Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 2: de wereldreizen van Zeng he

 

Jos Martens

Precolumbiaans Amerika: isolationisme versus diffusionisme

 

Van bij het ontstaan van de amerikanistiek, ca. 1850, overheersen twee elkaar bestrijdende strekkingen het wetenschappelijk debat: isolationisme versus diffusionisme. De eerste richting gaat uit van het volstrekt unieke en zelfstandige karakter van de Amerikaanse culturen, die tot stand gekomen zouden zijn zonder invloed van buitenaf. De tweede neemt aan dat een aantal buiten-Amerikaanse beschavingen het ontstaan en de ontwikkeling van de Amerikaanse culturen hebben beïnvloed.

Egyptenaren, Feniciërs, de 'Verdwenen Stammen Israëls', de Indiërs en Japanners passeerden om de beurt of gelijktijdig de revue. De amerikanist Nigel Davies onderwierp in een verdienstelijke poging tot synthese de belangrijkste theorieën aan een kritische analyse in zijn boek Amerika voor de komst van Columbus. Oorsprong en ontwikkeling van de oudamerikaanse culturen (1976). China duikt in zijn verhaal regelmatig op, meestal in verband met het motorisch moment van de oude culturen in de Nieuwe Wereld, het tijdstip waarop zij opduiken in de schijnwerpers van de geschiedenis. En dan staat de wetenschap voor een probleem van synchronisatie. Zowel bij de Olmeken in Mexico als bij de Chavin-cultuur in de Andes (beide te situeren ca. 1000 v.C.) komen frappante parallellen met China voor in de voorwerpen zoals aardewerk, in vorm en iconografie. Maar de tijd klopt niet! Ofwel vind je ze in Amerika lang voor China, ofwel veel te lang daarna. Davies geeft een overzicht van de Chinese berichten van overzeese expedities. Die gaan terug tot Qin Shihuangdi (221-206 v.C.) en de Han-dynastie (206 v.C.-220 n.C.). Typerend is dat hij alleen melding maakt van de oostelijke Golfstroom (Weihü in China) die de Spaanse galjoenen veel later effectief zouden benutten voor de tocht van Manilla naar Mexico. Terwijl Menzies voor de Zheng He-expedities de westelijke route omheen Afrika verdedigt, die paradoxaal genoeg, als men de heersende winden en zeestromingen, kent normalerwijze sneller is dan de logischer lijkende oostelijke weg.

Na de Tweede Wereldoorlog is een steeds groter aantal specialisten ertoe gaan neigen 'om precolumbiaanse relaties tussen de beide hemisferen een zekere waarschijnlijkheid toe te kennen.' (Let op Davies' voorzichtige formulering!) Dat was bijvoorbeeld het geval bij het merendeel van de deelnemers aan een symposium dat in 1968 in Santa Fe, New Mexico, gehouden werd over het onderwerp Man across the Sea: Problems of Pre-Columbian Contacts. Gezaghebbende geleerden als de Amerikaanse archeoloog Gordon Ekholm en de Oostenrijkse sinoloog Robert Heine-Geldern (+ 1968) 'houden een zeer lange periode van contacten voor mogelijk' (Davies: 128). Sinds Heyerdahl (1914 &endash;2002) in 1947 tijdens zijn Kon-Tiki-expeditie met een balsavlot de Stille Oceaan overstak van Ecuador naar Polynesië, zijn de opvattingen langzaam gaan kantelen. Zeker toen hij dat succes nog eens over deed en in zijn Ra-expedities (1969 en 1970) erin slaagde met een papyrusboot van Safi in Marokko naar Barbados te zeilen. 'Het is buitengewoon belangrijk om te erkennen dat er geen groots opgezette kolonisatie van Amerika is geweest, laat staan een kwestie van de een of andere verovering. Bemanningen zijn misschien van tijd tot tijd in kleine groepen van de Amerikaanse kust aan land gegaan en het binnenland ingetrokken. Er wordt echter de nadruk opgelegd dat dergelijke bezoeken nauwelijks toevallig hebben kunnen plaatsgehad als gevolg van een afdrijven van de koers door stormen of zeestromen. Heine-Geldern wijst er op, dat kunstenaars en sterrenkundigen (zonder wie de reizen stellig zonder resultaat zouden zijn gebleven) over het algemeen niet enkel op goed geloof van wal staken; zij zouden dan pas mee op reis gaan als zij wisten waarheen men koers zette en dat hun diensten welkom waren. Dat houdt bovendien de mogelijkheid van terugreis in, daar dergelijke lieden verwachten weer thuis te zullen komen' (Davies: 132).

Hij vat samen: de contacten tussen Azië (China én Indië) zijn mogelijk en zelfs waarschijnlijk, maar hebben de Amerikaanse hoogculturen als deze van Teotihuacan (gelijktijdig met de Han in China) of Tikal (Maya) niet fundamenteel beïnvloed. 'Tenslotte heeft de imitatie van de Chinese kunst in de vorm van chinoiserieën, te zamen met de import van grote hoeveelheden Chinese goederen, het verloop van de Europese geschiedenis niet noemenswaardig veranderd' (Davies: 142).

Lijkwade van jaden plaatjes, verbonden met zilverdraad. Oostelijke Han. 2de eeuw. L. 170 cm, B. schouders 47 cm, gewicht 25,1 kg.

Mozaïekmasker van een Maya-vorst uit Tikal (Guatemala).

Jadeïet, diopsiet, schelp, paarlemoer en pyriet. 6de eeuw. H. 34,5 cm, B. 29,5 cm.

Zowel in China als in Meso-Amerika is het zeer harde jade uiterst kostbaar en wordt het klaarblijkelijk met dezelfde doeleinden gebruikt: het lichaam (symbolisch?) voor bederf bewaren. Wijst dit op rechtstreekse contacten of is het toeval?



Copyright © 2005 VVLG, 30.03.2005