Historische non fiction

 

George Stein, De idee Europa

 

"De idee Europa" is een klein en fijn verzorgd boekje. Het is de vertaling van een lezing die de inmiddels 75-jarige joodse cultuurfilosoof Steiner in november 2003 hield in het prestigieuze Nexus Instituut in Tilburg. Samen met het gelijknamige tijdschrift Nexus ("band") heeft het de bedoeling heeft het Europese culturele erfgoed te bewaren en door te geven.

De lezing zelf neemt 23 pagina's in beslag, het inleidende essay van Rob Riemen acht. Maar beide lonen de moeite om er uren geconcentreerd mee bezig te zijn en over na te denken.

Die lezing diende als voorbereiding op het Nederlandse E.U.- voorzitterschap van 2004. Als onderdeel hiervan, moet een groep intellectuelen zich beraden over de vraag of Europa nog altijd een mooi idee is en welke betekenis ons eeuwenoude kosmopolitische beschavingsideaal nog heeft.

In 1924 verlieten de ouders van Steiner hun woonplaats Wenen, wegens het toen al groeiende antisemitisme. Zoon George werd in 1929 geboren in Parijs. In 1940 vluchtte de familie tijdig naar New York. Na de oorlog ging hij in Cambridge wonen en doceren.

Steiner zette de Europeanen al in 1969 aan het denken met zijn provocerende stelling: "Europe committed suicide by killing its Jews".

Hierdoor bleef volgens hem een cultuurloze, zielloze, louter geografische en economische entiteit over. We mogen hopen dat dit standpunt overdreven is.

Eerst spreekt Rob Riemen spreekt over de humane ideeën van Thomas Mann, Goethe, de 16° eeuwse schrijver Ulrich von Hutten, over de morele plichten van de nobilitas literaria of intellectuele elite. Deze mag niet toegeven aan nihilisme, populisme en politisering. Met dit laatste bedoelt hij niet dat intellectuelen niet mogen deelnemen aan de politieke macht, integendeel: het zou een ramp zijn als ze het niet deden. Maar ze mogen geen eenzijdige propagandist worden voor één bepaalde ideologie.

STEINER dan. Hij definieert Europa aan de hand van vijf axioma's: 1/ de koffiehuizen, 2/ afstanden op mensenmaat, 3/ straten en pleinen genoemd naar beroemde personen, 4/ de erfenis van Jeruzalem en Athene, 5/ de vrees voor de ondergang.

Bij de vorming van Europa hecht hij wel erg veel belang aan de koffiehuizen. Ze zijn voor hem de agora voor discussie, ook voor dissidenten en opponenten. Hij vindt ze van Lissabon tot Odessa, St.-Petersburg en Kopenhagen. Moskou beschouwt hij al als een voorpost van Azië.

Dat soort café's, op wandelafstand van elkaar, mist hij in Noord-Amerika, Afrika en Australië, waar je niet te voet van de ene naar de andere stad kunt gaan. Dat te voet gaan ziet hij in de Europese cultuur vanaf de Griekse filosofen tot nu.

De straten en pleinen zijn vernoemd naar dichters, kunstenaars, geleerden, filosofen, staatslieden, maar helaas ook naar veroveraars. En de soldaten van Alexander tot Napoleon en Hitler legden hun grote afstanden ook te voet af. In de VSA zijn zulke memoranda veel schaarser: straten hebben vooral namen van bomen, nummers en windrichtingen.

De erfenis van Jeruzalem en Athene is duidelijk in onze muziek, wiskunde, filosofie, vocabularium. Jammer dat hij de bijdrage van de Romeinen negeert: in ons vocabularium komen ze meer voor dan wie ook. De Duitsers krijgen wel een pluim.

De ondergangsgedachte dan. Europa telt, veel meer dan Amerika, "lieus de mémoire" die gebukt gaan onder de last van het verleden: marteling, lijden, 100 miljoen doden tussen 1914 en 1945 ten gevolge van twee wereldoorlogen, uithongering, deportatie, etnische afslachting. Tot in de jaren '90 was ex-Joegoslavië het toneel van misdaden tegen de mensheid. De cirkel van de barbarij was daarmee rond: van Sarajevo tot Sarajevo. De vreedzame, verbale onenigheid tussen Vlamingen en Walen plaatst hij helaas op gelijke voet met de pijnlijke gewelddaden in ex-Joegoslavië, Noord-Ierland en Baskenland.

Steiner pleit ervoor dat wij niet verder mogen veramerikaniseren, dat we met een Platonische "mania" moeten blijven zoeken naar niet-utilitaire waarheden en waarden en ons blijven verwonderen zoals de oude Grieken dat hebben voor gedaan.

