Historische non fiction

De eeuw van Van Eyck

 

BORCHERT, T.-H. (red.), De eeuw van Van Eyck. De Vlaamse Primitieven en het Zuiden. Gent-Amsterdam, Ludion, 2002, 280 blz.

Man met blauwe kaproen, Nationaal Museum, Boekarest

Brugge heeft een respectabele traditie op het gebied van tentoonstellingen van oude kunst. Het begon in 1902, met een baanbrekend overzicht dat aan de basis lag van nieuwe wetenschappelijke inzichten en dat de Vlaamse Primitieven bij een groot publiek bekend maakte. Hieraan werd een afzonderlijke tentoonstelling gewijd in 2002. Dichter bij ons was er de Memling-tentoonstelling (1994) die licht wierp op een van de grote meesters.

'Brugge 2002' verkocht in het totaal 700.000 tickets.

De Van Eyck-tentoonstelling haalde meer dan 318.000 bezoekers. 'Hanze@Medici' trok 50.000 bezoekers (maar verwachtte er 100.000 en wordt dus bij de 'missers' gerekend!); de manuscriptententoonstelling 'Besloten Wereld, open boeken' sloot af met 70.000 verkochte kaartjes. De rest gaat naar concerten enz.

Er zijn veel toeristen op het culturele programma afgekomen: voor de Van Eyck-tentoonstelling werden meer Frans- dan Nederlandstalige catalogi verkocht, dat zegt veel. Helaas kreeg ik nog geen verkoopcijfers onder ogen van de catalogi.

Het team van Brugge 2002 kreeg eind oktober de prijs voor cultuurmanagement. Intendant Hugo De Greef noemt cultuurmanagement een belangrijk onderdeel in het cultuurlandschap van vandaag. "Het aanbod is immens. Als je dat economisch zou vertalen is cultuur, alleen al op het gebied van werkgelegenheid, een van de grootste sectoren in Vlaanderen." Meer dan 20 jaar geleden brak ik een lans voor de opvatting dat men tentoonstellingen zo zou moeten bekijken en niet louter afdoen als een verliespost. Het zou nog duren tot 1988 vooraleer de Aztekententoonstelling in het Brusselse Jubelpark als eerste, tot totale verrassing van alle betrokken partijen, een flinke winst opleverde. (In de overeenkomst met de Kredietbank zat een verliespostclausule, maar op winst had niemand gerekend.) Sinds 'Antwerpen 1993' begint dit soort economisch denken langzamerhand ook bij onsveld te winnen, niet zonder gevaar voor waardevolle initiatieven, die minder goed scoren in de 'kijkcijfers'. Gelukkig stond 'Hanze@Medici' niet op zich, maar zat in een veel groter pakket evenementen ingebed.

Tentoonstellingscatalogi beperken zich al lang niet meer tot loutere beschrijving van de voorwerpen, maar groeiden uit tot volwaardige (buitengewoon fraai geïllustreerde) naslagwerken die een wetenschappelijk verantwoorde synthese brengen, hopelijk in een voor geïnteresseerde leken bevattelijke taal.

Ondanks alle wetenschappelijke bijdragen van de laatste halve eeuw, blijven de betogen rond de artistieke betrekkingen tussen Italië en de Nederlanden wemelen van de even vastgeroeste als foute gemeenplaatsen: Jan van Eyck was de uitvinder van de olieverfschilderkunst; wetenschappelijke perspectief is modern, Vlaamse kunst beheerst dat niet, is "achter", hoort bij het 'Herfsttij der Middeleeuwen' en niet bij de Renaissance. Ah, ja? Waarom waren de Italianen in het algemeen en de Florentijnen in het bijzonder dan zo gretig om Vlaamse kunst ter bestellen? Arnolfini was een Italiaan, Portinari werkte in Brugge voor de Medici ... het lijstje is te lang om op te sommen.

Deze tentoonstelling ging niet in de eerste plaats over Jan Van Eyck, maar over Lodewijk Allyncbrood, Nicolas Dipre en tientallen andere nauwelijks bekende kunstenaars, die aan buitenlandse vorstenhoven en in verre steden als Valencia, Evora, Napels en Avignon de vernieuwingen van de Vlaamse schilders uitdroegen.

Met hun ongekend realisme, hun stralende kleuren en hun technisch brio ontketenden enkele Vlaamse schilders in de vijftiende eeuw een revolutie in de kunst. Het onderwerp van de expositie was de impact van de Vlaamse schilderkunst en de reacties erop van Franse, Italiaanse, Spaanse en Portugese kunstenaars. Want zoveel is duidelijk: de haarscherpe, natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid die de Vlamingen op hun panelen etaleerden, fascineerde hun collega's in het buitenland en prikkelde hen om dit voorbeeld te volgen.

