Historische non fiction

Meesterlijke Middeleeuwen

 

Meesterlijke Middeleeuwen. Miniaturen van Karel de Grote tot Karel de Stoute. 800-1475, Zwolle, Waanders - Leuven, Davidsfonds, 2002, 343 blz.

 

Het Davidsfonds is al lang niet meer de uitgeverij van sobere boeken met eigenhandig open te snijden katernen, die een halve eeuw geleden vaak de complete bibliotheek uitmaakten van de modale Vlaming. (Waarmee absoluut niets denigrerends is bedoeld.)

"Meesterlijke Middeleeuwen" is het schitterend uitgegeven begeleidingsboek bij de al even schitterende gelijknamige tentoonstelling in Leuven (21 september-8 december 2002). Een unieke tentoonstelling ook: wat hier is samengebracht zullen wij tijdens ons leven, niet meer terugzien. En waarschijnlijk lukt dat nooit meer, want de manuscripten zijn te kostbaar en te fragiel. Sommige van de perkamenten handschriften zijn meer dan 1200 jaar oud! Hoewel je dat niet zou zeggen, want een aantal exemplaren zien eruit of ze pas eergisteren zijn vervaardigd. Dit zegt niet alleen iets over de zorg waarmee ze door de eeuwen heen werden bewaard, maar ook over de kwaliteit van de gebruikte materialen. De selectie van louter topstukken in Leuven, is onuitgegeven. De samenstellers wisten 91 bruiklenen los te krijgen. Er komen handschriften uit Berlijn, Wenen, Den Haag en Sint-Petersburg, uit de British Library en het Getty Museum, de Bibliothèque Nationale in Parijs en de Pierpont Morgan Library in New York. Uit het Walters Art Museum in Baltimore zijn stukken gekomen die nooit eerder geëxposeerd werden. De tentoonstelling is alleen in Leuven te zien, omdat de bruikleengevers hun werken niet meer dan een goede twee maanden wilden afstaan.

Eén opmerking: voor deze bijdrage bezocht ik de tentoonstelling een tweede keer, ditmaal met de knappe audiogids -wat de doorstroming van de bezoekers echter sterk vertraagt bij de becommentarieerde stukken. Ditmaal ben ik buiten gekomen met nog meer pijn in mijn nek dan de vorige keer, te wijten aan de opstelling van een aantal manuscripten in toonkasten waarin een rolstoelbezoeker totaal niets kan zien. Een ideale tentoonstelling om rustig te bezichtigen. Maar mij lijkt ze altijd even druk. Dat aanschuiven en wachten tot je voorgangster eindelijk de hele commentaar van de audiogids voor de tweede keer heeft geabsorbeerd, werkt op de duur gruwelijk op de zenuwen en maakt dit soort tentoonstellingen o.i. ook minder geschikt voor grote groepen, zoals klassen. Waarschijnlijk is dit wel de ideale methode bij een dergelijke tentoonstelling: eerst de voorwerpen zelf bekijken, dan enkele weken avond na avond de catalogus doormaken, dan een tweede maal naar de expositie en dan nogmaals je indrukken confronteren met het boek.

Vanuit de overvloed aan informatie die ons elke dag overspoelt, is het bijna onvoorstelbaar dat het beeld in de Middeleeuwen een bijzondere, zelfs magische kracht had. Geen massaproductie van films of foto's; met veel zorg en geduld vervaardigde miniaturen waren de dragers van de menselijke cultuur, een cultuur waarin het beeld een sacrale betekenis had en met de uiterste zorg werd omgeven. Een boek werd beschouwd als de onvergankelijke woonplaats van de wijsheid. Voor de mensen uit die eeuwen had het iets magisch, iets van toverij. Stel je voor: mysterieuze tekentjes op perkament, waaarvan de boodschap op honderden mijlen afstand of vele eeuwen na de dood van de schrijver haar geheimen prijsgeeft aan de lezer. Ook voor ons, zoveel eeuwen later en in een totaal andere beeldcultuur is daarvan iets blijven hangen.

"De boeken uit de Middeleeuwen met hun vaak schitterende miniaturen hebben iets fascinerends. De miniaturen getuigen van een grote eerbied voor het geschreven woord en zijn vaak een uiting van pure vreugde."

(p. 23-24) Zij zijn en blijven een feest voor het oog. "Niet alleen de hoofdletters en de beeldgedichten verweven tekst en beeld op intieme wijze. Ook de hele lay-out van de bladzijden beoogt dat. Die is er in essentie op gericht alle elementen op elkaar af te stemmen."

(p. 30) Een handschrift met miniaturen, een getijdenboek is eigenlijk geen boek in de gewone betekenis. Het valt eerder te vergelijken met een exclusieve schilderijencollectie van een rijke verzamelaar. Het is als een compleet museum in één boek.

