Historische non fiction

 

De kunstenaars van de Farao's

 

LIMME, L. & D. HUYGE (red.) De kunstenaars van de Farao's. Deir el-Medina en de Vallei der Koningen. Brussel, Koninkl. Musea voor Kunst en Geschiedenis, 2002, 326 blz.

 

Tentoonstellingen over het Egypte van de farao's blijven publiekstrekkers op grote schaal. In ons land zagen wij daarvan het laatste kwart eeuw een reeks frappante voorbeelden: "Onder de zon van Amarna" (1975 - een thema dat met nog meer succes herhaald is in Leiden onder de titel "Farao's van de Zon" (200-2001); "Egypte's Glorie" (1976-'77) en "De vrouw in het rijk der Farao's" (1985-'86).

Al die tentoonstellingen gingen over de Grote Kunst, de kunst in dienst van de Groten en de Goden. De mensen die de rotsgraven uithakten, de muurschilderingen, reliëfs en grafgiften vervaardigden, hun dagelijks leven, beslommeringen, materiële cultuur en geloof, bleven hierbij steevast in de coulissen van de belangstelling. In de tentoonstelling "De kunstenaars van de Farao's" in het Jubelpark (van 11 september 2002 tot 12 januari 2003) waren het juist deze ambachtslieden die in de schijnwerpers geplaatst worden. De omstandigheden zijn dan ook uitzonderlijk.

Na het Musée du Louvre (600.000 bezoekers!), kwam deze grote, reizende tentoonstelling met een 250-tal kunstvoorwerpen naar Brussel, in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis.

Ze werd in Brussel door 109.359 bezoekers bezocht (speciale nocturnes georganiseerd door privé-instellingen, zoals banken, en gratis toegangskaartjes niet inbegrepen). Dit aantal overtrof ruimschoots de verwachtingen van de organisatoren, die een streefcijfer van 100.000 hadden vooropgesteld. (Ter vergelijking: dezelfde tentoonstelling trok in Turijn naar verluidt 90.000 bezoekers.)

Van de catalogus werden 2.226 Franse en 1.394 Nederlandse exemplaren verkocht in het museum (in totaal dus 3.620), wat betekent dat 3,3% van de bezoekers de catalogus gekocht hebben (naar Belgische maatstaven zeker niet slecht). Van het aantal catalogi dat door de uitgever (Brepols) via de boekhandel verkocht werd, heb ik jammer genoeg geen cijfers. Ik meen echter te weten dat de Franse versie (met een oplage van 2500 exemplaren), volledig is uitverkocht.

De definitieve financiële balans van de tentoonstelling is nog niet bekend, aangezien sommige rekeningen (zoals de hoge transportkosten) nog onderling tussen de partners (Louvre/KMKG/Turijn) moeten verrekend worden. Naar schatting zal de hele operatie met een lichte winst worden afgesloten.

(meedeling van conservator Limme, juni 2003.)

De archeologische site van Deir el-Medina, gelegen op de westelijke oever van de Nijl (Boven-Egypte) bevat de overblijfselen van het dorp en de begraafplaats van een gemeenschap van ambachtslui, kunstenaars en werklieden die tijdens de periode van het Nieuwe Rijk (van 1500 tot 1050 v.Chr.) verantwoordelijk waren voor het uithakken en versieren van de tombes in de Vallei der Koningen.

Deir el-Medina was een ommuurd woestijndorp van 68 huizen waar tussen de veertig en 120 ambachtslui en hun families woonden. Dezelfde families generatie na generatie, want een ambacht ging over van vader op zoon.

De tentoonstelling was gebaseerd op het archeologisch onderzoek en de opgravingen die hier vanaf 1917 gebeurden. De site was pas in het begin van de negentiende eeuw herontdekt en bleek een goudader voor egyptologen. Het woestijnklimaat hield voorwerpen en kunstwerken in verbluffend goede staat.

Ver verwijderd van de tempels en paleizen, zijn de voorwerpen uit deze ruïnes de stille getuigen van het dagelijkse leven van de oude Egyptenaren.

Net zoals de tentoonstelling is de catalogus opgebouwd rond vier thema's: leven, creëren, geloven en sterven.

 

Leven en creëren

De expositie in het Jubelpark toonde niet de officiële religieuze kunst voor de graven, maar de schetsjes, kattebelletjes, beeldjes, gebruiksvoorwerpen en graftombes die de vaklui voor zichzelf maakten. Zo groeit een ontroerend beeld van een erg menselijk Oud Egypte.

Ze waren gewaardeerde schrijvers, schilders, tekenaars, beeldhouwers en steenkappers, nederige dienaars van het goddelijke streven van de farao's. Voor de farao's van de 19de en 20ste dynastie (1295-1069), de Ramsessen (I tot XI) en Setes, kapten ze in de rotsen van Thebe de koninklijke graven uit. De machtige tempel van Luxor lag enkele kilometer verderop.

