Historische jeugdboeken: lectuursteekkaart

 

Ed Franck, Abélard en Héloïse, (Valentijn), Averbode, Altiora 128 blz., Omslagillustratie: Peter van Poppel Bekroond met de Boekenleeuw 2003

Thematiek: tragische, gedoemde liefde. Verspilde passie? Verspild leven?

Tijd: 12de eeuw.

Ruimte: Frankrijk.

Inhoud

"Mijn oudste herinnering aan jou is een blik. ... Het was geen toevallige blik, je keek doelbewust en aandachtig in mijn richting. Je ogen waren helder, bijna priemend. Je keek me aan, ik keek je aan. Toen glimlachte je en ik glimlachte terug. En je was voorbij. Je keek zelfs niet meer om." (p. 7)

Lente 1163. In het Franse klooster Le Paraclet, aan een zijriviertje van de Seine, ligt abdis Héloïse al wekenlang op haar ziekbed. Ze overziet haar leven dat in het teken stond van een onmogelijke liefde. Voor deze liefde gaf ze alles op wat haar dierbaar was.

Ed Franck vertelt het verhaal gezien door de ogen van Héloïse, die terugblikt op een liefde die haar levenslang tekende en teisterde. De lezer ontmoet een vrouw die bijna meedogenloos oordeelt over elke beslissing uit haar bestaan, maar een en al deernis blijft voor het voorwerp van haar liefde.

,,Is een korte maar hevige vlam genoeg als rechtvaardiging voor een door droogte geteisterd leven?'' Dat is de vraag die abdis Héloïse tot op haar sterfbed blijft kwellen. Achter haar liggen vele jaren van leegte, maar voor ze op haar negentiende de kloosterpoort achter zich sloot, ontbrandde ze in liefde voor een van de grootste geesten van de twaalfde eeuw: magister Pierre Abélard.

De privélessen die hij haar geeft in het Parijse huis van haar oom veranderen al gauw in passionele ontmoetingen, en de jonge Héloise bloeit open. ,,Wild en schaamteloos waren we, buiten de wereld waar de mensen naar de kerk gingen, koetsen ratelden en kooplui riepen. Die wereld was gepantserd, wij waren naakt en rillend...'' Maar hartstocht alleen is niet genoeg, zij houdt van Abélard met lichaam én ziel en verlangt van hem eenzelfde soort overgave. ,,Ik heb vaak geprobeerd meer uit te trekken dan je kleren alleen, op zoek naar de plek waar je niet alleen naakt was, maar ook bloot.'' Ze probeert tevergeefs.

Als Héloïses oom het zondige paar betrapt, moet zij onderduiken bij familieleden van Abélard. Ze laat er een zoontje achter. In haar leven is maar plaats voor één liefde en wanneer ze naar Parijs terugkeert, valt ze die weer in de armen. Bezorgd om zijn reputatie dwingt Abélard haar eerst tot een geheim huwelijk, daarna tot een voorlopig verblijf in een klooster. Maar er rust geen zegen op deze halfslachtige oplossingen. Handlangers van Héloises woedende oom ontmannen Abélard. Aan Héloïses toewijding verandert de verminking niets, maar Abélard keert zich van haar af en schrijft kwetsende brieven. ,,Ik zocht bij jou bevrediging van mijn onzalige lusten: dat was de totale inhoud van mijn liefde.'' De geschokte Héloise wordt abdis en brengt haar klooster tot bloei, maar blijft in stilte haar verloren geliefde bewenen. Van het vuur van weleer blijven slechts de sintels over, ,,onpersoonlijke woorden die onpersoonlijke woorden ontmoeten, perkamenten vellen die niet ademhalen, opgedroogde inkt in plaats van pulserend bloed.'' Als de van haar vervreemde Abélard sterft, moet ze de waarheid onder ogen zien. ,,In zijn wijze van liefhebben legt een mens onherroepelijk zijn kern bloot. En ik weet nu: als geest was je groot maar je hart was klein.''

Pas in de dood zal Héloise met haar onbereikbare minnaar verenigd worden: ze worden naast elkaar begraven en treden samen de legende in.

 

Bespreking

 

Onderwerp van de jeugdromans in de Valentijnreeks is telkens een legendarische, maar gedoemde liefde: Romeo en Julia, Tristan en Isolde, Medea.

In Abélard en Héloïse, het laatste kleinood in het rijtje, buigt Franck zich met veel kiesheid over een verboden middeleeuwse romance die voorspelbaar tragisch afloopt. De ingehouden stijl staat symbool voor een door het noodlot streng ingetoomde passie. "Chagrin d'amour dure toute la vie", zingt het liedje.

