Hermes in uitbreiding

 

Waldseemüller en de geboorte van Amerika

Een historische odyssea

Deel 3: : Holbeins De Franse gezanten: tijds- en wereldbeeld

 

Jos Martens

Netwerken

Lang reeds voor het ontstaan van het World Wide Web beseften de humanisten het belang dat het uitwisselen van informatie had voor de vooruitgang van de wetenschap. Het ging langzamer dan tegenwoordig via de elektronische snelweg, maar was minstens zo effectief. Een brief deed er dagen of weken over om zijn bestemmeling te bereiken; het antwoord bereikte de afzender meestal pas na maanden. Daarom reisden de humanisten heel wat af om elkaar op te zoeken. Erasmus is het meest bekende voorbeeld, maar hij is zeker niet de enige. De hoeveelheid brieven die ze schreven is ontzagwekkend. Ze moeten dagelijks enkele uren met hun briefwisseling bezig zijn geweest! (In het Latijn, wel te verstaan, de internationale taal van de intellectuelen.)

Het 'nieuwe leren' werd gekenmerkt door die intense internationale uitwisseling en door het combineren van wat wij tegenwoordig beschouwen als afzonderlijke specialisaties. De humanisten (en hierbij rekenen wij ook de kunstenaars) dachten veel meer holistisch. Tegenwoordig zouden wij hen generalisten noemen. Toen sprak men van homo universalis. Kennis van nieuwe ideeën en instrumenten verspreidde zich via die fantastische nieuwe uitvinding en bron van blijvende verrukking die zij 'de Tiende Muze' noemden: de drukpers. Kunstenaars, astronomen/astrologen, humanisten, instrumentenbouwers, kooplieden deelden elkaars informatie. Een keer per jaar werd Frankfurt de boekenhoofdstad van de wereld. De jaarlijkse Frankfurter Buchmesse was een ware wetenschappelijke topconferentie, en niet alleen op het gebied van de cartografie.

Humanisten als Petrus Apianus, Johann Schöner, Gemma Frisius of Mercator zijn voorbeelden van dergelijke uitwisseling. Exemplarisch is de loopbaan van Nikolaus Kratzer. Hij is hier niet willekeurig gekozen: Holbein schilderde hem in 1528 als geleerde cartograaf en een aantal instrumenten van dit schilderij kopieerde hij in 1533 op De gezanten.

Kratzer werd geboren in 1487 en studeerde aan de universiteiten van Keulen en Wittenberg. In januari 1517 schreef de Antwerpse humanist Pieter Gillis (later geportretteerd door Quinten Metsys) voor hem een introductiebrief aan Erasmus, die toen in Leuven verbleef: "Ik beschouw het als mijn plicht u te schrijven omdat Nicolaus Kratzer, een expert in astronomie, naar uw deel van de wereld komt. Hij heeft bij zich verschillende astrolabia en globes om daar te verkopen. Hij brengt u een Grieks boek, dat u gezonden wordt door de prior van St.-Agnes..."

Hans Holbein, portret van Nikolaus Kratzer, 1528.
Olieverf op hout, 83 x 67 cm
Parijs, Louvre

Aan het einde van datzelfde jaar was Kratzer in Engeland. Hier trok hij de aandacht van Thomas More en kardinaal Wolsey en trad in dienst van Hendrik VIII als astroloog en horlogemaker. Dit is een parallel met het netwerk waardoor Holbein toegang kreeg tot het Engelse hof: Erasmus - More - Hendrik VIII.

Even exemplarisch is het beroemde Lof der Zotheid: Erasmus schreef deze vlijmscherpe satire op de mistoestanden van zijn tijd; hij droeg ze op aan Thomas More; Holbein maakte de pentekeningen voor de houtsneden in de Bazelse editie van 1515, de meest bekende illustraties voor heruitgaven tot onze tijd toe.

Hans Holbein, illustratie in Lof der Zotheid, hoofdstuk 54. Een monnik gehoorzaamt de regel van zijn orde die verbiedt geld aan te raken, door de muntstukken te tellen met een stokje terwijl zijn andere hand met de borsten van een jonge vrouw speelt.