In één opzicht ben ik het met de formuleringen rond boek en tentoonstelling niet eens: 1475 als einddatum, "omdat van dan af de boekdrukkunst het handgeschreven boek vervangt." Dat klopt niet, zoals bewezen werd door de succesrijke tentoonstelling "Vlaamse miniaturen voor vorsten en burgers 1475 - 1550" (Antwerpen 1997). De oudste handschriften dateerden hier van meer dan een kwart eeuw nadat Gutenberg in Duitsland begon te drukken met losse letters; in 1455 verliet de beroemde 42-regelige bijbel zijn atelier. In Aalst was Dirk Martens zeker vanaf 1473 actief als drukker. En toen Martens in 1534 overleed, leek het einde van de verluchte manuscripten nog niet in zicht. Hier moeten wij onze historische beeldvorming dus duidelijk bijstellen.

Pas na 1550 komt er langzamerhand een einde aan het tijdperk van de handgeschreven boeken, in de eerste plaats door een wijziging in de mode van de statussymbolen. De rijke elite pronkte voortaan liever met dingen die meer openbaar konden bewonderd worden dan het intiemere, gesloten handschrift: kostbare wapenrustingen, schilderijencollecties en -vooral- wandtapijten met zijden en gouden draden (1). Natuurlijk, door de grote vlucht van de boekdrukkunst had zich ondertussen een evolutie doorgezet die onomkeerbaar zou blijven tot op de dag van vandaag, ondanks computers en internet.

Onder bijna 100 topstukken is het moeilijk, zoniet onmogelijk een persoonlijke selectie van "blikvangers" op te stellen. Mijn eigen lijstje bevat een aantal cultuurhistorische verrassingen. Natuurlijk behoort de Bijbel van Xanten (ca. 775-800) uit onze eigen Koninklijke bibliotheek ertoe, met zijn indrukwekkende "Romeinse" evangelist Matteus (cat.1, p. 103).

De Bijbel van de Abdij van Park (eerste helft 12de eeuw) uit de Londense British Library is mijn tweede blikvanger. Dit handschrift werd eeuwen geleden in Leuven vervaardigd, maar kwam in Londen terecht. Het werd hoogst uitzonderlijk voor deze tentoonstelling uitgeleend. Het is een schitterende uiting van de Romaanse spiritualiteit, waarbij bewust afstand genomen is van een natuurgetrouwe weergave (cat.21, p. 154).

De natura rerum van Thomas van Cantimpré (Henegouws ca. 1250) is nummer drie. Het is een van de werken die de inspiratiebron vormden voor Der Naturen Bloeme van onze eigen Jacob van Maerlant, later in de 13de eeuw. Het manuscript was bestemd voor Willem van Dendermonde, de oudste zoon van Gwijde van Dampierre (cat. 33, p. 192).

Logischerwijze is het Psalter van Gwijde van Dampierre (Terwaan(?) 1275-1285) mijn nummer vier (Koninkl. Bibl. Brussel, cat. 37, p. 200). Het is vrijwel onbekend dat een groot deel van de librije die aan deze grafelijke hoofdrolspeler uit de Guldensporenslag behoorde, bewaard is gebleven. Opvallend maar veelbetekend is, dat zijn bibliotheek en die van zijn zoon, Robrecht van Bethune, de "Leeuw van Vlaanderen", uitsluitend volumes in het Latijn en het Frans bevatte en geen enkel werk in het Diets!

Nummer vijf is dan even logisch het enige verluchte exemplaar van Jacob van Maerlants Spiegel historiael uit de Koninklijke Bibliotheek, den Haag (cat. 53, p. 234), dat in 1997 in becommentarieerde facsimile werd uitgegeven door het Davidsfonds (2).

Een complete en aangename verrassing vormden de drie folianten die eens de trots uitmaakten van graaf Arnold van Rummen en zijn echtgenote. (cat. 60, p.248; 61, p. 250 en 63, p. 254). Zij werden vervaardigd in een St.-Truidens atelier met internationale uitstraling, dat onder meer invloeden uit Engeland verwerkte in de verluchting. De grote perkamenten bladzijden stralen van het goud, de sprankelende margedecoratie en de schitterend geconserveerde kleuren. Vermoedelijk gingen ze de financiële draagkracht van deze regionale heer te boven, Arnold moest ze afstaan (verkopen?) aan de graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male. Die bezat ze tot zijn dood in 1384; daarna gingen ze over in de handen van zijn schoonzoon, Filips de Stoute, hertog van Bourgondië. Zo belandden ze in de beroemde Librije van de Bourgondische hertogen en vervolgens in onze eigen Koninklijke Bibliotheek van Brussel.

Als je ziet welke unieke schatten de Koninklijke Bibliotheek heeft kunnen redden uit de catastrofes der eeuwen, kun je alleen maar hopen dat ze spoedig het voorbeeld van de Franse Bibliothèque nationale en de Nederlandse Koninklijke Bibliotheek zal navolgen en haar manuscripten digitaal zal ontsluiten, op internet en cd-rom.

Jos Martens

 

Noten

1. DELMARCEL, G., Koninlijke pracht in goud en zijde. Vlaamse wandtapijten van de Spaanse kroon, Mechelen, 1993.

2. JANSSENS, J. & M. MEUWESE, Jacob van Maerlant. Spiegel Historiael. De miniaturen uit het handschrift Den Haag, Koninkl. Bibl. KA XX, Leuven, Davidsfonds/Clauwaert, 1997.

 

Miniaturen op het internet



Copyright © 2002, 2006 VVLG, 04.03.2006