Zo bood de tentoonstelling -en de catalogus- niet alleen een Vlaams, maar ook een Europees verhaal. Hij situeert de Vlaamse schilderkunst in een bewogen periode - de overgang van de Middeleeuwen naar de Nieuwe Tijden - en een internationale context. Hij probeert te reconstrueren wat zich in de ateliers heeft afgespeeld, hoe de schilderijen verhandeld werden, hoe de faam van de Vlaamse meesters werd verspreid.

Een cruciale rol speelden de Bourgondische hertogen en hun relaties met andere Europese hoven. Jan Van Eyck schilderde in Brugge voor Filips de Goede, hij reisde in diens opdracht naar Portugal en Spanje om een huwelijk te regelen. Waar ze maar konden, gebruikten de hertogen de kunst van de Vlaamse Primitieven om hun prestige te verhogen - de schilderijen maakten immers overal indruk door hun hoge kwaliteit en vernieuwende stijl. Via de hoven vonden de innovaties van Van Eyck, Rogier Van der Weyden, Hugo Van der Goes en anderen hun weg in Europa.

Een tweede factor waren de handelsbetrekkingen tussen noord en zuid. Italiaanse, Spaanse en Portugese kooplieden deden in het vijftiende-eeuwse Brugge goede zaken en kwamen er in contact met de plaatselijke schilderschool. Zij gaven opdrachten en namen de schilderijen mee naar hun vaderland, waar ze opzien baarden. Ook op die manier kwamen kunstenaars tot in Napels en Evora in contact met de Vlaamse ars nova.

Daardoor was het mogelijk dat de kunst uit een klein gebied als het onze in heel Europa invloed uitoefende.

De bezoekers van Van Eyck, de Vlaamse Primitieven en het Zuiden kregen 120 schilderijen te bewonderen. De kern van het ensemble komt uit het rijke bezit van de Brugse musea, met onder meer de Madonna en Kind met kanunnik Joris Van der Paele van Jan Van Eyck, de Dood van Maria van Hugo Van der Goes en de Memling-collectie. Daarnaast waren er ronduit schitterende bruiklenen uit het Louvre, de Staatliche Museen zu Berlin, het Metropolitan Museum in New York, het Kunsthistorisches Museum in Wenen en vele andere verzamelingen.

Confrontatie is het sleutelwoord, kijken en vergelijken de boodschap. Het kruim van de Vlaamse Primitieven gaat er de dialoog aan met illustere buitenlandse collega's als Fra Angelico en Giovanni Bellini, Jean Fouquet en Nuno Gonçalves, Pedro Berruguete en Juan de Flandes. Je ontmoet bekende meesterwerken en complete verrassingen.

De tentoonstelling had met handicaps af te rekenen. Topstukken van Van Eyck zoals het Lam Gods, het Arnolfini-portret (National Gallery) of de Heilige Maagd met kanselier Rolin (Louvre) ontbraken. Zij worden niet meer uitgeleend. Daardoor miste je enkele echte zwaartepunten. En hier biedt de catalogus een meerwaarde: de Heilige Barbara uit het Antwerpse museum, het Lam Gods uit de Sint-Baafs, de Man met de rode tulband uit National Gallery en de voorstudie voor het portret van Nicolo Albergati zijn wel aanwezig!

Een van de hoogstandjes van de tentoonstelling was de reconstructie van het Miraflores-altaarstuk van Juan de Flandes, een Vlaamse schilder die actief was in Castilië. De panelen komen uit musea en collecties in Cleveland, Madrid, Genève en Antwerpen en hingen voor enkele maanden weer samen zoals Juan de Flandes ze heeft geconcipieerd, op één verloren schilderijtje na. Het altaarstuk wordt bovendien geconfronteerd met het Doopsel van Christus van Gerard David, waarop het onmiskenbaar is geïnspireerd. Zo zie je meteen hoe artistieke uitstraling in de praktijk werkte.

Wat de tentoonstelling op een overtuigende manier aanschouwelijk maakte, is de melting pot die de Europese kunst in de vijftiende eeuw werd. Je ontdekt er Portugese meesters die composities en effecten van de noordelijke schilders overnamen, maar tegelijk hun eigen zuiderse kleuren handhaafden. Je ziet er een Vlaamse madonna in een Italiaanse renaissance-architectuur. Je merkt er hoe de schilders onbekommerd figuren en achtergronden van elkaar stalen en daardoor van een statische, vergeestelijkte stijl evolueerden naar een verheerlijking van de aardse schoonheid. De Mona Lisa van Leonardo da Vinci is niet denkbaar zonder de Vlaamse Primitieven, die als eersten het landschap uitspeelden als decor van hun portretten. En ook hier biedt de catalogus meer: de verstilde aardse schoonheid van Antonello da Messina's Maria uit Palermo was een van die werken die op de tentoonstelling ontbraken.

Jos Martens



Copyright © 2002 VVLG, 24.11.2002