Hermes in uitbreiding

 

België

 

Geschiedenis van de oude naam van een jong land 

Jacques Pauwels met medewerking van Roger Buysse

De Belgische Omwenteling

In augustus 1830 braken rellen uit in het zuidelijke deel van het toenmalige Koninkrijk der Nederlanden, eerst in Brussel en kort daarop ook in andere steden. Ze namen geleidelijk de vorm aan van een ware revolutie en voerden tot het ontstaan van een nieuwe staat, België. Dit complex historisch fenomeen is o.a. beschreven geworden als een 'insurrection prolÈtarienne' die uiteindelijk werd 'geschaakt' of 'geconfisceerd" door de zelfde plaatselijke bourgeoisie waartegen de rellen oorspronkelijk waren gericht.([1]) Uiteraard is niet iedereen het met een dergelijke visie eens, en ook heden nog bestaat er bij de historici onenigheid over de ware natuur van de 'Belgische Omwenteling'. Zeker is wel dat er aanvankelijk niet werd gedacht aan de oprichting van een nieuwe staat. De proletarische opstandelingen hadden het alleen gemunt op min of meer radicale sociale hervormingen. En bij de (vooral burgerlijke) personaliteiten die zich opwierpen als leiders van de revolutionaire beweging waren er ongetwijfeld heel wat die zich tevreden zouden hebben gesteld met autonomie voor het Zuiden binnen een federaal Koninkrijk der Nederlanden. Een deel van de opstandelingen en van de volksmenners droomden eerder van aansluiting bij Frankrijk, wiens Julirevolutie de rellen in het zuiden van de Nederlanden direct had geÔnspireerd. Daarvan getuigden in Brussel, Luik, enz. het zingen van de Marseillaise en het gezwaai met de tricolore, vaandel van het revolutionaire Frankrijk. Bovendien behielden talrijke opstandelingen ongetwijfeld een positieve herinnering aan de Franse Tijd, waaraan pas een vijftiental jaar tevoren een einde was gekomen. Aansluiting bij de Franse natie was dus zeker geen onrealistische optie. Dat wist men in Parijs, en daarom zouden de Fransen gretig de militaire steun verschaffen zonder dewelke de Belgische opstand niet had kunnen slagen en Willem van Oranjeís Koninkrijk der Nederlanden niet zou zijn uiteengereten.

De losmaking van Nederland werd dus in zekere zin mogelijk dank zij de Fransen. Hun onafhankelijkheid hebben de Belgen echter te danken aan de Britten. Die maakten zich immers grote zorgen over een mogelijke aansluiting van de Zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk. Een dergelijke Anschluss kwam neer op een flagrante schending van de akkoorden die Napoleons overwinnaars in 1814/15 in Wenen hadden gesloten, en was bijgevolg onaanvaardbaar niet alleen voor Londen, maar ook voor de Russische Tsaar. Deze laatste dreigde de kozakken op Brussel af te sturen, hetgeen het spookbeeld opriep van een algemene oorlog met ook Frankrijk en Groot-Brittannië erin betrokken. Voor de Britten mocht aansluiting bij Frankrijk dus zeker niet, maar tegen losmaking van Nederland had men in Londen geen al te grote bezwaren. Op die manier kwam het tot een compromis in de vorm van onafhankelijkheid, iets waarvan hoogst waarschijnlijk geen enkele opstandeling van het eerste uur had gedroomd.

De Britse peetoom van de nieuwe onafhankelijke staat zorgde er ook voor dat diens politiek systeem sterk geleek op dat van Groot-Britanni' zelf. België werd gezegend met een parlementaire monarchie in plaats van een republiek, hetgeen ook mogelijk was geweest. Op die koningstroon in Brussel hadden de founding fathers van de Belgische natie graag een Franse koningszoon zien plaatsnemen, maar ook dit paste niet in het kraam van de Britten. Londen bezorgde hen een Duitse prins, Leopold genaamd, de weduwnaar van een tante van de latere Koningin Victoria. Tenslotte drongen de Britten de nieuwe staat nog het internationaal statuut van (gewapende) neutraliteit op, kwestie van ook in de toekomst een al te intieme samenwerking tussen Brussel en Parijs te vermijden. Van het feit dat ze zelf die neutraliteit garandeerden, hebben de Britten spijt gehad in 1914, toen de Duitse schending van de Belgische neutraliteit hen dwong tot oorlogvoering tegen Duitsland, aan de zijde van de vroegere aartsvijand Frankrijk nog wel. Een dergelijk scenario was in 1830 ondenkbaar geweest.

