Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 3: : Holbeins De Franse gezanten: tijds- en wereldbeeld

 

Jos Martens

Bovenste plank

 

De hemelglobe achter Dintevilles elleboog correspondeert met de aardglobe beneden. Ze lijkt als twee druppels water op een hemelglobe van andermaal Johann Schöner uit datzelfde jaar 1533, nu in het Science Museum in Londen.

Globes werden vaak in bij elkaar horende paren verkocht: telkens een aard- en een hemelglobe en waren zeer duur. (Omstreeks 1570 verkocht Plantin de globes van Mercator voor gemiddeld 25 carolusguldens per paar. Een carolusgulden is bij benadering 75 tot 100 euro. Het paar kostten zij dus toen 1875 tot 2500 euro!)

De belangstelling voor cartografie en kosmografie was algemeen verspreid onder de hogere klassen van die tijd. Zelfs iemand als Karel V was er bijzonder in geïnteresseerd: Mercator vervaardigde voor hem instrumenten en een kleine globe in kristal en hout die in een groot mechanisch uurwerk moesten ingewerkt worden (Vanpaemel:11).

Tot dan toe bestond er in het Westen een kloof tussen denkers en handwerklieden. In deze korte periode van de geschiedenis leek die kloof gedempt te worden. Er heerste in deze dagen een wederzijdse waardering van geleerden en ambachtslui voor elkaar. Mercator was niet alleen cartograaf, maar hanteerde zelf de burijn voor zijn gravures en vervaardigde op aanraden van Gemma Frisius zijn eigen instrumenten, zoals astrolabia. Niet alleen da Vinci, maar ook Alberti, Holbein en Dürer beklemtonen het belang van praktische wiskundige kennis. Volgens Leonardo da Vinci konden kunstenaars en geleerden elkaar onder andere vinden in de studie van de anatomie en de geometrische perspectief (Vanpaemel: 14). De geograaf kon niet om de wiskunde heen, noch om de astronomie, die nodig was om lente- en breedtegraad te bepalen. De hele kosmos leek wel een netwerk van getallen en onderlinge verhoudingen, die misschien ook een diepere betekenis hadden. Nogmaals:"Wiskunde is de taal waarin God de kosmos heeft geschapen." In 1515 tekende Albrecht Dürer samen met de wiskundige Stabius -die we straks andermaal gaan ontmoeten- de aarde in perspectief vanuit de hemel, als in een hedendaagse satellietopname.

"Gij hebt alle dingen geordend bij maat en getal en gewicht." (Wijsheid 11:21)

God als de grote bouwmeester van het heelal (Franse bijbel, 13de eeuw). Deze vaak gebruikte metafoor gaat terug op (het apocriefe) Wijsheid 11:21 en zal via de vrijmetselaars (18de eeuw) populair blijven tot bij de 19de eeuwse schilders als Wiliam Blake (1757-1827)

Rechts naast de hemelglobe staat een herders- of cilinderzonnewijzer. Het is een draagbare zonnewijzer. De stijl staat horizontaal en moet ten opzichte van de aantekeningen op de cilinder ingesteld worden op de datum van het moment. Als de stijl naar de zon gericht wordt duidt de schaduw van het uiteinde van de stijl het uur aan op de gebogen lijnen op de cilinder. Die zijn berekend voor één bepaalde breedtegraad. Enkel voor die breedtegraad is de zonnewijzer te gebruiken. Omdat de lengte van de schaduw bepalend is voor de uuraflezing is dit een altitude- of hoogtezonnewijzer (in tegenstelling tot poolstijlzonnewijzers waarbij de richting van de schaduw bepalend is). Deze zonnewijzer is niet erg nauwkeurig maar draagbaar, gemakkelijk en goedkoop te vervaardigen.

Men heeft berekend dat de zonnewijzer hier is ingesteld voor 11 april of 15 augustus. Het is niet zeker dat de Selve op 11 april reeds in Londen was. Maar in 1533 viel Goede Vrijdag op 11 april. Waarschijnlijk moet dit verbonden worden met de half verborgen Christus op het kruis, achter het gordijn, uiterst links en met het Luthers hymneboek en zit er dus een religieuze betekenis achter. De combinatie van schedel en kruis worden dan weer gezien als een verwijzing naar de heilige Hiëronymus, patroon van de humanisten.

Het volgende instrument is een kwadrant. Het diende om de hoek en de hoogte van de zon te meten ten opzichte van de horizon. In dat opzicht is het een verre voorloper van de sextant. Om het te kunnen gebruiken bezit het een opklapbaar vizier en een schietlood. Achter het kwadrant kan men een tweede onderscheiden, uit papier. Papieren instrumenten als dit of zelfs astrolabia werden door geleerden vaak gedrukt en los ingesloten in hun boeken met beschrijvingen over het gebruik van de nieuwe of geperfectioneerde astronomische toestellen. De koper kon dan aan de hand van een gebruiksaanwijzing het toestel zelf monteren.

Het kwadrant staat op een plankje en daarop een kompas met een richtvizier.

Het instrument met de verschillende zonnewijzers op het schilderij is een veelvlakzonnewijzer of polyederzonnewijzer. In dit geval een tienvlak- of decaederzonnewijzer.