Holbein en Kratzer werkten bij diverse gelegenheden samen. Kratzer verdeelde zijn tijd tussen dienst aan het hof en deelname aan de commerciële activiteiten van de Compagnie van Duitse Kooplieden in Londen, eveneens belangrijke opdrachtgevers voor Holbein. Een jaar voor De gezanten schilderde hij nog het portret van Georg Gisze, een van deze kooplui.

Een bewijs voor de samenwerking tussen de kunstenaar en de instrumentenbouwer/geleerde is te vinden in de accuratesse waarmee Holbein de instrumenten weergeeft, zowel in het portret van Kratzer als in De gezanten. Hun samenwerking blijkt verder uit het ontwerp dat Holbein tekende voor een astronomische klok voor Anthony Denny in 1544. De notities op het ontwerp zijn toegeschreven aan Kratzer. Hetzelfde geldt voor de beroemde tekening die Holbein maakte als voorstudie voor een groepsportret van Thomas More en zijn hele familie in 1527, niet lang na zijn aankomst in Londen. Het eigenlijke schilderij is verloren gegaan of werd misschien nooit geschilderd. Op de tekening zijn correcties genoteerd, die More vermoedelijk wilde laten aanbrengen.

Kratzer voegde in het Latijn de namen en leeftijden van de personages toe (Wolf 2005:48). Veel kans dus dat Holbein bij de Franse gezant Dinteville geïntroduceerd werd door Kratzer.

De belangrijke rol die kunstenaars speelden in het werk van astronomen als Kratzer wordt voorts geïllustreerd door een brief die hij in 1524 schreef aan Albrecht Dürer in Nürnberg, waarin hij de schilder vraagt hem een tekening te zenden van een afstandsmeter die Dürer gezien had bij Pirckheimer en waarover de schilder hem gesproken had in Antwerpen. (Willibrord Pirckheimer, zoon van een rijke Nürnbergse familie was zelf de centrale spil in een internationaal netwerk van geleerden en kunstenaars. Hij beperkte zich niet tot ondersteuning. Als humanist bezorgde hij een vertaling van Ptolemaeus' Geographia (Vanpaemel: 15).) In dezelfde brief vraagt hij Dürer kopieën van al diens gedrukte werk en tevens om inlichtingen over de instrumenten en houtsneden die toebehoorden aan hun wederzijdse overleden vriend, de astronoom Stabius. Hij kondigt ook zijn plan aan om een kaart te maken van Engeland "dat een groot land is, en onbekend aan Ptolemaeus." Het antwoord van Dürer is gelukkig ook bewaard gebleven. Hierin meldt hij dat Pirckheimer een kopie van de afstandsmeter liet vervaardigen voor Kratzer. En hij vraagt hem hoever hij staat met zijn vertaling van Euclides. Dat interesseerde Dürer bijzonder: het jaar daarop zou hij zijn eigen boek over de kunst van het meten publiceren, waarin hij de verschillende hulpmiddelen beschrijft die een kunstenaar nodig heeft (en waarin onder andere zijn illustratie voor de juiste perspectivistische weergave van de luit en onderstaande houtsneden voorkomen).

Albrecht Dürer
Een kunstenaar schildert een zittende man, 1525
Houtsnede 12,9 x 14,8 cm.
Londen, British Museum.

Een glazen plaat met ruitpatroon waarop de omtrek van het model werd vastgelegd, was een belangrijk hulpmiddel. Daarna werd het overgezet op de definitieve ondergrond. De kunstenaar observeerde zijn model door een kijkgat op een loodrechte arm, die soms (zoals hier) verstelbaar was. Bij dit apparaat werden de principes van het centrale perspectief toegepast zoals Leon Battista Alberti die omstreeks 1435 in zijn traktaat over de schilderkunst had vastgelegd.

 

Nog een oefening: het schilderen van het zeer moeilijke 'verkort': een lichaam dat in de lengterichting naar de schilder toe is gericht.

Dit boek bewijst andermaal de interferentie van diverse disciplines.

Bijvoorbeeld, Dürer geeft een schema voor de vervaardiging van een polyedrische zonnewijzer.

 

Die tekening komt bijzonder goed overeen met de zonnewijzer die vervaardigd werd voor kardinaal Wolsey, klaarblijkelijk door Kratzer.



Copyright © 2006 VVLG, 02.01.2006