De losmaking van Nederland, de onafhankelijkheid, de monarchie als staatsvorm, gewapende neutraliteit, en een Duitser als koning: dit alles hadden de Belgen aan Parijs en vooral Londen te danken. Maar het waren de Vaders van het Belgisch Vaderland zelf, en niet de Britten of Fransen, die aan de nieuwe staat een naam hebben gegeven. Dit vormde immers een probleem dat alleen door de opstandelingen zelf kon opgelost worden. Men wist van wie men onafhankelijk geworden was, namelijk van Nederland, of preciezer gezegd, van het Koninkrijk der Nederlanden. Maar wie of wat had de onafhankelijkheid verworven? Het antwoord op die vraag was: het zuidelijke deel van de Nederlanden, een gebied dat een kwarteeuw aan Frankrijk had behoord vooraleer het in 1814/15 door het Wener Congres bij het noordelijke deel van de Nederlanden was gevoegd. Men herinnerde zich ook dat die brok Europa voor de verovering door Frankrijk had bekend gestaan als de 'Zuidelijke Nederlanden' of ook wel 'Oostenrijkse Nederlanden', want in de achttiende eeuw was het een Oostenrijkse bezitting. Nog vroeger, in de zeventiende eeuw, onder Spaans beheer, had men gesproken van de 'Spaanse Nederlanden'. Na 1830 kon er natuurlijk geen sprake meer zijn van 'Spaans' of 'Oostenrijks', maar de naam 'Zuidelijke Nederlanden' had wel gekund. Die kwam echter niet in aanmerking omdat hij al te zeer smaakte naar het Nederland waarvan men zich zopas had afgescheurd.

 

De Nederlanden

Het kon nochtans niet geloochend worden dat het nieuw onafhankelijk land vroeger deel had uitgemaakt van een staat die de 'Nederlanden' heette, namelijk in de zestiende eeuw. Het ging toen om een federatie, een bond ñ een beetje op zijn Zwitsers - van zeventien verschillende gebieden. Het eerste deel van de naam 'Nederlanden' ñ of van zijn synoniem 'Lage Landen' - verwees naar de geografische ligging, want het ging niet uitsluitend maar toch overwegend om laaggelegen gebieden nabij de monding van grote stromen, met name de Schelde, Maas en Rijn. Bij de naam 'Nederlanden' gebruikte men het meervoud omdat het ging om een veelheid van 'landen'. Met 'landen' ñ alsook met pays in de Franse benaming, Pays-Bas, en met lands en countries in de Engelse equivalenten, Netherlands en Low Countries - bedoelde men zeker niet de huidige staten Nederland, België en Luxemburg, die toen nog niet bestonden, maar de zeventien verschillende gebieden of 'provincies' die gezamenlijk het grondgebied van de staat vormden, zoals Brabant, Friesland, Holland, Limburg, Luxemburg, Vlaanderen en Zeeland. De benaming 'Zeventien Provinci'n' deed bijgevolg ook dienst als synoniem van 'Nederlanden'.

Bij de Nederlanden ging het om provincies die in linguÔstische en andere opzichten erg heterogeen waren. Ze hadden tevoren tenminste in theorie deel uitgemaakt van ofwel het Franse Koninkrijk - de gebieden ten westen van de Schelde, bijvoorbeeld Vlaanderen - ofwel het Duitse Keizerrijk ñ de provincies ten oosten en noorden van de Schelde. De eenmaking van deze gewesten was het werk geweest van twee ploegen van architecten, ten eerste, de Hertogen van Bourgondi', en ten tweede, de Habsburgse erfgenamen van deze Bourgondische Dynastie.([2]) Het was Keizer Karel V, geboren in Gent en in de volksmond bekend als 'Keizer Karel', die al die gebieden formeel in ÈÈn enkele staat had samengevoegd en dat fait accompli ook internationaal had doen erkennen. Karels zoon Filip erfde van zijn vader in 1555 niet alleen de troon van Spanje, waar hij heerste als Koning Filip II, maar ook de Nederlanden. Doch daar regeerde hij op politiek vlak zo autoritair en op godsdienstig vlak zo intolerant tegenover het opkomende Protestantisme, dat het in de jaren 1560 tot een opstand kwam die leidde tot de scheiding van het land.

