:

'Maar deze schepen waren in de eerste plaats ontworpen voor de vaarroute tussen China en Afrika, die ze dankzij de moesson -die twee keer per jaar van windrichting wisselt- zowel heen als terug voor de wind konden afleggen. Hoewel een loggerzeil ook aan de wind op zichzelf tamelijk efficiënt kan zijn betekende de combinatie van de bijzondere rompvorm en het model van de zeilen in de praktijk dat de reusachtige Chinese schepen bijna niet vooruit te branden waren als ze dit probeerden. Ze konden niet overstag gaan en waren in feite alleen geschikt om voor de wind te zeilen -een essentiële beperking als ze zich buiten de moessongordel van de Indische Oceaan en de Zuid-Chinese Zee bevonden. Uit onderzoek naar de koers van de Chinese vloten gedurende de grote ontdekkingsreizen tussen 1421 en 1423 is naar voren gekomen dat deze factor van doorslaggevend belang is geweest' (p.64).

Misschien gaat dat inderdaad op voor de enorme 'moederschepen'. Maar wat dan met de hele flottieljes 'normale' jonken en de eskaders escorteschepen? Hier verkies ik de getuigenis van mensen die effectief met Chinese jonken hebben gevaren, in dit geval kapitein Alan Villiers, Robert Temple en -recenter- de Vlaming Luc Cuyvers. Hun ervaring is tegengesteld aan wat Menzies schrijft.



Copyright © 2005 VVLG, 17.03.2005