Historische non fiction

De Boerenkrijg: korte successen, grootse herdenkingen

 

1998 was voor een aantal gemeenten in Vlaanderen een herdenkingsjaar: twee eeuwen geleden vochten de voorouders dapper tegen de Franse bezetters.

1989 was ook al zo'n jaar: toen herdacht men de strijd tegen de Oostenrijkers. De feestelijkheden in Turnhout waren toen minstens even indrukwekkend als de veldslag zelf. Beide wapenfeiten werden opnieuw beleefd met heropvoeringen, studiedagen en gedenkboeken.

Over de Boerenkrijg heeft iedereen geleerd dat hij begon in Overmere (okt. 1798) en eindigde in Hasselt (dec. 1798). Hij was dus van korte duur. In Overmere kun je nog altijd het museum bezoeken, in Tongerlo de Boerenkrijgschuur, in Herentals en op zovele plaatsen een monument (zie ook F.Ec.T., 12 sept. 1998).

Dank zij Hendrik Conscience en Constantin Meunier kregen we een romantisch beeld van dappere krijgers, die met pik, zies, gaffel of riek de vijand te lijf gingen en dat allemaal voor outer en heerd, voor hun katholieke godsdienst, hun vaderland en tegen de dienst in het Franse leger.

 

De boeken die nu verschenen, zijn niet bedoeld om alle romantiek te ontluisteren, maar ze tekenen toch een genuanceerder beeld.

Het boek van Luc FRANçOIS en zijn team(1) lijkt op het eerste zicht het compleetste te zijn, zeker wat betreft de historiografie en de zgn. beeldvorming van de wapenfeiten, maar bij nader inzien blijkt dat het zich wat ons land betreft beperkt tot de departementen van de Ourthe, Leie en Schelde en tot een detailstudie van het kanton Tielt.

Het boek van Jan GORIS en zijn collega's(2) geeft de minimalistische indruk enkel de gebeurtenissen in de Antwerpse Kempen te behandelen, maar in feite bestudeert het evenzeer de rest van het land.

 

Luc François en een dozijn medewerkers bespreken achtereenvolgens de algemene toestand in de Zuidelijke Nederlanden, de boerenrevoltes en het verzet tegen het Directoire (1795 - 1799) in Frankrijk, Luxemburg en het departement van de Ourthe.

Dit laatste is vooral blikverruimend, aangezien we de Boerenkrijg meestal associeerden met Vlaanderen. Een kaart ontbreekt helaas, maar het opstandige gebied komt ongeveer overeen met de huidige Oostkantons. De rebellie was kort: van 28 oktober tot 5 november. De leiders werden gearresteerd, geëxecuteerd of gedeporteerd. De gemeentebesturen en de grote meerderheid van de bevolking collaboreerden met de Fransen: ze kregen snel genoeg van de vandalenstreken van de boeren.

In deel II onderzoeken ze de wapenfeiten in het Schelde- en Leiedepartement (Oost- en West-Vlaanderen) en zeer gedetailleerd in het kanton Tielt.

Het zijn typische licentiaatsverhandelingen: elk dorpje is minutieus onderzocht, o.m. op de actiebereidheid (p. 68 - 73) en dan blijkt dat veruit de meeste gemeenten (82 %) weigerden mee te vechten. Ook dit is een nieuw gegeven. Het zal de huidige inwoners niet verheugen.

De acties van de brigands verliepen op de meeste plaatsen volgens een vast ritueel: een dorp innemen, de kerk openbreken, de stormklok luiden, de vrijheidsboom omhakken, archieven plunderen, een groot kruisbeeld oprichten, de pastoor weer een mis laten zingen, geld, wapens, levensmiddelen en kompanen ronselen, "leve de keizer" schreeuwen, gezagsdragers mishandelen of evt. vermoorden.

Het boek leert ook dat de boeren geen duidelijk omlijnd doel voor ogen hadden: de Fransen verdrijven. Maar wat dan ? (p. 79)

Ze revolteerden tegen de bezetter voor hun godsdienst, tegen de steeds zwaardere belastingen, tegen de verplichte legerdienst (76). Maar de slogan "Voor outer en heerd" was er toen nog niet bij.