Een naam voor het Noorden

Wegens overwegend militaire redenen slaagde de opstand alleen in het noordelijke deel van de Nederlanden, in zeven van de 'Zeventien Provinci'n'. Dit gebied kreeg officieel de naam van 'Republiek der Verenigde Nederlanden'. In die naam was het gebruik van het meervoud, 'Nederlanden', eigenlijk ongepast. Het ontstaan van een onafhankelijke republiek in het noorden, formeel erkend door Spanje en de andere Europese mogendheden in 1648 in het Verdrag van Westfalen, bezegelde namelijk de scheiding van het land dat totdantoe als de Nederlanden bekend had gestaan. Het zuiden van de Nederlanden bleef zuchten onder de Spaanse heerschappij. Ten tijde van het Wener Congres, in 1814/15, werd in het Nederlandse Noorden het statuut van republiek omgewisseld voor dat van monarchie en verwierven de 'stadhouders' van de Republiek, traditiegetrouw leden van het Huis van Oranje, de koningstitel. Daarmee verving 'Koninkrijk' natuurlijk ook 'Republiek' in de offici'le benaming van het land. Het Wener Congres herverenigde terzelfdertijd ook de Nederlanden, en daarom was het meervoud in de naam 'Koninkrijk der Nederlanden' wel degelijk verantwoord van 1815 tot 1830, het anderhalf decennium gedurende hetwelk Noord en Zuid onder het Huis van Oranje in een enkele staat samengevoegd waren.([3]) Doch na de Belgische Omwenteling was de benaming 'Koninkrijk der Nederlanden' opnieuw onjuist in die zin dat het opnieuw slechts ging om het noordelijke deel van de Nederlanden. Het is wellicht om die reden dat men geleidelijk is gaan spreken van 'Nederland' in het enkelvoud.

De naam 'Koninkrijk der Nederlanden' ñ of, voor 1814/15, 'Republiek der Nederlanden' - was ook tamelijk omslachtig. Onofficieel gebruikte men daarom ook alternatieve, 'korte en krachtige' benamingen. Een daarvan is 'Zeven Provinci'n', dat gedurende de zeventiende eeuw in de gunst stond. In dit opzicht is ook de moderne benaming 'Nederland' verdienstelijk. En dan is er nog de benaming 'Holland' als synoniem voor Nederland. Omdat de provincie Holland van het begin af aan binnen de Republiek op politiek en economisch vlak veruit de belangrijkste rol speelde, ontwikkelde de term 'Holland' zich op de bekende pars pro toto manier tot favoriet synoniem van de offici'le naam van het onafhankelijke noordelijke deel van de Nederlanden, en dit zowel in buiten- als binnenland. Het feit dat die naam zo gemakkelijk van de tong rolt speelde daarbij waarschijnlijk ook een rol.([4]) Ook heden nog staat Nederland overal ter wereld bekend als 'Holland'.

 

Een naam voor het Zuiden

Van de hierboven beschreven historische achtergrond was men zich in Brussel in 1830 goed bewust. Het nieuw onafhankelijk land was een deel van de vroegere 'Nederlanden', net zoals Nederland zelf, en zoals Nederland zelf had het dus eigenlijk recht op het gebruik, in de een of ander vorm, van de naam 'Nederlanden'. Die naam zelf was echter onbeschikbaar en sowieso ongewenst, in beide gevallen omdat hij al te zeer geassocieerd was met 'Nederland' in het enkelvoud, m.a.w. met 'Holland'. Gelukkig stond er een alternatief ter beschikking dat de historisch-geografische werkelijkheid ñ het deeluitmaken van de 'Nederlanden' ñ weerspiegelde zonder verwarring met Nederland/Holland te veroorzaken. Dit alternatief was: 'België.

Om dit op te helderen gaan we eventjes terug naar de zestiende eeuw. Dat was niet alleen de eeuw van het ontstaan van de oorspronkelijke staat der Nederlanden, maar ook het tijdperk van de Renaissance en van het Humanisme. Het Latijn was toendertijd de taal van de geleerden en van gecultiveerde mensen in het algemeen, en die hadden de gewoonte om naar de Europese landen te verwijzen met Latijnse termen. Ze gebruikten bijvoorbeeld Gallia voor Frankrijk, Germania voor Duitsland, en Hispania voor Spanje. De gangbare Latijnse term voor de Nederlanden in hun geheel, voor het collectief van de Zeventien Provinci'n, was Belgium of Belgica. Dit kwam omdat Julius Caesar in zijn De Bello Gallico het Noorden van Galli' Gallia Belgica, of Belgica zonder meer, had genoemd. Belgium, evenals zijn variant Belgica, werdÝ een vertrouwd synoniem voor de Nederlanden in het algemeen ñ niet voor het Zuiden alleen! - en dat zou heel lang zo blijven.([5]) Hier volgen een aantal voorbeelden van het toenmalige gebruik van Belgica of Belgium als synoniem voor 'Nederlanden'.

