Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 3: : Holbeins De Franse gezanten: tijds- en wereldbeeld

 

Jos Martens

Onderste plank

Zo ligt links bij de wereldse Dinteville, een opengeslagen exemplaar van Petrus Apianus' 'Kaufmanns-Rechnung', voluit: Eyn Newe unnd wohlgegründte underweysung aller Kauffmannss Rechnung in dreyen büchern (Een nieuw en betrouwbaar instructieboek voor koopmansrekenen), gepubliceerd in Ingolstadt, 1527. Het boek is half geopend door de winkelhaak die tussen de bladzijden steekt en zo duidelijk geschilderd dat we de tekst kunnen lezen, een afbeelding uit Boek III, Q. 8, die niet zomaar begint met het woord Dividirt, wat andermaal verwijst naar de politieke en religieuze verdeeldheid van de tijd, die in het schilderij zo overduidelijk aanwezig is, voor wie de tekenen weet te lezen. Zelfs de winkelhaak als bladwijzer is niet toevallig. Een winkelhaak waarvan de lengten van de benen zich verhouden als 3:4 verwijst naar de stelling van Pythagoras, omdat men hiermee een driehoek kan construeren waarvan de zijden zich verhouden als 3:4:5 en is tevens het symbool van Gods liefde en de naastenliefde, maar verwijst ook naar de verhouding tussen God en de wiskunde als taal van de schepping. (Als dit je doet denken aan de veel latere vrijmetselaarssymbolen -winkelhaak en passer- is dit inderdaad evenmin toeval!)

Ook hier een boek over wiskunde, maar dan praktische wiskunde, afgestemd op de noden van de koopman en vermenigvuldigd met de nieuwe technologie van de drukpers. Petrus Apianus (Peter Bienwitz) was toentertijd een briljante jonge Saksische wiskundige, cartograaf en instrumentenbouwer. In 1520 gaf hij een kaart uit met een verkleinde kopie van Walseemüllers gedrukte wereldkaart uit 1507, maar zonder dat zijn uitgever de oorspronkelijke auteur vermeldde.

In 1524 publiceerde hij Cosmographicus Liber, geïnspireerd op Ptolemaeus. Apianus verkondigde de opvatting dat 'kosmografie' geen specifieke discipline is, maar een overkoepelende term voor de studie van de gehele kosmos. Ze omvat astronomie, geografie, theoretische cartografie. Astronomie weerspiegelt binnen het holistische wereldbeeld, uitgedrukt in het vloermozaïek, een even holistisch wetenschapsbeeld waarin theorie, experiment en praktisch vakmanschap tot een eenheid verbonden zijn. Holbeins portret is als het ware een picturale weergave van Apianus' theorie.

Diens boek bevatte daarenboven ook formules voor de berekening van lengte- en breedtegraden en toepassingen van de goniometrie (onderdeel van de driehoeksmeting: leer der verhouding van hoeken en zijden van rechthoekige driehoeken). In 1531 volgde een tweede editie. Ondertussen was er in 1529 een uitgave verschenen met aanvullingen en correcties door de Leuvense hoogleraar en latere leraar van Mercator, Gemma Frisius, met daarin een stuk van Frisius over de Nieuwe Wereld: De insulis nuper inventis ('Over de onlangs ontdekte eilanden'). Apianus had namelijk in navolging van Waldseemüller ook Amerika losgemaakt van Azië, waar de meeste geografen nog steeds Columbus volgden en de Caribische eilanden verbonden met Azië.

Frisius was waarschijnlijk de eerste aanhanger van Copernicus in de Nederlanden. Hij volgde met veel belangstelling diens werk, nog voor de publicatie van De Revolutionibus Orbium Coelestium ('Over de omwenteling van de hemellichamen', 1543). In 1530 had Frisius reeds een globe vervaardigd waarover we verder niets weten. In 1536 volgde dan zijn beroemde globe, tevens het eerste werkstuk waaraan de jonge Mercator meewerkte. Frisius koos uiteindelijk voor de geneeskunde, maar ook daarin was er nood aan astronomie, nodig voor de astrologie (toen nog als een volwaardige wetenschap beschouwd) en voor bepaalde behandelingen zoals aderlating, waarvan men geloofde dat er invloed was van de sterrenbeelden. Apianus anderzijds bracht het later tot hofarts van Karel V, als voorganger van Andreas Vesalius (Crane 2003, Vanpaemel 2000).

Achter het rekenboek ligt een aardglobe, waarvan lang gedacht werd dat het een nauwkeurige kopie is van Johann Schöners verdwenen globe van 1523.

Johann Schöner (1477-1547) was een Nürnbergse wiskundige, astronoom, cartograaf drukker en boekhandelaar. Het is in een atlas van deze Schöner dat het enige bewaarde exemplaar van Waldseemüllers wereldkaart uit 1507 was ingebonden. Hij had trouwens Waldseemüllers kaart gereproduceerd op zijn globes van 1515, 1518 en 1520. In 1515 publiceerde hij een handboek over aardglobes, in 1518 gevolgd door een over hemelglobes. Net zoals Waldseemüller verkocht hij dit drukwerk samen met de geren (segmenten) om de globes zelf in elkaar te steken.