De leiders waren meestal geen boeren: die bleven op hun boerderij en stuurden hun knechten.

Wie waren het dan wel ? Ambachtslui, geestelijken, militairen, vrije beroepen, ambtenaren (83).

Het voetvolk bestond uit ambachtslui (37 %), dagloners (16,5 %), priesters (12), boeren (7,4) en anderen (p. 84). Verklaring voor het grote aantal ambachtslui en dagloners: zij waren het ergst getroffen door de verslechterende economische toestand (93).

De opstand moest wel mislukken, want elke vorm van organisatie en coördinatie ontbrak en hulp uit het buitenland bleef uit.

Hier moeten we dan wel bij aanmerken dat het ceremonieel bij de inname van dorpen overal hetzelfde was: de Kempenaars b.v. pasten dezelfde volgorde toe.

De daders werden zwaar gestraft (91 - 92), de benadeelde ambtenaren en gezagsdragers kregen schadevergoedingen (112).

Deel III is integraal gewijd aan het beeld van de Boerenkrijg in de literatuur en in de geschiedenisboeken.

Vòòr 1840 werd het thema doodgezwegen. Splichal (1849), zeker Conscience (1853) en ook Orts (1863) creërden de Boerenkrijgliteratuur.

Deze werd al vlug een onderdeel van de Vlaamse Beweging en van de strijd tussen het katholieke Davidsfonds en het liberale Willemsfonds (p. 132) en was zelfs niet weg te denken uit de eerste schoolstrijd (1878 - 1884).

De eeuwfeestviering (1898) was katholiek en Vlaams: het Davidsfonds gaf de toon aan (p. 135 - 145).

In de 1° W.O. kwam wel de Guldensporenslag, maar niet de verloren Boerenkrijg ter sprake. Tijdens het Interbellum weer wel, zeker in de jaren '30 en onder de 2° W.O., toen de nationalistische bewegingen hoogtij vierden: de Boerenkrijg paste in hun denktrant en illustreerde het verschil in mentaliteit tussen Valaanderen en Wallonië.

De 150° verjaardag in 1948 had dan weer te lijden onder de nasleep van de oorlog en onder de repressie; de 175° in 1973 verliep ook zonder glans.

In de jaren '40 was Arthur de Bruyne de actiefste schrijver, in de jaren '60 en '70 J. Grauwels, in de jaren '90 J. Goris.

In 1993 werd het historisch Boerenkrijgtijdschrift opgericht.

De auteurs overlopen ook de schoolboeken en de Vlaamse Filmkes: in beide werden de Fransen als hard en meedogenloos en de Vlaamse boerenjongens als moedig en braaf voorgesteld.

François besluit (191) dat de Boerenkrijg slechts in geringe mate godsdienstig geïnspireerd was en helemaal niet nationaal (Vlaams of Belgisch) georiënteerd was. Met zijn eerste conclusie is niet iederen het eens.

 

Het tweede boek(2) is uitgegeven bij Brepols. Zoals het Davidsfonds vergroeid is met de Boerenkrijgliteratuur, zo heeft ook Brepols er historische banden mee. We verklaren ons nader.

In 1849 publiceerde Etienne SPLICHAL (1810 - 1866) het eerste Nederlandstalig werk(je) over de Boerenkrijg(3).

Splichal was lid van het Turnhoutse "Taelkundig Genootschap De Dageraed" (1842 - 1870) en zijn naam prijkt nog altijd op de drukkerij hier tegenover onze deur.

Een eindje verderop ligt grotere broer Brepols. Splichal werkte bij Brepols (1778 - 1845), die na de terechtstelling van Corbeels de drukkerij en de boekhandel van zijn weduwe overgenomen had. Sinds 1800 heet het complex dan ook Brepols i.p.v. Corbeels.

Splichal kon nog spreken met ooggetuigen en beschreef de gevechten in Antwerpen, Brabant, Limburg en Luxemburg.

Hij verheerlijkte de Turnhoutse leider Pieter Corbeels (1755 - 1799), wiens biografie hier op p. 71 - 73 staat.