- Een van de Bourgondische hertogen, Filips de Goede, kreeg van humanistische geleerden postuum de eretitel conditor Belgii, waarmee 'Stichter van de Nederlanden' bedoeld was.

- Toen in 1561 de vervolgde Protestanten van alle 17 provincies openlijk protesteerden dat zij het ware Christelijke geloof aanhingen, kreeg deze 'Nederlandse Geloofsbelijdenis' de Latijnse naam van Confessio Belgica.

- Indertijd meenden humanisten in de geografische vorm van de Nederlanden een leeuw te ontwaren, en op vele landkaarten werden de Nederlanden daarom voorgesteld in de vorm van een leeuw. Men noemde dat heraldisch dier de Leo Belgicus, 'Leeuw der Nederlanden'.

- De naam die in 1609 gegeven werd aan een kolonie die door de Nederlandse Oostindische Compagnie werd opgericht in de Hudson Vallei, was Novum Belgium of Nova Belgica, 'Nieuwe Nederlanden'. Dat in dit geval specifiek naar de Nederlanden in hun geheel verwezen werd, heeft heel waarschijnlijk iets te maken met het feit dat tot de stichters een groep Walen behoorden die uit de Zuidelijke Nederlanden waren uitgeweken. Hun leider was Pierre Minuit, en het was hij die in 1626 het eiland Manhattan van de plaatselijke inheemsen afkocht, waar Nieuw Amsterdam, het huidige New York, ontstond.([6])

- Tenslotte kan men nog de bekende beschrijving van de Nederlanden door de 16e-eeuwse Italiaanse aardrijkskundige Lodovico Guicciardino vermelden, waarvan een Amsterdamse heruitgave in 1648 de Latijnse titel kreeg van Totius Belgii Descriptio; de text bij een fraaie illustratie in die uitgave (van Janssonius) laat er geen twijfel over bestaan: 'Belgium dat is: Nederlandt'.([7])

De benaming Belgica stond nog steeds ter beschikking toen het in 1830 voor de tweede keer in de geschiedenis kwam tot een scheiding van de Nederlanden. De opstandelingen in Brussel en elders, wier versbakken onafhankelijk land dringend een naam nodig had, grepen er gretig naar, want die humanistische nomenclatuur paste even goed bij hun zuidelijke deel van de Nederlanden als 'Nederland' paste voor het noordelijke deel; bovendien rolde die naam zowel in zijn Franse als Nederlandse versie goed van de tong. De landsnaam werd dus Belgique, en later België, hetgeen in de grond hetzelfde betekent als Nederland(en).

Er bestond overigens reeds een precedent voor het gebruik van de benaming 'België' met betrekking tot de Zuidelijke Nederlanden. In 1790 brak daar een opstand uit tegen het Oostenrijkse bewind, de zogenaamde 'Brabantse Omwenteling'. De Oostenrijkers werden uit het land verdreven, en gedurende iets minder dan een jaar - van januari tot december 1790 ñ bestond er ook in het zuiden van de Lage Landen een onafhankelijke staat. De winden van de revolutionaire inspiratie waaiden toendertijd niet alleen over vanuit het revolutionaire Frankrijk maar ook van de overkant van de Atlantische Oceaan, vanuit Amerika. Zo begrijpt men dat de nieuwe staat de naam kreeg van 'Verenigde Nederlandse Staten'. Interessant is het feit dat de Franse versie van deze naam 'Etats belgiques unis' was, waarbij 'belgiques' als bijvoeglijk naamwoord fungeerde, net zoals in Caesars uitdrukking Gallia Belgica. Een kwarteeuw later was 'Belgique' een zelfstandig naamwoord: het Koninkrijk der Nederlanden van 1815-30 heette in het Frans 'Royaume des Belgiques'.

 

Etymologie van 'België'

