Historische non fiction

Vlaanderen en Nederland: momenten van toenadering en afkoeling

 

Ludo Simons, hoogleraar in Antwerpen en Leuven en hoofdbibliothecaris van de UFSIA, fungeert al jaren als cultureel verbindingspersoon tussen Nederland en Vlaanderen.

In dit essay overloopt en bestudeert hij enkele belangrijke momenten waarop Nederland en Vlaanderen in de laatste twee eeuwen dichter bij elkaar kwamen en enkele toonaangevende Groot-Nederlanders die daartoe een bijdrage leverden.

De eerste in de rij is Jan Baptist Verlooy (1746 &endash; 1797), die in 1788, nog vóór het ontstaan van België, een pamflet publiceerde over de verdrukking van het Nederlands door het Frans. Verlooy rekende bij ons taalgebied niet enkel het huidige Nederland en Vlaanderen, maar ook delen van het prinsbisdom Luik en de omgeving van Gulik en Keulen.

Na de scheiding van 1830 en de oplegging van het Frans als enige officiële taal in België, deden Frans Hendrik Mertens(1796 &endash; 1867) en Jan Frans Willems (1793 &endash; 1846) verwoede pogingen om onze taal boven water te houden.

Mertens, samensteller van een monumentale Geschiedenis van Antwerpen, stadsbibliothecaris van 1834 tot 1867, leraar, lid van de "Grievencommissie"(1856), is bij ons minder gekend dan zijn vriend en strijdmakker Willems, hij is ondergewaardeerd en bijna vergeten, maar werd in de jaren vijftig van de vorige eeuw door koning Willem III benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.

In de periode tussen 1910 en 1940 kwam het initiatief ook uit Nederland: historicus Pieter Geyl (1887- 1966) toonde een levendige belangstelling voor de Vlaamse Beweging. Na talloze studies over Geyl, zijn historici (Lode Wils, Louis Vos) en Simons het nog altijd niet eens over de vraag of hij Vlaanderen bij Nederland wou annexeren dan wel of hij zelfbestuur voor Vlaanderen en nauwe culturele samenwerking met Nederland voldoende vond (p. 55).

De laatste figuur over wie Simons met veel bewondering schrijft, is Johan Fleerackers (1931 &endash; 1991). Hij typeert hem als visionair en tegelijk pragmaticus (p. 75).

In 1980 was hij de vader van de Taalunie (p. 79), een verdrag tussen Nederland en toen nog België i.p.v. Vlaanderen. Dat verdrag wordt hier ook geanalyseerd en toegelicht.

Simons wijst ook op de goede relaties met Frans-Vlaanderen, via het tijdschrift "Ons Erfdeel", op het onbegrip dat in Nederland dikwijls opdook voor het Vlaamse taalbewustzijn, op het feit dat Nederland en België minder lang een eenheid vormden dan Vlaanderen en Wallonië (p. 126), op de rol van Europa en de noodzaak dat Vlamingen en Nederlanders daar samenwerken om het Nederlands meer aanzien en overlevingskansen te geven.

Simons omschrijft onze eenheid met Nederland nogal minimalistisch als volgt (p. 126): het is mij een raadsel waarom iedereen altijd zegt dat de Nederlanden in politiek opzicht een groot gemeenschappelijk verleden hebben; pas Karel V voltooide het Bourgondische eenmakingsproces (1548); in 1579 werd de eenheid al verbroken door de Unie van Atrecht en vanaf 1585 met de herovering van Antwerpen door Farnese ging ieder zijn eigen weg. Tel daar nog de periode 1815 &endash; 1830 bij en je komt aan een halve eeuw. Met de Walen hebben we langer samen geboerd dan met de Nederlanders. We hebben er ook meer van "afgezien", zoals onze wielrenners dat uitdrukken.

De verhandeling van deze erudiete, bijzonder belezen en nuchter-kritische auteur is bedoeld voor wie de geschiedenis van Vlaanderen en van de Groot-Nederlandse gedachte gevolgd heeft.

 

Jef Abbeel, sept '99.

 

REFERENTIE:

Ludo SIMONS, Antwerpen &endash; Den Haag retour. Over twee volken gescheiden door dezelfde taal. Uitgeverij Lannoo, Tielt, 1999. 133 p.; afb., kaart, noten, lit. 595 BF / 14,75 ¤; ISBN90 &endash;209 &endash;3633&endash;6.



Copyright © 2000 VVLG, 02.01.2000