Ze hadden een geregeld leven. Een week uit werken, twee dagen thuis. Gemiddeld werkten ze zes jaar aan een graf. Ze deden dat niet zomaar naar eigen artistiek goeddunken. Ze waren in dienst van een koninklijke instelling die Het Graf heette.

Het Graf (officieel het Grote en Eerbiedwaardige Graf van miljoenen jaren van Farao, leven, gezondheid, kracht, in het westen van Thebe ) was een uitgebouwde bureaucratie die aan controledwang leed. Ze notuleerde alles op aardewerk (in het klad) en op papyrus (in het net): werkschema's, leveringen, afwezigheden en de ingeroepen verontschuldigingen (tempeldienst, pijnlijke maandstonden), twisten, onregelmatigheden, vorderingen en vertragingen, briefwisselingen, processen-verbaal en vonnissen. De farao zelf hield via zijn visier de werken strikt in het oog. Het hiernamaals was voor de Egyptenaren geen zaak, die lichtvaardig werd aangepakt.

De ambachtslui werden in natura betaald, in graan, groenten, vis en linnen, en werden goed bevoorraad van hout, water, vazen en werktuigen. Poortwachters en agenten bewaakten het dorp en de necropool. Een rechter loste disputen op, zodat niets hen in de weg stond om zich op hun werk te concentreren.

Wat de ambachtslui verder in hun vrije tijd uitvoerden, de meubels die ze maakten, graven die ze bouwden, ornamenten die ze kapten, goden die ze aanbeden, interesseerde niemand. In het licht van de miljoenen jaren nabestaan was dat niet relevant voor Het Graf.

De complexe en mysterieuze machinerie die de farao's rond hun cultus van het hiernamaals optrokken, wordt belicht vanuit het standpunt van de gewone werkmens. De anonieme oude Egyptenaar wordt plots een individu met een naam, gezicht en familie. Zijn stoelen, spiegels, lepels, beitels en halssnoeren zijn identiek aan de onze. Ontdaan van de magische waas wordt het oude Egypte verbazingwekkend hedendaags en alledaags, en precies daarom zo buitengewoon.

Het wordt helemaal interessant omdat die gewone mens een geleerde schrijver blijkt, een fijnzinnig schilder en kundig beeldhouwer. In de kalkstenen deurposten en dorpels hieuwen zij taferelen van hun voorvaderverering en voorstellingen van goden uit, ze kapten bustes en stèles die ze in kleine huiskapelletjes zetten, en bereidden met erg veel zorg hun eigen graven voor.

Al die ongeplunderde graven leverden een schat aan objecten op, huiselijke objecten waarvan de sleet aantoont dat ze een leven lang gebruikt zijn, en grafkunst die de overledene moest vergezellen.

Hun handschrift en taal oefenden ze door passages uit klassieke werken te kopiëren en erop te variëren. Op kalkstenen scherven maakten ze schetsjes in rode en zwarte inkt, proefjes die ze weggooiden en waarop ze dus ongeremd hun verbeelding konden laten gaan. In het licht van de eeuwigheid zijn ze triviaal, en daarom zo boeiend.

Ze tonen wat in de officiële wereld nooit aan bod kon komen: een moeder die haar kind de borst geeft, het portret van een zwoegende steenkapper, dansende en musicerende mensen, erotische scènes, heerlijke satires en dierenfabels. Een muis van hoge rang wordt bediend door een ondeugend kijkende kat en krijgt een gebraden gans voorgeschoteld terwijl ze fijngevoelig aan de lotusbloem ruikt. De omgekeerde beestenwereld is een dubbele parodie op de stereotype offerscènes die de wanden van de graven sieren. Die Egyptenaren konden lachen met de dood! De kleine dierenscène blaast meer leven in de Egyptische wereld dan zalen vol geraffineerde grafscènes kunnen.

Uit de duizenden tekstfragmenten en objecten die in Deir el-Medina zijn opgegraven, komen ook enkele individuen duidelijk uit de verf. Ook dat is uitzonderlijk voor de strakke collectieve Egyptische samenleving. ,,Kunstenaar'' en individu zijn uitvindingen van de Renaissance. De catalogus zet de titel van de tentoonstelling daarom snel tussen aanhalingstekens. Voor de farao's waren de kunstenaars anonieme ambachtslui die nederig in dienst van de van hogerhand gestuurde cultus werkten.

 

Oren voor de goden

De vondsten uit Deir el-Medina hebben op een unieke manier bijgedragen tot onze kennis van het godsdienstig leven. Terwijl de site en haar bevolking slechts enkele kilometers verwijderd waren van de grote heiligdommen van het officiële pantheon en de rijksgoden, is het in Deir el-Medina dat we allerlei onbekende aspecten van het volksgeloof leren kennen, met zijn uitingen van persoonlijke devotie. Dit leert ons hoeveel getuigenissen elders moeten verloren zijn gegaan, die hier door een historisch toeval bewaard zijn gebleven. Ongetwijfeld immers hebben overal in de Nijlvallei lokale goden een belangrijke rol gespeeld in het godsdienstige leven van iedere dag. We willen hier slechts twee relevante voorbeelden geven: de eredienst van Ahmose-Nefertari en de "orenstèles".

