Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 2: de wereldreizen van Zeng he

 

Jos Martens

Ibn Majid en da Gama

 

Calicut is ook de plaats waar de Portugees Vasco da Gama in 1498 arriveerde. In onze schoolboeken geschiedenis lezen wij dat hij de zeeweg naar Indië rond Afrika ontdekte. In het beste geval wordt vermeld dat hij hulp kreeg van een Indische loods, in het slechtste geval gaat alle eer naar de Grote Wrede Portugees.

Na veel negatieve ervaringen in de Swahili-havensteden bereikte da Gama Malindi, op de oostkust van Afrika. Hier bezorgde de koning hem een loods, een Arabier uit Gujarat (Indië). Hij vertrok uit Malindi op 24 april 1498, op de eerste vleugen van de zomermoesson en bereikte het Indische Calicut in 23 dagen. Op de terugreis (eind augustus) deed da Gama over hetzelfde traject, zonder de loods, vier maanden, zigzaggend optornend tegen de zomermoesson, waarbij hij andermaal 30 man verloor door scheurbuik. (Het halfjaarlijks wisselend moessonsysteem was de Europeanen totaal onbekend!)

'De Indische Oceaan, een gebied waar de natuur soms hevig tekeer kan gaan, was de plek waar de Arabische maritieme vaardigheden zich vrijuit konden ontwikkelen. De geniale belichaming van die kundigheid, Ibn Majid, zoon en kleinzoon van vooraanstaande Arabische zeevaarders, die zichzelf 'de leeuw van de tomeloze zee' noemde, verwierf roem als de man die het meest wist van de scheepvaart op de gevreesde Rode Zee en de Indische Oceaan.

Hij werd een moslim-beschermheilige van de zeelui, ter wiens ere zij het eerste hoofdstuk van de koran, de Fatiha, reciteerden, voor ze zich op gevaarlijke wateren waagden. Hij schreef niet minder dan 38 boeken in proza en poëzie over elk bekend scheepvaartonderwerp van zijn tijd. Voor de Arabische zeevaarders was vooral zijn Kitab al-Fawa-id, of Zeevaartgids (1490) zeer handig. Het was een naslagwerk voor alle toenmalige kennis op het gebied van de scheepvaart, waarin ook stond beschreven hoe zeelieden over de Rode Zee en de Indische Oceaan konden komen. Zelfs vandaag de dag blijft dit werk volgens sommigen voor bepaalde streken ongeëvenaard.' (Boorstin 1987: 204)

Stel je nu voor: door een verbluffende speling van het Lot was de Arabische navigator juist in Malindi toen da Gama arriveerde. En de man, die had aangenomen om zijn schepen over de Indische Oceaan te brengen, was niemand minder dan deze Ibn Majid! De Portugees wist niet hoe hij bofte. Noch kan Ibn Majid hebben beseft dat zij, toen zij de haven van Calicut binnenzeilden, hoofdrolspelers werden in een van die schitterende voorbeelden van historische ironie. De meester van de Arabische navigatiekunst leidde zonder het te weten de Europese kapitein naar een succes dat het fiasco van de Arabische scheepvaart op de Indische Oceaan zou inluiden!

Nu zit er volgens mij meer achter. Veel navigatiegeheimen kan Ibn Majid de Portugezen niet hebben toevertrouwd, gezien hun moeilijkheden op de thuisreis. Het lijkt me veel waarschijnlijker dat de grootste Arabische navigator van de eeuw hier een historische kans zag om zijn toch al formidabele kennis uit te breiden: voor het eerst ontmoette hij 'Franken', die vanuit Portugal rond de kusten van Afrika waren gezeild. Hiermee werd proefondervindelijk een eeuwenlange wetenschappelijke discussie beslecht. Net als in Europa heerste er een controverse onder Arabische geleerden of de kaart van Ptolemaeus correct was, waar hij Afrika verbond met een zuidelijk continent en zo van de Indische Oceaan een gesloten binnenzee maakte. Ibn Majid kon nu definitief de knoop doorhakken: Ptolemaeus zat goed fout! Quod erat demonstrandum ("wat moest bewezen worden")!

Meer over deze historische episode, zie op deze site, , 'De conquistadores: Bloedend Afrika'

De officiële historicus van de reis, Ma Huan, heeft de tocht van China via Malakka naar Calicut gedetailleerd beschreven. Zijn relaas heeft gelukkig de grote zuiveringen wel overleefd. Maar in Calicut nam hij afscheid van de vloot en keerde terug naar huis.

Puur per toeval arriveerde in 1421 een jonge Venetiaan, Niccolò da Conti (ca. 1395-1469) in Calicut, net toen de Keizerlijke Vloot daar lag aangemeerd. Da Conti speelt een heel belangrijke rol in de argumentatie van Gavin Menzies, dus hebben wij zijn beweringen nagegaan in een hele reeks onafhankelijke en betrouwbare bronnen. Da Conti was in 1414 vanuit Venetië naar Alexandrië vertrokken. Tijdens zijn verblijf in Egypte was hij met een moslimvrouw getrouwd en had zich bekeerd tot de islam. Na zijn terugkeer in Venetië droeg paus Eugenius IV hem in 1444 als boetedoening op, verslag van zijn reizen uit te brengen aan de pauselijke secretaris Poggio Bracciolini. Alle informanten zijn het erover eens dat hij Chinese jonken bezocht en vermoedelijk als passagier op een of ander traject meezeilde.

Hij beschrijft de schepen: 'als grote huizen en volledig anders getuigd dan de onze. Ze hebben tien of twaalf zeilen en grote waterreservoirs binnenin. Het onderste deel bestaat uit drie lagen planken. Sommige schepen zijn in compartimenten gebouwd: raakt er een deel beschadigd, dan blijft de rest intact en kunnen ze doorvaren (Menzies: 82).'

Dit kan alleen betrekking hebben op de grote schepen van Zheng He, want gewone zeejonken waren anders gebouwd en bezaten minder zeilen.

Vanaf Calicut ontbreken Chinese bronnen en kaarten. Menzies is derhalve op secundair bewijsmateriaal aangewezen. In de eerste plaats de gedenkstenen die de Chinezen oprichtten in Calicut, op Sri Lanka, en die hij ook op de Afrikaanse kust terugvindt. De steen in de stad Galle op de zuidwestkust van Sri Lanka is al langer bekend. Hij werd opgericht in 1409, bij een eerder bezoek van Zheng He en draagt een opschrift in drie talen: Chinees, Tamil en Perzisch. Opvallend is dat de drie opschriften een verschillende boodschap brengen. Het Chinese is een eerbetoon aan de keizer en aan Heer Boeddha; de tekst in het Tamil (de taal van Sri Lanka en Zuid-India) bevat een even bloemrijke eerbetuiging voor de god Tenavaray-nayanar, een incarnatie van de hindoeïstische god Vishnoe; de Perzische versie roemt op haar beurt Allah. (Zheng He was zelf moslim.) Vergeleken met de intolerante vervolgingsdrift van da Gama en zijn opvolgers is de Chinese houding er een van minzaam pluralisme. Overal waar zij kwamen betuigden zij eerbied voor de religie(s) van de plaatselijke bewoners (Boorstin 1987: 217).

Nu vormt Afrika geen probleem: op de oostkust is in de Swahilisteden zoveel Ming-porselein uit de regeringsperiode van Zhu Di teruggevonden dat het als inzet bij grafstenen werd gebruikt. Maar zeilden ze ook omheen de Kaap? De Arabieren gingen niet verder zuidelijk dan Sofala, en hun kaarten dus ook niet.



Copyright © 2005 VVLG, 06.03.2005