Men kan zeggen dat Nederland en België het onomastisch erfgoed van hun gemeenschappelijke voorouder, de Nederlanden van weleer, eerlijk hebben verdeeld. Nederland erfde als eerstgeboren onafhankelijke staat de in de volkstaal gebruikelijke benaming, maar laatkomer België was helemaal niet ontevreden met de fijne humanistische versie van dezelfde naam. Bovendien kan België, de jongere van de twee 'Nederlandse' naties, er ook nog prat op gaan van de oudste naam in de wacht te hebben gesleept. De term 'Nederlanden' is immers pas in de late Middeleeuwen ontstaan, maar zoals iedereen weet sprak Julius Caesar reeds van (Gallia) Belgica en van het volk der Belgae. Caesar 'latiniseerde' daarbij ongetwijfeld bestaande, en wellicht zeer oude, benamingen. Vrijwel alle etymologische woordenboeken en onomastische naslagwerken nemen aan dat deze terminologie van Indo-Europese oorsprong was.Ý Men meent in Belgica en zijn cognaten de (hypothetische) Indo-EuropeseÝ wortel bhelgh te herkennen, met de betekenis van 'zwellen (van trots)'. Hieraan verwante woorden zijn 'balg', 'blaasbalg', 'verbolgen' en 'gebelgd', deze laatste vorm blijkbaar het deelwoord van een Middelnederlands werkwoord, 'belgen', '(iemand) kwaad maken', te vergelijken met 'zich dik maken'. Er wordt ook gewezen op de gelijkenis met Engelse woorden zoals to bulge ('opzwellen'), belly ('buik'), en bellows, 'blaasbalg'.([8]) De Belgae van weleer worden verondersteld van oorlogszuchtige knapen te zijn geweest, wier naam verklaard kan worden door het feit dat ze zich snel (figuurlijk gesproken) 'dik maakten' ofwel zich (letterlijk) opblaasden om er groter en vreesaanjagender uit te zien en zo hun vijanden te intimideren. De Franse auteur van een recente (1995) lijvige studie over de Indo-Europeanen oppert de opinie dat 'les Belgae [...] sont apparamment ëceux qui se gonflent [de colËre ou de force guerrière.'([9]) En de auteurs van het Franse Dictionnaire de noms de lieux schrijven:

On pense souvent que, comme d'autres noms de tribus celtiques, il [le nom de Belga] exprimait une qualité guerrière. Si on se réfère à la racine indo-européenne bhelgh, 'gonfler', ils auraient été des 'gonflés', des fiers ou des furieux. ([10])

Dezelfde opinie vindt men ook terug in Maurits Gysselings Toponymisch Woordenboek:

'BELGAE' (les habitants de Belgica): [...] de [l']I[ndo-]E[uropéen] bhelgh- 'gonfler' au sens conservé en a[ncien]a[nglais] belgan 'être en colère', n[eder]l[ands] verbolgen 'en colère'. ([11])

Een dergelijke interpretatie heeft een zekere charme, maar zoals blijkt uit de vermeldingen 'on pense' en 'apparamment' bij de hierboven geciteerde Franse auteurs, gaat het om een loutere conjectuur, gebaseerd op de fonologische gelijkenis tussen 'Belg' en '(blaas)balg'. Men kan zich ook afvragen precies hoe de Belgische krijgers verondersteld waren van zich 'op te blazen'. Misschien door hun wangen op te blazen, hetgeen zou betekenen dat men het etnoniem Belgen als 'blaaskaken' kan interpreteren. Het is echter twijfelachtig of andere Keltische krijgers, laat staan Caesars taaie legionairs, door opgeblazen wangen - of (bier)buiken? - geÔntimideerd konden worden. De Belg/balg hypothese impliceert ook dat het etnoniem Belgae een 'hetero-etnoniem' of 'exoniem' was, dat will zeggen een naam gegeven door anderen, want welk volk zou naar zichzelf verwijzen als de 'blaaskaken'? In dit geval stelt zich de vraag wat het 'auto-etnoniem' van de Belgae was, m.a.w. wat ze zichzelf noemden. Van een dergelijk auto-etnoniem, dat toch zou moeten hebben bestaan, is er echter niet het minste spoor te vinden, noch bij Caesar noch in andere Romeinse bronnen.

Er bestaat een andere mogelijkheid. Een nieuw etymologisch woordenboek van de Nederlandse taal, dat in tegenstelling tot de orthodoxe aanpak rekening houdt met de mogelijkheid dat vele Nederlandse woorden geen Indo-Europese oorsprong hebben, suggereert dat 'balg' een 'niet-Indo-Europees substraatwoord' zou kunnen zijn, m.a.w., een woord uit een van de zogenaamde 'substraattalen' die in Europa werden gesproken nog voor de Indo-Europeanen vanuit een verre Urheimat kwamen opdagen, hetgeen vermoedelijk in het tweede millennium voor Christus was.([12]) Tot die 'substraattalen' behoorden volgens de Spaanse wetenschappers Antonio Arn·iz-Villena en Jorge Alonso Garc'a o.a. het Iberisch, het Ligurisch, en eveneens het beter bekende Etruskisch. In Europa is een substraattaal ook heden nog springleved, namelijk het Baskisch, waarvan verkeerdelijk beweerd wordt dat het een linguÔstisch unicum is, een taalÝ zonder enige verwanten. Bovendien waren de substraattalen van weleer verwant aan die van de grote beschavingen van het Midden Oosten, bijvoorbeeld Sumerisch, Akkadisch, Fenicisch en Hebreeuws, zonder uitzondering talen waarmee filologen goed vertrouwd zijn. Bijgevolg kunnen Baskisch, Sumerisch, en vrijwel alle dode en levende als 'Semitisch' bestempelde talen gezamenlijk dienst doen als een soort 'Steen van Rosetta'. Daarmee wordt bedoeld dat ze ons de geheimen kunnen helpen ontsluieren van namen van plaatsen (toponiemen) en volkeren (etnoniemen) waarvan de grote meerderheid stammen uit de tijd van voor de aankomst van de sprekers van Indo-Europese talen.([13])