Een massa votiefgaven en een hele reeks zeer mooie beeldjes getuigen van een bijzondere verering van koningin Ahmose-Nefertari en haar zoon Amenhotep I, die als de schutspatronen van het dorp werden beschouwd. Samen met haar echtgenoot, farao Ahmose, bevrijdde zij in de 16de eeuw v.Chr. Egypte van de Hyksos. Bij het overlijden van haar echtgenoot (1525 v.Chr.) treedt zij op als regentes voor haar minderjarige zoon Amenhotep I (1525-1504 v. Chr.). Een eeuw na haar dood, tijdens de regering van Amenhotep III (1391-1353 v. Chr.) genieten zij en haar zoon als vergoddelijkte voorouders een bijzondere verering. Een van de problemen, wat de voorstelling van Ahmose-Nefertari betreft, is dat zij vaak met een zwarte huidskleur wordt voorgesteld, terwijl dat bij haar zoon nooit het geval is. Uit het onderzoek van haar mummie is trouwens gebleken dat ze tot het blanke ras behoorde. Een mogelijke verklaring is dat op haar feest een zeer donker, gebitumeerd houten beeld van haar in processie werd rondgedragen.

In Deir el-Medina zijn een aantal stèles gevonden, onder andere gewijd aan Ahmose-Nefertari, waarop oren gebeiteld staan, terwijl losse paren oren uit steen of faience als votiefvoorwerpen bij kapellen werden neergelegd. Dit gebruik was ook elders reeds sporadisch vastgesteld, maar nergens werden zoveel voorbeelden gevonden als hier. De oren dienden om de goden des te beter te laten luisteren naar de gebeden van de gelovige. (Er zijn in graven zelf broodjes met oren gevonden, maar daarvan staat geen voorbeeld in de catalogus.) Op de orenstèle van Iïernioetef (cat. 208, p. 259) staan vier grote oren gegraveerd die de tekst ernaast toelichten, waarin naar de koningin verwezen wordt als "zij die luistert naar de gebeden".

 

De graftombe van Sennedjem

Als slot evoceerde een replica op ware grootte van de grafkelder van Sennedjem het geloof in het hiernamaals. Ze getuigt van de invloed van de thema's uit de Vallei der Koningen. De "werkman" Sennedjem was ongetwijfeld architect onder de regering van Ramses II. Zijn graf lag op amper10 m van zijn huis. Ik kende de tombe van foto's. In werkelijkheid viel ze wat tegen, omdat ze veel kleiner was dan ik me had voorgesteld. Dat doet niets af aan de kwaliteit van de afbeeldingen, vooral de lossere, haast impressionistische taferelen van de landbouwwerkzaamheden in de "velden van ialoe" (het hiernamaals). Je moet ze naast duizend jaar oudere reliëfs van mastaba's uit het Oude Rijk plaatsen (zoals de grafkapel van Neferirtenef in de vaste collectie van het Jubelpark) om goed het verschil in voorstellingswijze te beseffen, maar tevens ook de continuïteit in onderwerpen en in weergave van een religieus denken, dat in wezen evenmin veranderd is. De catalogus geeft een reeks foto's van de grafkelder en het verhaal van de reconstructie (p. 306). Terwijl de tentoonstelling bezig was kwam een Duitse didactische cd-rom op de markt, speciaal gewijd aan het grafcomplex van Sennedejem. Ze bewijst wat in Duitsland mogelijk is en bij ons niet, in weerwil van alle loze slogans over het belang van ICT voor het onderwijs. Ze was echter, helaas, in het Jubelpark niet te verkrijgen.

Referentie: Das Grabmal des Sennedjem (Klett & Ahlers Heinel), geschikt voor Mac en Microsoft pc.

 

Didactische tips

Vanzelsprekend zijn de teksten niet geschikt voor leerlingen uit een eerste jaar. Voor leerkrachten, die les geven over het Oude Egypte, leveren ze een schat aan informatie.

Hoe de catalogus didactisch gebruiken? Mijn collega geschiedenis eerste jaar heeft een aantal afbeeldingen geselecteerd, ingescand en via computer en projector gebruikt voor een les over het dagelijks leven, samen met afbeeldingen uit de cd-rom De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel (Egyptian Treasures in Europe dl. 2)

Dit alles als inleiding op een actief bezoek aan de vaste Egyptische collectie van het Jubelpark, begeleid door de Educatieve Dienst van het museum. Zeer sterk aanbevolen!

Meer inlichtingen op de website van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis

Om leerlingen uitvoeriger en zelfs vakoverschrijdend te laten werken rond Egypte vind je meer dan voldoende materiaal op deze website, in het artikel Alternatieve werkvormen. Het oude Egypte via historische jeugdboeken, dat ook verwijst naar speelfilms en cd-roms op de site en naar andere websites.

Jos Martens



Copyright © 2003 VVLG, 20.06.2003