In 1523 volgde dan een bijgewerkte aardglobe, waarop de route en de ontdekkingen van Magalhães waren uitgezet. Ook later publiceerde hij nog globes, stuk voor stuk groter dan die van Waldseemüller (Vanpaemel 2000:89). Een ervan moet Holbein tot model hebben gediend, want op de globe die hij hier schildert is Magalhães' wereldreis weergegeven en de demarcatielijn van het Verdrag van Tordesillas (1494). Opvallend is dat hij op de kaart van Frankrijk Policy intekende, de heerlijkheid van Dinteville.

Rechts, dicht bij de bisschop, is de luit met een gesprongen snaar het meest opvallende voorwerp. Dit is, net als de anamorfe schedel, andermaal een proeve van Holbeins meesterschap in de weergave van de wiskundige perspectief, wat in zijn tijd zeer hoog in aanzien stond. Een luit is zeer moeilijk in correct-realistische perspectief te schilderen. Dürer wijdde er in 1525 een houtsnede aan, die Holbein beslist kende.

 

Albrecht Dürer, Onderricht in het meten met passer en liniaal (Russel, 1978: 160).

Toont een zeer tijdrovende en ingewikkelde methode om een driedimensionaal voorwerp over te brengen op een plat vlak. Heeft Holbein zo gewerkt? Het hele schilderij lijkt eerder in aanmerking te komen voor een toepassing van de camera obscura, zoals Hockney vooropstelt. Zie hierover: Spiegels en lenzen bij Van Eyck.

Natuurlijk schuilt ook hier weer de nodige symboliek achter. In de kunst en de moraliteiten is de luit normaal een erotisch geladen metafoor voor ijdele genoegens, de minne. Zie bijvoorbeeld Jeroen Bosch, De hooiwagen en Het narrenschip en Bruegel, De triomf van de dood.

De luit wordt met dezelfde betekenis vaak afgebeeld in stillevens met het zogenaamde vanitas-motief. (Dit gaat terug op de Schrift, Prediker 1:2: "Vanitas vanitatum, omnia vanitas", "ijdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid." In Bruegels schilderij en in de wijd verspreide dodendansen zie je vaak een paartje minnekozen en luit spelen, terwijl de Dood hen komt halen. Nu was Holbein zelf de auteur van de populairste Dodendans aller tijden, een reeks houtsneden (gegraveerd door de alfabetsnijder Hans Lützelberger) met als thema: de Dood roffelt de trom en voert ten dans en niemand, arm noch rijk, arbeider noch edelman ontsnapt. De houtsneden werden uitgegeven in Lyon, 1538, herhaaldelijk herdrukt en ontelbare malen gekopieerd zelfs door de jonge Rubens, nog voor het einde van de eeuw (nu in het Stedelijk Prentenkabinet te Antwerpen).

 Hans Holbein, De edelvrouw en de Dood.

  • Over de obsessie voor de dood sinds de late Middeleeuwen: klik hier.
  • Over de luit als erotisch symbool, Landbouw: gebonden aan de seizoenen: klik hier.
Ongetwijfeld hadden Holbein en zijn opdrachtgevers deze symboliek in gedachten. Ze correspondeert te mooi met de andere symbolen van vergankelijkheid, zoals de schedel op de vloer en het zilveren doodshoofd op de baret van Dinteville.

Maar even ongetwijfeld hebben zij en vooral dan bisschop de Selve de voorstelling omgebogen naar een tweevoudige, even belangrijke andere betekenis. In de eerste plaats staat de luit hier voor de muziek, een der disciplines van het Quadrivium, en sinds Pythagoras nauw verbonden met de wiskunde. Via de instrumenten en de wiskundig juiste tonen kan men volgens de Griekse wijsgeer de 'muziek der sferen' horen, de weergave van de kosmische harmonie, door God ingesteld. "Wiskunde is de taal waarin God het heelal geschapen heeft." De gesprongen snaar verwijst naar de verbroken religieuze harmonie van die jaren, maar -geheel in de toonaard van het schilderij- ook naar de door de religieuze twisten verbroken kosmische harmonie.

Voor de luit ligt Johann Walthers Geystliches Gesangbüchlein (Wittenberg 1524) met de Luther-liederen. Ook dit is geenszins toevallig: uit die twee voorwerpen spreekt de op harmonie gerichte, tolerante houding van de jonge bisschop, een vertegenwoordiger van de gematigde fractie binnen de Franse kerk, die in een tijd van verbitterde godsdienststrijd, net als Erasmus, een verzoenende houding aannam ten opzichte van de hervormingsbewegingen, tegen de fanatici van de Sorbonne in. Dit blijkt niet alleen uit het Lutheraanse gezangboek, maar wordt ook bevestigd door zijn bewaarde brieven en gedrukte teksten.



Copyright © 2005 VVLG, 30.12.2005