Splichal beklemtoonde het godsdienstig element als hoofdoorzaak voor de opstand, iets waarvan kunstenaar Constantin Meunier (1831 - 1905) ook heilig overtuigd was: het kruisbeeld en de priester maken onafscheidelijk deel uit van zijn kunstwerken over dit conflict (p. 35).

Het boek van Goris (2) nu. De samenstellers kozen als titel " Voor outer en heerd", maar ze attenderen de lezer erop (p. 9) dat die leuze nooit door de rebellen werd gebruikt. Ze verwijst naar het geheime genootschap "Pro Aris en Focis" van Verlooy en Vonck tijdens de Brabantse Revolutie van 1789.

Pas in de tweede helft van de vorige eeuw heeft de katholieke Vlaamse Beweging die leuze op de Boerenkrijg geplakt, in de overtuiging dat dit de hoofdmotieven waren.

Hun boek bestaat uit twee grote delen. In het eerste geven de hoogleraren Stevens, Veraghtert en Gielis achtereenvolgens een beeld van de Franse bestuursinstellingen in de Antwerpse Kempen (en mutatis mutandis dus in heel ons land), de verslechterende sociaal-economische toestand tussen 1789 en 1799, het al langer aanslepende conflict tussen enerzijds de behoudende Kerk en anderzijds de verlichte hervormers Maria Theresia, Jozef II en de Franse Revolutionairen.

Het institutioneel hoofdstuk is erg ingewikkeld. Dat over de economie is veel toegankelijker en illustreert dat de toestand gunstig was in 1789 - 1790, maar vanaf 1792 evolueerde van kwaad naar rampzalig (1795 e.v.). In 1796 werd bovendien de wet Le Chapelier ingevoerd in onze gewesten, waardoor de werknemers helemaal weerloos werden. De combinatie van de niet-afgeschafte tienden met de nieuwe Franse belastingen en bijna waardeloze assignaten deed veel mensen de das om.

Het kerkelijk hoofdstuk toont aan hoezeer onze voorouders gehecht waren aan hun religieuze tradities en zowel tijdens de Brabantse revolutie als tijdens de Boerenkrijg in verzet kwamen tegen elke aantasting en verstoring van het kerkelijk leven.

 

François (p. 191) onderschat o.i. deze factor; Gielis benadrukt de godsdienstige inslag (60) en Goris treedt hem daarin bij met zijn biografische schetsen en verklaringen van Corbeels, Van Gansen en Caeymax, drie Kempische voormannen en Rollier, de leider in Klein-Brabant (p. 71 - 75, 84, 88 - 90, 98, 141 - 143, 243).

Deel II is van Jan Goris, stadsarchivaris van Herentals, waar de strijd dit jaar zeer luisterrijk herdacht werd. Hij is al langer een specialist in dit thema.

Hij beschrijft het verloop en geeft als oorzaken (82 - 93) de zware oorlogsheffingen, de diverse andere belastingen, het handhaven van de oude tienden die in Frankrijk zelf wel verdwenen waren, het verplichte gebruik van de waardeloze assignaten (82 - 83), de godsdienstkwestie (83 - 90) en de dienstplicht (90 - 93).

Bij de verkoop van de abdijgronden (89) wordt helaas verzwegen wie de kopers waren: wellicht beschermt men zo de namen van de huidige families.

Het doel (93) was de verdrijving van de Fransen en het herstel van het Ancien Régime; voorts moesten geestelijke hun ambt normaal kunnen uitoefenen en hun bezittingen moesten teruggegeven worden.

Goris onderzoekt ook de rol van de abdij van Tongerlo: de norbertijnen waren al in dec. 1797 grotendeels verdreven, de bezittingen waren afgepakt, ze was niet meer in staat om zoals in 1789 de opstand te financieren; de Fransen verdachten haar dus ten onrechte van aanstokerij (97 - 99).

