Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 2: de wereldreizen van Zeng he

 

Jos Martens

Mentale ommekeer

 

Tegen het einde van de 18de eeuw sloeg de bewondering van Europa voor het vooral door de jezuïeten gecreëerde bijna mythische beeld van China als reusachtige door wijze mannen goed bestuurde staat, geleidelijk om in minachting. Oorzaak hiervoor was de mislukte missie van het Britse gezantschap van Lord Macartney naar het hof van keizer Qianlong in Beijing in 1793, in volle Franse-Revolutieperiode.

Dit vormde het cruciale moment voor de toekomst van de Europees-Chinese relaties, hoewel het te betwijfelen valt of ook maar iemand van de betrokkenen dat kon vermoeden. Als relatiegeschenken voerde Macartney een aantal van de meest recente pareltjes van westerse techniek mee, waaronder een stoommachine, toestellen voor mechanische productie van katoenen weefsels, optische precisie-instrumenten...

De missie liep uit op een volslagen mislukking, ogenschijnlijk omdat de Britten weigerden de kow-tow uit te voeren, het traditionele eerbetoon voor de Chinese keizer. De eigenlijke oorzaak lag dieper: in de onverzoenlijke confrontatie van twee totaal verschillende denkwerelden, in de botsing van twee hooghartige, zelfingenomen culturen die zichzelf het middelpunt van de wereld achtten en de ander naar de periferie van de barbaarsheid verwezen. In de ogen van Qianlong konden de geschenken van de Britten niets anders zijn dan het tribuut van een onderworpen vazalkoning. Daarbij had hij niets dan minachting voor economie in het algemeen en handel in het bijzonder. Macartney bood China vooruitgang en handel aan. Maar wat hij aantrof was het model van een gesloten, op zichzelf bestaande, versteende samenleving, die besloten had dat zij niets nodig had van wat de buitenwereld haar kon bieden.

Statieportret van Keizer Qianlong, in ceremonieel wintergewaad van gele zijde, afgezet met brokaat en otterbont. Om zijn hals een 'hofketting' van grote zoetwaterparels. (verticale rolschildering op zijde. Paleismuseum Beijing.

Qianlong (keizer van 1736 tot 1796) wordt beschouwd als de grootste heerser van de Qing, na zijn grootvader Kangxi (de keizer van Verbiest). Onder zijn lange regering verdubbelde de bevolking van China (van 150 tot meer dan 300 miljoen) en bereikte het rijk zijn grootste uitbreiding sinds de Mongool Koebilai Khan (7). Toch was hij in haast alles het tegengestelde van zijn grote voorbeeld Kangxi. Zijn statieportret lijkt dan wel gekopieerd op dat van zijn grootvader, maar op gebied van etiquette was deze Mantsjoe "katholieker dan de paus" of beter: "Chinezer dan de Chinezen." Hij hield halsstarrig vast aan het confucianisme in zijn meest rigide vorm, inclusief de mythe van de Chinese superioriteit over alle volkeren en wilde zijn kusten volledig gesloten houden voor het Westen. Toen leden van het Britse gezantschap later hun verslagen publiceerden heette China daarin "het half-barbaarse rijk". De Engelsen merkten met onverholen verachting op dat "er geen enkele ontwikkeling was van de scheepsbouwkunde en dat de grote vaart hun volkomen onbekend was, met hun lompe jonken." De Chinezen uitvinders van het kompas en het buskruit? Deze onwetende onderontwikkelden, die zich doodschrokken als er een kanon werd afgevuurd? Voortaan werd de Chinees-Europese ontmoeting geformuleerd in termen van confrontatie. De culturele oorlog was verklaard. En dat zou uiterst betreurenswaardige gevolgen hebben in de negentiende en twintigste eeuw, met de Boksersopstand van 1900 (8) als culminatiepunt (Peyrefitte 1991: 537)

Een van de argumenten die zowel de Ming na Zhu Di als de latere Qing steeds aanvoerden om China af te sluiten, was dat het superieure Rijk van het Midden niets nodig had van andere landen. In de confucianistische zienswijze was handel minderwaardig. Maar het is karakteristiek voor het officiële Chinese standpunt dat dit motief in de onderhandelingen nooit werd vernoemd. Het was nochtans niets meer dan een ideologische fictie: China kon sedert zeer zeer lang de buitenlandse producten niet meer missen: peper, specerijen, vermiljoen, wierook, reukwerk, fijne houtsoorten als sandelhout, ivoor (waaruit de inheemse vaklui prachtig en ongelooflijk ingewikkeld snijwerk vervaardigden), koraal, parels, katoenen en wollen stoffen...

Als gevolg van de Chinese houding was de Britse handelsbalans gedoemd om negatief te blijven. De Britten verlangden Chinese zijde en vooral ... thee. (De Britse verslaving aan thee was reeds een feit.)

Om daaraan te verhelpen volgde een van de schandelijkste episodes uit de Europese koloniale geschiedenis. Engelse smokkelaars kweekten bij de Chinezen de behoefte aan opium. Tussen 1813 en 1833 verdubbelde China zijn export van thee, maar verviervoudigde de import van opium. Omstreeks 1840 werd de Chinese overheid ernstig ongerust over de omvang die de verslaving had aangenomen onder brede bevolkingslagen, met fatale gevolgen voor de volksgezondheid. Zij verbood de opiumhandel en massale hoeveelheden drugs werden verbrand. Om 'een einde te stellen aan de voortdurende provocaties van China tegen Britse handelaars' en in naam van de heilige vrijhandel stuurde Londen een vloot van 40 schepen en een troepenmacht van 4000 soldaten. De Chinese jonken en forten waren niet opgewassen tegen de moderne Europese artillerie. Bij het Verdrag van Nanking in 1842 verwierf Groot-Brittannië handelsconcessies, in een aantal Chinese havens, o.a. Sjanghai en werd het onafhankelijke statuut van Hongkong bevestigd.

 

Noten

7. Bevolkingscijfers. Tussen de late Ming-periode en de tijd van Verbiest (ca. 1685) kende China een catastrofale afname van de bevolking, van naar schatting 150 miljoen naar 100 miljoen, veroorzaakt door natuurrampen, buitenlandse invallen, burgeroorlog enz. Voor de regering van Qianlong zijn veel exactere cijfers voorhanden, afkomstig van regelmatig uitgevoerde volkstellingen (Spence 1991: 95).

8. Boksers. Als rechtstreeks gevolg van het Verdrag van Nanking nam het verzet tegen de 'vreemdelingen' en het bestuur van de Qing in de 19de eeuw steeds scherpere vormen aan. De Taiping-opstand 1850-1864) eiste 20 miljoen doden ( tweemaal meer dan de Eerste Wereldoorlog) en leidde bijna tot de val van de dynastie.

Eind 19de eeuw groeide de beweging van de Boksers (Vuisten der Gerechtigheid en Harmonie) spectaculair in omvang. Dit was een politiek-religieus genootschap, principieel xenofoob, dat alle Europeanen uit China wilde verdrijven en op veel steun kon rekenen binnen de regering. De Boksers vermoordden tientallen zendelingen en duizenden Chinese christenen. In 1900 belegerden ze de buitenlandse legaties van Tiensin en Beijing. Daaraan kwam pas een einde door het inzetten van een internationale troepenmacht. In 1901 werd de regering bij verdrag verplicht de Boksersbeweging uit te roeien en een zeer grote schadeloosstelling uit te betalen aan de Europese naties.



Copyright © 2005 VVLG, 23.03.2005