Stammen de benamingen Belgica/Belgae uit een niet-Indo-Europese 'substraattaal', zijn het onomastische fossielen uit een heel ver verleden? De befaamde (en onlangs overleden) Italiaanse filoloog Giovanni Semerano, een groot kenner van de oude talen van het Midden Oosten, geeft een positief antwoord op die vraag in zijn al te weinig bekend magnum opus, Le origini della cultura europea.([14]) Belgica en Belgae , legt hij uit, zijn cognaten van het Sumerische palgu, het Akkadische palag, en het Hebreeuwse peleg, waarvan de betekenis 'water' in het algemeen kon zijn, maar ook meer specifiek 'waterloop', 'kanaal', 'rivier', 'stroom', of 'zee'. (Vanuit de een of andere substraattaal sloop die term ook het Indo-Europese Grieks binnen in de vorm van pelagos, 'zee'.) De specifieke betekenis was 'land nabij het water', 'land nabij de zee' of, in het geval van het etnoniem, 'volk/mensen die nabij het water/de zee wonen'.(15]) Een dergelijke beschrijving past opperbest bij de Belgae van weleer,want volgens Caesar woonden 'Belgische' stammen niet alleen in het noorden van Galli' maar ook aan de overkant van het Kanaal, in het zuiden van Engeland, waar Winchester (Venta Belgarum in het Latijn) als hun hoofdstad fungeerde. Belgica was dus het 'land nabij het water', het 'land nabij de zee', en de Belgae waren de bewoners van dat land. Met die zee was duidelijk het Kanaal bedoeld, een zee-engte die al in de oudheid bekend stond wegens de steile oevers aan weerskanten, namelijk de white cliffs of Dover en de klippen in de buurt van Calais. In de substraattalen van weleer bestond een woord voor 'steile oever': kale; we herkennen het in het toponiem Calais en nog beter in diens oude Nederlandse variant, Kales. De oorspronkelijke betekenis van de uitdrukking 'Nauw van Kales' was waarschijnlijk niet 'Nauw van [de stad] Calais' maar wel 'nauw/zee-engte met de steile oevers'.

Volgens Semerano hebben woorden zoals 'balg' en 'belly'Ý niets met Belgica/Belgae te maken. Hij meent dat het eveneens gaat om termen afkomstig uit niet-Indo-Europese substraattalen, maar hij legt een verband met het Akkadische palku, 'breed', in plaats van palag, 'water(loop)'.([16])

 

Cognaten van Belgica/Belgae

Het toponiem Belgica en het etnoniem Belgae waren volgens Semerano verwant aan een bekend hydroniem, namelijk de naam van een grote Russische stroom, de Wolga. Men moet er in dit geval rekening mee houden dat men ook spreekt van 'Volga' en dat in oude substraattalen, net zoals in het Spaans, de v heel waarschijnlijk als b uitgesproken werd. De betekenis van Belgica was 'land nabij het water', de betekenis van de naam Wolga is gewoon 'het water', in de zin van 'hÈt water', 'het grote water'.([17]) En dat is ook de betekenis van nog een andere aan Belgica/Belgae verwante hydroniem, Volkhov, de naam van de machtige rivier aan wiens oevers de oude Russische stad Novgorod zich vastkleeft.

In de vallei van de Wolga woonden ongeveerd anderhalf millennium jaar geleden de voorvaderen van de Bulgaren, de zogenaamde 'Wolga-' ofÝ 'Proto-Bulgaren'. Hun hoofdstad lag aan de oevers van Ruslands grootste stroom in de omgeving van de huidige stad Kazan, en heette Bulgar. Volgens Semerano hebben we ook hier te doen met een cognaat van Belgae/Belgica. Het toponiem 'Bulgar' kan bijgevolg geÔnterpreteerd worden als 'stad aan het water', m.a.w. 'stad aan de Wolga'.([18]) En het etnoniem 'Bulgaren' heeft de betekenis van 'mensen die nabij het water wonen', 'mensen die aan de oevers van de stroom (de Wolga) thuishoren'. De Bulgaren werden omstreeks 700 na Christus uit de Wolgavallei verdreven, en ze gingen zich vestigen waar ze nu nog steeds wonen, namelijk aan de oevers van de Zwarte Zee. Ondanks deze grote migratie zijn de Bulgaren hun naam eer blijven aandoen; ook nu nog zijn zij inderdaad, net als de Belgen, 'mensen die nabij het water wonen'.

