Historische non fiction

 

De val van Antwerpen

 

De verovering van Antwerpen door de Spaanse veldheer Alexander Farnese in 1585 is een scharniermoment in de geschiedenis van de Nederlanden. Meestal gebruikt men deze datum als beginpunt voor de definitieve scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden.

Eigenlijk is de titel van dit boek door rijksarcharis, maritiem- en Antwerpenhistoricus Gustaaf Asaert lichtjes misleidend. Het gaat niet over de verovering van Antwerpen, maar over de emigratie van voornamelijk Vlamingen en Brabanders tijdens de hele periode van religieus- politieke woelingen van de 16de eeuw en het begin van de 17de.

Zijn boek is ditmaal niet gebaseerd op eigen archiefonderzoek, maar een veelomvattende poging tot synthese op basis van het bronnenonderzoek van anderen.

 

Vooraleer diepgaand in detail te treden, behandelt Asaert in enkele inleidende hoofdstukken het verschijnsel emigratie in historisch perspectief en in de geschiedschrijving van Noord en Zuid. In hoofdstuk V: De uittocht van tienduizenden (p. 33) rekent hij af met enkele hardnekkige misvattingen.

De vraag is natuurlijk: hoeveel mensen hebben de Nederlanden verlaten tijdens de lange 16de eeuw, de periode 1521 -1630? Vlug gesteld, niet naar bevrediging te beantwoorden. Statistiek was geen bekommernis van die tijd. Daarbij was het een komen, gaan en terugkeren, wat de telling evenmin vergemakkelijkt. Naar schatting zouden tussen 1540 en 1573 ongeveer 50.000 emigranten de Spaanse Nederlanden hebben verlaten. De Engelse historicus Geoffrey Parker schat het aantal vluchtelingen tijdens het bewind van Alva alleen al op 60.000. Recentelijker begroot Briels hun aantal op niet minder dan 150.000. Wat ook hun benadering weze, alle auteurs zijn het erover eens dat de emigratie voor het Zuiden in elk opzicht een ware aderlating en zelfs een catastrofale aderlating betekende.

De motivering om have en goed achter te laten was even verscheiden als de emigranten zelf. Vaak was ze religieus, vaak economisch en nog vaker gemengd. Religieuze standvastigheid was zeker geen algemene regel. Grote namen in dit verband zijn Justus Lipsius en Christoffel Plantin, die van het protestanse Leiden naar het katholieke Zuiden terugkeerden. Hoeft het gezegd dat 'have en goed' in de regel mee verhuisden? Vele inwijkelingen behoorden tot de economisch meest dynamische en welvarende lagen van de bevolking. En zeker na de inname van Antwerpen kregen zij die wilden vertrekken van Farnese ruimschoots de tijd om hun zaken te regelen.

Van dan af gaat de auteur over tot chronologisch en geografisch gedetailleerd onderzoek, het lezen meer dan waard. Uiteraard kunnen wij hem in dit beperkt bestek niet even gedetailleerd volgen. Telkens sta je verstomd over de omvang en de economisch-culturele impact van de migratie, zowel in Engeland (in een eerste fase) als in Duitsland en de Noordelijke Nederlanden. En kom je tot de conclusie dat de Gouden Eeuw van de Verenigde Provinciën effectief zwaar schatplichtig is aan de Vlamingen en Brabanders, die in deze 'beroerlijke tijden' hun geboortegrond hebben verlaten.

In zijn epiloog waarschuwt Asaert voor zwart-wit denken en foutieve historische beeldvorming. 'Toen Antwerpen, de grootste stad van West-Europa na Parijs en de metropool van het Westen, de helft van haar inwoners zag vertrekken, en dan nog de meest gedrevenen en actieven, lag een grote teloorgang op allerlei gebied voor de hand. Toch is hier enige nuancering geboden. De spectaculaire opgang van het noorden heeft het zuiden niet compleet leeggezogen en als een woestenij achtergelaten. Een spoedig herstel tekende zich af. Antwerpen bleef na 1585 ondanks alles een handelscentrum met internationale uitstraling, waar het artistieke en culturele leven een vruchtbare voedingsbodem vond. Op het vlak van de kunsten bereikte de stad in de eerste helft van de 17de eeuw zelfs een nimmer gekende bloei.' (p. 325)

Jos Martens

Referentie:

Asaert, G., 1585. De val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders. Tielt, Lannoo, 2004, 2de druk. 373 blz.



Copyright © 2004 VVLG, 30.05.2004