Op elk vlak van de polyeder staat een zonnewijzer, niet alleen op een horizontaal of verticaal vlak maar ook op de vlakken met een positieve of negatieve inclinatie. Zij werden (en worden) gemaakt voor het plezier van het berekenen van de stand van de uurlijnen en van de stijl in al die verschillende posities. Bovendien moet je rekening houden met de oriëntatie van de vlakken. Als één kant naar het zuiden gedraaid is hebben de andere vlakken een bepaalde andere oriëntatie. In het afgebeelde voorbeeld is dat oosten, westen en noorden. Maar als het veelvlak meer vlakken heeft dan zijn er ook meerdere oriëntaties.

 

Meer over de polyeder

Het volgende instrument is een torquetum. Een torquetum dient om de positie van de planeten te bepalen. Het is voor het eerst beschreven door de grote geograaf Ptolemaeus (Alexandrië, eerste eeuw); het werd gebruikt om de positie van de hemellichamen te bepalen, en om de tijd met enige zekerheid vast te stellen. Zijn ingewikkelde constructie liet toe het in te stellen voor breedtegraad en datum; de hoogte van de geobserveerde hemellichamen werd afgemeten tegen de loodlijn op de hangende halfcirkelvormige flap. Kennis over het torquetum dook opnieuw op in de 13de eeuw. In de 15de en 16de eeuw was er veel interesse om diverse types te ontwerpen, waarvan slechts weinig voltooide exemplaren de tand des tijds overleefden. Daarna raakte het langzamerhand in onbruik door de gestage perfectionering van het astrolabium, onder andere door Gemma Frisius en Mercator. Een dergelijk torquetum was ontwikkeld door Petrus Apianus, die we op het schilderij reeds ontmoetten als auteur van het rekenboek. Bij al zijn andere talenten was hij bovendien een van de belangrijkste instrumentenmakers van de vroege 16de eeuw. Hij publiceerde een beschrijving in zijn Astronomicum Caesareum, in 1532, één jaar voor het schilderij. Wat Holbein hier afbeeldt in het bezit van de gezanten is dus werkelijk spitstechnologie en het wetenschappelijke neusje van de zalm.

 Tekening van een torquetum in Astronomicum Caesareum van Petrus Apianus (1532).

De verzameling voorwerpen toont aan dat de gezanten nauw betrokken waren bij de wetenschappelijke en opvoedkundige beweging van de Renaissance, die toen als bijzonder progressief werd beschouwd. Wat Holbein weergeeft op de tafel zijn de werktuigen, geschapen door de geest van de mens om de wereld te meten, in kaart te brengen en weer te geven -niet de wereld zelf. Dit roept verbazend sterke reminiscenties op aan de 20ste-eeuwse filosoof Karl Popper (1902-1994) en zijn 'Wereld 3'-theorie(2). Het voorgestelde is een web van tekens die leiden naar de ware realiteit, verborgen in deze wereld van verschijningsvormen. De wereld zelf is geschapen door God. Als we al enige kennis bezitten van Gods werken, leiden wij die af van het symbolisme en de spiegel van onze mathematische kennis. Zoals Alain de Lille het in de 12de-eeuw samenvatte: "Omnis mundi creatura/ Quasi liber et pictura/ Nobis est et speculum" (Elk werelds schepsel is voor ons als een boek en een beeld en een spiegel). Dit wil niet zeggen dat in de middeleeuwse opvatting de werkelijkheid uitsluitend symbolisch is. Wél dat werkelijkheid en symbool door elkaar liggen op één zelfde vlak van zingeving. Net alsof het membraan van de zichtbare werkelijkheid somtijds dunner wordt, doorbreekt en toegang verschaft tot een onzichtbare werkelijkheid die meestal achter haar verborgen blijft.

Over spiegels, in het bijzonder bij Van Eyck


2. Karl Popper (1902-1994) en zijn 'Wereld 3'- theorie. Volgens Popper - een der meest omstreden wetenschapsfilosofen van de 20ste eeuw - bestaat er naast een objectieve wereld van materiële objecten (die hij 'Wereld 1' noemt) en een subjectieve wereld van de geest ('Wereld 2') ook een 'Wereld 3' van ideeën, kunst en wetenschap, taal, ethiek, instituties - kortom het hele erfgoed van de cultuur - in zoverre die in code gebracht is en geconserveerd in objecten van 'Wereld 1' als daar zijn: boeken, machines, films, computers, afbeeldingen en alle soorten registraties enz., zolang ze maar potentieel toegankelijk zijn. Het originele van zijn gedachtegang schuilt hierin: hoewel alle Wereld 3 -objecten voortbrengselen zijn van de menselijke geest kunnen zij bestaan, onafhankelijk van elk kennend subject. Het lineair-B van het minoïsche Kreta, de Egyptische hiërogliefen, de Mayagliefen, Etruskische teksten, de Peruaanse quipu's (knopenschrift) ontlenen hun belang voor de mensheid louter aan hun blote bestaan, ook al was (en is gedeeltelijk) geen mens op deze planeet in staat die tekens te begrijpen.

Het verschil met De Franse gezanten is niet zo groot, gezien door de ogen van de leek die we waren bij onze eerste kennismaking met het schilderij in de National Gallery. Holbein heeft een 'Wereld 3' geborsteld die ons pas nu, door de decodering van de tekenen zijn waarde en betekenis blootgeeft.



Copyright © 2005 VVLG, 31.12.2005