De colofon vermeldt uitdrukkelijk: 'Abélard en Héloïse is geen bewerking maar een eigen literair werk van Ed Franck op basis van bronnenonderzoek.' In een interview naar aanleiding van zijn bekroning zegt Franck hierover: "De grens tussen een bewerking en een oorspronkelijk verhaal is moeilijk te trekken. Je noemt een historische roman per slot van rekening ook geen bewerking. Ik had bijzonder weinig materiaal om mij op te baseren. Er bestaat één brief van Pierre Abélard aan een vriend en er zijn zeven brieven bewaard uit de correspondentie tussen Abélard en Héloïse. Die dateren van twintig jaar na hun romance en slechts twee ervan gaan over hun persoonlijk leven. De rest gaat over theologische kwesties en zo meer, bijvoorbeeld over de regels voor het nonnenklooster (van Héloïse) die Abélard opstelde. Het is onvermijdelijk dat je eigen visie op de liefde in zo'n boek sluipt. Als het niet je eigen bloed is dat in een boek klopt, hoe kan het dan een hart hebben?" (De Standaard, 13 maart 2003, p. 12)

Voegen wij daaraan toe dat in de zogenaamde minnebrieven weinig hart klopt: zij waren bestemd om verspreid te worden als moreel en literair exempel en zijn stilistisch uiterst verzorgd, maar emotioneel doods. Leerlingen, die het boek voor de klas brachten, bezorgden hun collega's tevens een kopie van een der brieven. De klas was stomverbaasd: "Is dat nu die legendarische liefde? Hoe kan die ooit de hele westerse wereld hebben bewogen, even sterk als nu het verhaal van Romeo en Julia?"

Ed Franck herschiep het eeuwenlang welbekende liefdesverhaal met een ingetogenheid die bij het middeleeuws-religieuze kader past. Hij concentreert zich op de essentie: de passie, de pijn, het ontwrichte zielenleven na een amoureus echec, en houdt de aankleding sober. Door de herinneringen van de zieke Héloïse strooit hij impressies van witgekalkte kloostermuren, voorbijglijdende seizoenen (,,de zomer met het gouden zonlicht boven de paarse vlekken van irissen langs de rivier''), de schoonheid van de tuin voor het open raam. Het resultaat is fijn als Brugse kant, een zintuiglijk, maar intimistisch werkje dat in diepgang en literair raffinement niet moet onderdoen voor volwassenenromans en dat zijn jonge lezers serieus neemt.

Abélard wordt beschouwd als misschien wel de belangrijkste en origineelste denker van zijn tijd, immens populair onder de studenten die van heinde en ver toestroomden om zijn lessen bij te wonen; Petrus Venerabilis, de beroemde grote abt van Cluny, roemt de intellectuele talenten van Héloïse. Toch stort de oudere Abélard zich even redeloos en reddeloos in de fuik van de allesverterende verliefdheid (op een meisje dat zijn dochter kon zijn, notabene!) als de piepjonge Romeo. Kan het zijn dat Abélard ondanks zijn arrogant vertrouwen op zijn superieure intellectuele ontwikkeling, op het gebied van de emotionele ontwikkeling even argeloos en onervaren was als Héloïse, Romeo en Julia? Dat Abélard en Héloïse, net omdat zij vertrouwden op de superioriteit van de geestelijke wereld onvoorbereid in de val van de lichamelijke passie tuimelden? Dat ze totaal verrast waren door de heftigheid van hun gevoelens die ze als verkeerd ervoeren, maar waaraan ze tot hun ontreddering geen weerstand konden bieden? Dat dit gewetensconflict nog verergerd werd door de tijdgeest die hun wereldbeeld bepaalde en die de geestelijke hemelse liefde zeer scherp stelde tegen -en boven- de als verderfelijk beschouwde lichamelijke liefde? (Bovendien beschouwde men de vrouw als het gevaarlijke schepsel dat, als een sirene, de man afhield van zijn geestelijke bestemming en in de afgrond lokte.)

De Valentijnreeks richt zich tot +14-jarigen, maar terecht wordt er geen bovengrens aangegeven: aan Abélard en Héloïse kunnen gevoelige zielen, ook volwassenen, hun hart ophalen.

 

Didactische verwerking

Je kunt het boek laten lezen met andere delen uit de reeks, in complementaire werkgroepen. Wij stellen voor de bespreking te laten verlopen in twee fasen. In een eerste rond beperk je je tot het boek of de boeken. Hier kun je stoppen.

Voor meer details: zie Werken met de Valentijnreeks: mogelijke algemene opdrachten.