Zo redden we de toekomst van de idee Europa méér dan met een centrale bank, landbouwsubsidies of gemeenschappelijke tarieven.

Anderzijds raadt hij Europa aan zich verder te verenigen naar het succesvolle Amerikaanse voorbeeld, weliswaar met oog voor linguïstische, culturele en maatschappelijke diversiteit, die vruchtbaarder is dan wat hij noemt de monotonie van New Jersey tot Californië.

We mogen dus niet bezwijken voor het Anglo-Amerikaans model, met zijn uniforme waarden, wereldbeeld, populisme, massamarkt en we moeten blijven strijden voor onze talen, tradities en sociale gemeenschappen.

Misschien had hij zelf het voorbeeld kunnen geven door zijn toespraak te houden in zijn Duitse moedertaal of het Frans (van zijn vader) i.p.v. in het Engels. Maar dan had hij een minder talrijk publiek bereikt.

Steiner stelt terecht dat de idee Europa ook nauw verweven is met het christendom; onze architectuur, kunst, muziek, literatuur, filosofie zijn doordesemd van christelijke waarden. M.i. ook onze moraal van goed en kwaad, met nadruk op onze plichten tegenover de medemensen.

We mogen dan ook betreuren dat de Europese grondwet niet verwijst naar deze godsdienst en dat Steiner het christendom in de eerste plaats beschouwt als de voornaamste motor van de jodenvervolgingen doorheen heel de geschiedenis.

Deze monocausale verklaring is zeker onvolledig: Hitler en Stalin lieten zich niet inspireren door het christendom bij hun antisemitisme. Opmerkelijk is ook dat Steiner nergens in de wereld enig joods wangedrag constateert en veel meer nadruk legt op de fouten van de christenen dan op hun positieve prestaties.

Steiner ziet in het toenemende agnosticisme en atheïsme het begin van een overgang naar een seculier postchristelijk Europa, waar hij zijn hoop op stelt en meer heil en verdraagzaamheid van verwacht.

Hij beseft blijkbaar niet hoeveel aandacht in christelijke scholen en universiteiten al decennia besteed wordt aan tolerantie, niet-materiële waarden en belangeloze inzet voor culturele en sociale activiteiten met hun leerlingen en studenten.

Tot slot pleit hij ervoor dat Europa zijn getalenteerde wetenschappers beter zou betalen, om ze niet langer te verliezen aan de VSA. We zouden ook kunnen stellen dat ze zich meer moeten laten leiden door niet-utilitaire waarden i.p.v. door materialisme.

Nog enkele details: het Europese humanisme is volgens Goethe en Riemen (p. 9) geboren op 25 oktober 1518 met een brief van Ulrich von Hutten aan Willibald Pirckheimer. Vreemd en verwarrend. Wat doen we dan met Dante (1265&endash;1321), Petrarca (1304&endash;1374), Boccaccio (1313-1375) of Erasmus (1469-1536) ? Riemen bedoelt dat 25 oktober 1518 één van de geboortedagen is van het humanisme, dat zelfs al bij Socrates en Sophocles gedateerd kan worden. En dat met figuren zoals Stalin en Hitler ook sterfdata kende.

Steiner spreekt soms over stadjes zonder ze te noemen: de straat met een plakkaat voor Lamartine en tegelijk voor verzetsstrijders uit 1944 (p. 23), ligt wsch. in Mâcon.

Op dezelfde pagina mag je zelf nog Weimar en Rouen invullen.

Soms is het niet duidelijk waarom hij kritiek heeft op bepaalde zaken: het holocaustmuseum in Berlijn vindt hij misplaatst, met als argument: "laat de doden hun doden begraven".

De neiging tot massamoord en materialisme is zeker niet "typisch Europees" (25); de andere werelddelen gaan evenmin vrijuit.

Dit boekje is beknopter dan welk ook, maar het schudt de lezer wakker en het zet intellectuelen en politieke gezagsdragers aan om na te denken en de maatschappij te benaderen vanuit andere invalshoeken dan economische, utilitaire, politieke en populistische.

Wij zijn het niet altijd eens met Steiner, maar we raden iedereen aan dit pleidooi te lezen.

 

Jef Abbeel, juli 2004

Referentie:

George STEINER, De idee Europa. Vertaling van: The Idea of Europe. Uitgeverij Nexus, Tilburg, 2004. 43 p.; ISBN 90-804857-4 -8;15 EURO.



Copyright © 2004 VVLG, 03.08.2004