In de vroege oudheid stonden vele volkeren bekend als 'mensen die nabij het water woonden', en daarbij kon het zowel gaan om een zeekust als om de oevers van de een of andere rivier, stroom of meer. In de substraattalen van weleer bestond er meer dan een term om te verwijzen naar deze volkeren en hun land. Belgae was een dergelijke term, of tenminste toch de Latijnse versie ervan, en een andere is eveneens tot ons gekomen in de vorm van zijn Latijns cognaat, namelijk Veneti. (We kennen overigens ook de Griekse versie van die naam: Enetoi.) In dit etnoniem schuilt een substraattaal-wortel met de betekenis van 'bron' of 'water,' verwant aan het Semitische aÔn, dat dezelfde betekenis heeft. Ten tijde van de Romeinen woonden er niet alleen Veneten in het Adriatische kustgebied waar veel later - ten tijde van de Barbaarse invallen - Veneti', 'stad van de Veneten', zou verrijzen. Er leefden ook volkeren die door de Romeinen Veneti genoemd werden aan de oevers van de Baltische Zee (later bekend als 'Wenden'), in Bretagne, en rondom het Bodenmeer, Lacus Venetus in het Latijn. Het ging zonder uitzondering om volkeren op wie een naam met de betekenis van 'mensen die nabij het water wonen' toepasselijk was. Dezelfde wortel als in Veneti zit ook verscholen in de Latijnse naam voor Wenen, Vindobonum. In de substraattalen van weleer betekende bona - dat we ook terugvinden in namen zoals Bonn, Narbonne en Bologna (Bononia in het Latijn) - 'stad'. Vindobona heeft niets met 'wijn' te maken, zoals soms wordt beweerd, het was de 'stad van de mensen die aan het water wonen', en met dit water was niet alleen de Donau bedoeld, maar ook zijn bijriviertje, de Wien.

Tenslotte heeft Semerano nog deze verrassing voor ons in petto: ook de term 'Vlaming' stamt uit de substraattalen van weleer en is bovendien een verwant van Belgica. Hij identificeert dit etnoniem ñ net als 'vloeien', het Engelse 'to flow', en het Duitse 'fliessen' en 'Fluss' ñ eveneens als een cognaat van het Akkadische palgu,
'water[loop]'. Men moet er hier rekening mee houden dat in de substraattalen de p/b en de v fonologisch gelijkwaardig waren en dat klinkers, net zoals in de Semitische talen, weinig of geen belang hadden. Ons concentrerend op de medeklinkers, herkennen we zo duidelijk het p-l-g van palgu niet alleen in Belgica maar ook in 'Vlaming'. In 'Vlaming' steekt nog een m, maar ook daarvoor heeft Semerano een verklaring. In 'Vlaming' ziet hij een combinatie van palgu, 'water[loop]', met ammu, moeras[achtig land]', dat ook in 'Amsterdam' verscholen zou zitten. De naam 'Vlaming' zou bijgevolg zoiets betekenen als '[inwoner van een] overstroomd, moerasachtig' of 'door waterlopen doorsneden gebied'.([19])

 

Besluit

'België' is sinds 1830 de naam van het zuidelijke deel der Nederlanden. In zijn Latijnse vorm, Belgica, of Belgium, was dat toponiem reeds in de zestiende eeuw een synoniem voor de Nederlanden in het algemeen. De Nederlanden, dat zijn de 'Lage Landen', eveneens bekend als de 'Lage Landen bij de Zee' - de 'Pelagische Landen', zou men eigenlijk kunnen zeggen. 'Land nabij de Zee' is toevallig ook de oorspronkelijke betekenis van 'België', een naam uit een pre-Indo-Europese substraattaal. Het Koninkrijk België vierde in 2005 zijn 175e verjaardag, in vergelijking met Nederland, dat al in de zestiende eeuw ontstond, is het een piepjonge staat. De naam 'België' is echter pakweg drieduizend jaar oud, in vergelijking met 'Nederland' is het een ware Methusalem.