In een derde graad ga je in een tweede ronde opzoekingswerk laten verrichten in naslagwerken om de visie van de literaire Héloïse te toetsen aan de historische achtergronden. Dat hoeft niet. Onderschat echter nooit het intellectuele genot dat niet alleen historici, maar ook leerlingen kunnen putten uit de confrontatie van de romanwerkelijkheid met de historische realiteit.

Het is beslist relevant om in een vijfde of zesde jaar de visie van Franck te confronteren met enkele non-fiction studies, zoals de twee van Raoul Bauer hieronder. En dan natuurlijk een van de (voor een moderne lezer totaal onleesbare) brieven erbij te halen, zoals wij hierboven beschreven. Als je collega Frans daartoe bereid is, kan je vragen in de les enkele fragmenten te lezen uit de boeken van Régine Pernoud, hieronder. Of je laat de werkgroep even de mening van Georges Duby toetsen aan die van Ed Franck. Je kunt de groepsleden de naslagwerken onder elkaar laten verdelen, de meningen erin met elkaar vergelijken en dan een synthese opbouwen die ze voor de klas brengen (en/of op papier zetten). Hier is het nuttig als je collega geschiedenis dit onderdeel voor zijn/haar rekening wil nemen, vooropgesteld dat hij/zij bereid is ook het boekje van Franck te lezen. De opvattingen over seksualiteit en lichamelijke liefde zijn enkele eeuwen na Abélard meesterlijk en eigenzinnig in beeld gebracht in De tuin der lusten van Jeroen Bosch. Als je vrijwilligers vindt, kun je dat laten uitwerken, zo mogelijk in samenwerking met je collega esthetica. (Zie onderaan: Abélard en Héloïse bij Jeroen Bosch.)

 

Opdracht:

Confronteer die mening gemotiveerd met die van jullie.

Stelling: "Abélard en Héloïse. belandden in een passionele relatie omdat ze vertrouwden op hun intellectuele superioriteit doch emotioneel even onervaren en groen waren als de piepjonge Romeo en Julia."

Wat denken de groepsleden hiervan, nadat ze het boek van Ed Franck hebben gelezen, en na het uitvoeren van de opdrachten?

 

Leeswerk: Abélard en Heloïse in non-fiction

Bauer, R., De geniale mislukking van de Middeleeuwen, Kapellen, DNB, 1985, p. 88-106.

Bauer, R., In het teken van verzoening. Brief van Petrus Venerabilis, abt van Cluny, een tijdgenoot uit de twaalfde eeuw, Tielt, Lannoo, 1991, p. 135-161.

Duby, G., Héloïse, in: Edelvrouwen in de twaalfde eeuw, Amsterdam, Bert Bakker, 1997, p. 50-73.

Duby, G. & M. Perrot (red.), Geschiedenis van de vrouw. Deel 2: Middeleeuwen, Amsterdam, Agon, 1991.

Heylen, V. & M. Gelaude, De minnebrieven van Abelard en Heloïse, Kapellen, DNB, 1980.

Janssens, J., De Middeleeuwen zijn anders, Leuven, Davidsfonds, 1993.

Le Goff, J., De intellectuelen in de Middeleeuwen, Kapellen, Pelckmans, 1989.

Pernoud, R., Héloïse et Abélard (Livre de Poche), Parijs, Albin Michel, 1970.

Pernoud, R., Pour en finir avec le Moyen Age, Parijs, ed. du Seuil, 1977, tweemaal in het Nederlands vertaald, als Afrekenen met de Middeleeuwen, Beveren, Orion, 1981 en als De Middeleeuwen, een herwaardering, Baarn, Ambo, 1992.

Waddell, H., Vaganten in de Middeleeuwen. (Aula Paperback 139), Utrecht, Het Spectrum, 1986 - vertaling van The Wandering Scholars, 1932.

Abélard en Héloïse bij Jeroen Bosch

Koldeweij, J., Vandenbroeck, P. & B. Vermet, Jheronimus Bosch. Alle schilderijen en tekeningen, tentoonstellingscatalogus, Rotterdam, NAi - Gent/Amsterdam, Ludion, 2001.

Marijnissen, R., Hiëronymus Bosch. Het volledige oeuvre, Antwerpen, Mercatorfonds, 1987, 513 blz.

Marijnissen, R., Bosch, Tielt, Lannoo, 1996, 142 blz.

Ruyffelaere, P., Jheronimus Bosch, Gent/Amsterdam, Ludion, 2001, 48 blz.

*Voor illustraties bij een scriptie kun je gemakkelijk terecht op het internet.

Jos Martens



Copyright © 2004 VVLG, 08.03.2004