Interessant is ook de informatie over het beroep van de leiders (96): Joseph-Emanuël Van Gansen: welgesteld brouwer - landbouwer in Westerlo; Albert Meulemans: landmeter in Tongerlo, die geregeld voor de abdij gewerkt had; Pieter Corbeels: drukker in Turnhout; Elen: zoon van een Scherpenheuvelse arts en student geneeskunde; Heylen: notariszoon en advocaat te Herentals; Rollier: handelaar in Willebroek; Caeymax: notaris in Berlaar; Van Dyck: klerk van de notaris-gemeentesecretaris in Westmeerbeek. Samengevat: de vermogende topklasse van de plattelandsburgerij.

Omtrent de gewone brigands werd geen grondig onderzoek verricht; zij oefenden de meest verschillende beroepen uit en het is dus onzeker of de meesten wel boeren waren.

Goris verklaart ook de namen "Boerenkrijg" (103) en "brigands " (104): dit betekende eigenlijk baanstropers, struikrovers, schurken.

Daarna overloopt hij alle slagvelden. Terwijl François zich beperkte tot Oost- en West-Vlaanderen, neemt Goris er ook de andere locaties bij: Klein-Brabant, Boom, Duffel-Lier, Antwerpse Kempen, Nedermaas (Limburg), Diest, Leuven, Waals-Brabant (Geldenaken, Waver), Hasselt.

De stad Antwerpen, toen 56.000 inwoners, bleef een republikeins eiland te midden van opstandig gebied; alle symbolen en instituties van de Franse Revolutie bleven er overeind (126 - 129).

Mechelen (130 - 134) was er enigszins mee te vergelijken: de Boeren waren er slechts enkele uurtjes de baas.

Hasselt (213 - 217) en Herentals waren dus de enige stadjes die trots kunnen zijn op hun prominente rol in de strijd en die tegelijk prat kunnen gaan op imposante monumenten , die veel omvangrijker zijn dan het bescheiden standbeeld van Corbeels in Turnhout. Maar in de drie steden waren ook aanhangers van de bezetter, zowel bij het bestuur als bij de notabelen.

Het boek van Goris en zijn collega's richt zich tot een ruimer publiek dan dat van François. Het leest vlotter, het is algemener.

Beiden verschillen van mening over de rol van de godsdienst als motief voor de revolte. Maar ze vullen mekaar ook aan, want François schenkt meer aandacht aan de opstanden buiten Vlaanderen: Luxemburg, Vendée, Spanje, Italië, Tirool, Oostkantons (p. 29 - 33 en 37 - 43 ). Vreemd daarbij is wel de vermelding van Ierland (p. 33), dat niet aangevallen of bezet was. Het boeiendste deel is dat over de manieren waarop de strijd gedurende twee eeuwen bekeken en geïnterpreteerd werd.

Goris en co bieden dan weer interessante lectuur over instellingen, economie en godsdienst en een globaal overzicht van de gevechten, waarbij geen enkele deelnemende regio zich tekort gedaan zal voelen.

Het is bijzonder jammer dat geen van beide studies een register heeft en zelfs geen kaart van de Zuidelijke Nederlanden en van de andere Franse territoria met de plaatsen van de opstanden.

De auteurs zijn hoffelijk geweest en hebben dus nog wat werk overgelaten aan de volgende herdenkingscomité's.

De lezer krijgt alleszins een juister beeld van de gebeurtenissen dan wat de schoolboeken en vele andere publicaties in het verleden aanboden.

 

Jef Abbeel, dec. 1998.

 

REFERENTIES:

1. Luc FRANçOIS e.a.; De Boerenkrijg.Twee eeuwen feiten en fictie. Uitgeverij Davidsfonds, Leuven, 1998. 200 p.; foto's, tek., tab., graf., lit.; 795 BF; ISBN 90-6152-698-1.

2. Jan GORIS, Fred Stevens, Karel Veraghtert, Marcel Gielis, Voor outer en heerd. De Boerenkrijg in de Antwerpse Kempen, 1798. Uitgeverij Brepols, Turnhout, 1998. 244 p.; foto's, documenten, tab., lit.; 995 BF. ISBN 90-5622-021-7.

3. Etienne SPLICHAL, Enige Voorvallen uit den Brigands-Oorlog. Uitgeverij Brepols, Turnhout, 1849. 25 p.



Copyright © 2000 VVLG, 02.01.2000