 

Jacques Pauwels is historicus en auteur van o.a. ëDe Mythe van de Goede Oorlogí en 'De Canadezen en de Bevrijding van Belgiëí. Zijn nieuw boek over de betekenis en oorsprong van de namen van landen en volkeren is zopas verschenen bij EPO in Berchem (www.epo.be). Roger Buysse is een gepensioneerd optieker en amateur-filoloog. Ze wonen beiden in Brantford in de Canadese provincie Ontario.Ý

 

 


[1] Maurice Bologne, Líinsurrection prolÈtarienne de 1830 en Belgique, Brussel 2005, heruitgave van een werk van 1929.

[2] Deze associatie met Bourgondi' verklaart het St. Andrieskruis ñ ook bekend als 'Bourgondisch Kruis' - op de vlaggen van de zestiende-eeuwse Nederlanden. Bourgondi' voerde dat vaandel omdat St. Andries de patroonheilige van dat gebied was.

[3] We gaan hier voorbij aan het feit dat een deel van de Nederlanden van weleer, namelijk Artesi' en een deel van Vlaanderen, in de zeventiende eeuw aan Frankrijk waren verloren gegaan.

[4] Op dezelfde manier had men in de late Middeleeuwen in het buitenland dikwijls gesproken van 'Vlaanderen' en van 'Vlamingen' wanneer het in werkelijkheid ging om het gebied en de inwoners van de Nederlanden in het algemeen.

[5] De Romeinen noemden het deel van West-Europa dat ongeveer overeenkomt met de Nederlanden ook soms Germania Inferior, hetgeen als 'Neder-Duitsland' vertaald kan worden. En de Nederlandse taal stond tot in de negentiende eeuw algemeen bekend als 'Neder-Duits'.

[6] Geert van Istendael, Het Belgisch labyrint: De schoonheid der wanstaltigheid, Amsterdam, 1989, p. 148.

[7] Henk Deys et al. (eds.), Guicciardini illustratus: de kaarten en prenten in Lodovico Guicciardini's beschrijving van de Nederlanden, 't Goy-Houten, 2001.

[8] Dietmar Urmes, Handbuch der geographischen Namen: Ihre Herkunft, Entwicklung und Bedeutung, Wiesbaden, 2003, p. 168.

[9] Bernard Sergent, Les Indo-EuropÈens: Histoire, langues, mythes, Parijs, 1995, p. 205.

[10] Louis Deroy en Maryanne Mulon, Dictionnaire des Noms de Lieux, Parijs, 1992, p. 53.

[11] Maurits Gysseling, Toponymisch woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226), deel I, s.l., 1960, p. 117. Zie ook Serge Losique, Dictionnaire Etymologique des Noms de Pays et de Peuples, Parijs, 1971, p.60, die Gysseling citeert.

[12]Marlies Philippa, Frans Debrabandere en Arend Quak, Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, deel 1: A t/m E, Amsterdam, 2003.

[13] Antonio Arn·iz-Villena en Jorge Alonso Garc'a: Egipcios, Bereberes, Guanches y Vascos, Madrid, 2000, en Cauc·sicos, Turcos, Mesopot·micos y Vascos, Madrid, 2001. Arn·iz-Villena en Alonso gebruiken voor die substraattalen het etiket 'Usko-Mediterraan' en beschouwen ze als een groep binnen de Dene-Caucasische 'superfamilie' van talen. Ook het Oud-Egyptisch was een 'Usko-Mediterrane' taal. Vroeger werd Oud-Egyptisch geclassifieerd als een 'Hamitische' taal, maar heden erkennen filologen de nauwe verwantschap tussen 'Hamitische' en 'Semitische' talen, die nu beschouwd worden als twee groepen binnen de 'Afro-Aziatische' taalfamilie.

[14]Giovanni Semerano, Le origini della cultura Europea: Rivelazioni della linguistica storica, drie delen, Florence, 1984 (deel 1) en 1994 (delen 2 en 3). Zie ook zijn La favola dellíindoeuropeo, Milaan, 2005.

[15] Semerano, Le origini.... Rivelazioni della linguistica storica, Florence, 1984, p. 354.

[16]Semerano, Le origini.... Vol. II : Dizionari etimologici. Basi semitiche delle lingue indoeuropee, Florence, 1994, p. 628.

[17] Semerano, Le origini.... Rivelazioni della linguistica storica, Florence, 1984, p. 671.

[18] Ibid., p. 371.

[19] Semerano, Le origini...Rivelazioni della linguistica storica, Florence, 1984, p. 393.



Copyright © 2005, 2006 VVLG, 06.07.2006