Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 2: de wereldreizen van Zeng he

 

Jos Martens

Jonken en veelmasters

 

Terwijl westerse vaartuigen de vorm van een vis imiteerden, het breedste deel vooraan, opteerden de Chinezen onveranderlijk voor de vorm van een watervogel, waarbij een groot deel van het lichaam boven het water uitsteekt. Dit blijkt de efficiëntste vorm te zijn, zoals we nu weten.

De binnenbouw van een jonk is eveneens verrassend. Men gebruikt geen geraamte van spanten, maar de bouwwijze is afgeleid van die van het bamboeriet. Een jonk bestaat uit verschillende segmenten die elk een onafhankelijk geheel vormen, met waterdichte schotten tussen elk segment.

Hoewel zowel Marco Polo (1290) als da Conti (1421) dit briljante ontwerp uit de 2de eeuw n.C. vermelden, werd het pas 1600 jaar later in Groot-Brittannië ingevoerd, rechtstreeks overgenomen van het Chinese voorbeeld. Bij sommige ontwerpen werden gaten geboord in het voorste en achterste ruim; daardoor werden zij 'vrijstromend.' Dit vangt bij zware golfslag de ergste schommelingen op, waardoor het schip stabieler blijft. Bovendien konden vissersboten in zulke ruimen hun vangst levend naar de haven brengen. Pas 1200 jaar later werd deze techniek in Europa ingevoerd.

 Oceaanjonk uit de vloot van Zheng He. Merk de waterdichte schotten (Newby 1975: 59).

Waterdicht tussenschot (Newby 1975: 58).

De uitvinding van het achtersteven- of axiale roer stamt eveneens uit China. Er is een 2000-jaar oud grafmodel teruggevonden dat reeds een dergelijk roer draagt. Het duurde eveneens 1200 jaar voor dit roer in Europa de zijdelingse stuurriem afloste.

De Chinezen bedachten ook het balansroer, waarbij de as zich halverwege het roerblad bevindt. Later volgde het roer met openingen. Daardoor vermindert de weerstand van het water en kan de jonk sneller gedraaid. Pas in de 20ste eeuw nam Europa dit ontwerp over, en dan nog alleen voor oorlogsschepen. Maquette van een jonk met geperforeerd roer (China 1988: 78).

<ILLUSTRATIE - TEMPLE 185, LINKS - ONDERSCHRIFT:>

Balansroer van een vrachtschip. Het roer kan in ondiep water worden opgetakeld (Temple 1988: 185).

De lijst van Chinese zeevaartkundige innovaties is schier eindeloos. Vermelden we nog het zeil- en touwwerk. Zeker sinds de 3de eeuw n.C. hadden jonken meerdere masten. In Europa duurde het, na de val van het Romeinse Rijk, tot in de 15de eeuw vooraleer driemasters terug op de golven verschenen. De masten waren minder hoog dan in Europa, en stonden niet op één lijn achter elkaar, maar verspringend van links (vooraan) naar rechts (achteraan), zodat de wind van het ene naar het andere zeil kan glijden, zonder dat de gunstigste zeilen de andere 'de wind uit de zeilen nemen.' De mast liep niet door tot op de kiel, de bodem van het schip, maar steunde op de bovenbalken van de waterdichte schotten. Dit geniale ontwerp is nooit door Europa overgenomen.

Zeegaande jonken. Merk op de foto rechts de verspringende masten (Temple 1988: 187).

Jonken zijn zeer wendbaar door het balansroer (korte draaicirkel) en het manoeuvreren met voor- en achterzeil. De platte bodem zonder kiel is praktisch in ondiep water. Het diepstekende, grote roerblad dat met behulp van een lier op en neer kan worden gelaten, dient tevens als midzwaard om afdrijven te verhinderen bij zijdelingse wind (Villiers 1978: 52, Temple 1988: 185).

De Chinezen ontwikkelden de langsscheepse zeilen en in het bijzonder het emmer- of loggerzeil (3de eeuw n.C.). De zeilen waren gevlochten uit dunne, smalle reepjes bamboe en in banden verdeeld door bamboelatten (het 'matten-en-latten-zeil'). Iedere zeillat heeft haar eigen schoot (= touw). Daarmee kunnen de zeilen even strak worden getrokken als die van een modern jacht, waardoor de jonk snel en hoog aan de wind kan zeilen en ieder vluchtje wind wordt uitgebuit. De zeelui hoefden niet op gevaar voor eigen leven het want in te klimmen. De zeilen konden immers gemakkelijk van op het dek worden gereefd of ontrold met behulp van verschillende schoten. De latten vouwen zich samen als de lamellen van een jaloezie (zonneblinde). Op Europese schepen moesten de matrozen hiervoor het want in, op hun buik over de ra hangen, terwijl hun voeten steun zochten op het paard, een wiebelend touw dat horizontaal onder de ra gespannen was. Duizenden zeelieden hebben tijdens dit inspannend werk bij nacht en ontij het evenwicht verloren en verdronken in zee.



Copyright © 2005 VVLG, 18.03.2005