Historische non fiction

 

ANDREWS, M. De wording van Europa. Verschuivende continenten en de ontwikkelingsgeschiedenis der naties. Brussel, BRT, 1991, 288 blz.

Een voordeel van ons vak is, dat het verleden niet zo snel meer verandert. En bijgevolg ook, dat belangwekkende studies niet zo vlug verouderen als voor bestsellers het geval is. Boeken zijn nu eenmaal geen bederfbare eetwaar! Zo heb ik, net als vele collega's, minstens de helft van mijn vakbibliotheek met enige vertraging gekocht tegen een fractie van de oorspronkelijke som. Het nadeel is dan weer dat je meteen moet toehappen wanneer je een interessant boek ontmoet in de tweedehands boekhandel: weg is weg, en komt nooit weerom! Toevallig vonden wij het hier besproken boek twee keer op een dag in twee verschillende winkels. Dus even signaleren. En toehappen, want het loont de moeite. Een must voor historici!

Dit boek is in feite de gedrukte begeleiding bij de gelijknamige televisiereeks die door de toenmalige BRT voor het eerst werd uitgezonden in 1993 en die we zonder aarzelen het predikaat "magistraal" kunnen opkleven. Zij vertoont alle eigenschappen van de grootse reeksen in de traditie van Bronowski, Kenneth Clark en David Attenborough, stuk voor stuk mijlpalen in de ontwikkeling van televisie als didactisch medium.

Aan het verfilmen van het project ging drie jaar interdisciplinair onderzoek in 23 landen vooraf. De lijst medewerkers in de colofon lijkt wel de generiek van een commerciële speelfilm!

 

Voor zijn grandioze The Ascent of Man (De mens in wording) koos Jacob Bronowski nu al weer dertig jaar geleden als uitgangspunt: de mens als werktuigmaker ("The hand is the cutting edge of the mind"). Edwards opteert voor een andere, even originele invalshoek: de interactie tussen de mens en zijn omgeving, tussen beschaving en natuur; meer specifiek: de interdependentie tussen enerzijds politieke en culturele ontwikkelingen en anderzijds de gevolgen van de geologische wordingsgeschiedenis.

De geologie ging vooraf aan de geschiedenis en determineerde haar vaker dan we vermoedden. Braudel wist het al, maar hier zien we het gedemonstreerd op een schaal die we zelfs bij hem zelden aantreffen!

Opvallend is dat er een omgekeerde correlatie heerst tussen geschiedenis en geologie: hoe korter wij bij de eigen tijd komen, des te meer speelt de invloed van verder afgelegen geologische perioden.

Door de ijstijden ontwikkelde de menselijke inventiviteit zich exponentieel sneller dan in meer gunstige perioden zou gebeurd zijn. Nederzettingen, landbouw, mijnbouw, handel, zelfs oorlogen werden bepaald door de aan- of afwezigheid van mineralen of grond. Het boek (en de televisiereeks) zet aan tot bezinning en corrigeert meer dan eens duchtig onze "normale wetenschappelijke" opvattingen. Voor mij lezen de eerste hoofdstukken haast verplicht complementair met Gisteren voorbij, dat je ook op deze site voorgesteld vindt. Bijvoorbeeld over de landbouw (p. 46).

"Natuurlijk heeft landbouw het voordeel dat er veel voedsel kan worden geproduceerd op een beperkt oppervlak, maar er moet enorm veel arbeid in worden gestoken: men moet ploegen, zaaien, wieden, oogsten en ziekten en plagen bestrijden. Tegenwoordige jagers-verzamelaars als de Bosjesmannen in de Kalahari hoeven daarentegen maar twintig uur per week te besteden aan het verzamelen van voedsel. Bovendien eten jagers-verzamelaars veel gevarieerder. De mensen bij Tell Abu Hureyra konden kiezen uit 150 plantesoorten en op z'n minst zes diersoorten. Bij hun landbouwende nakomelingen stonden maar acht plantesoorten en twee soorten vlees op het menu. De voedingswaarde van granen valt, in vergelijking met die van vlees, noten, knollen en fruit, ongunstig uit. Voor het voeden van hele families waren gigantische hoeveelheden graan nodig. Bovendien kostte het malen van het graan zoveel moeite dat de armen en de ruggen van de boeren in Tell Abu Hureyra helemaal misvormd waren, hun tenen door het vele knielen in een hoek van negentig graden omhoog stonden en hun tanden door het in het brood meegebakken zand voledig waren afgesleten. Het Bijbelwoord 'In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten' was op deze mensen zeker van toepassing.
Maar waarom gingen de mensen landbouwen als dat leven zo zwaar was? Het antwoord hierop luidt dat de landbouw het mogelijk maakte meer te produceren per oppervlakte-eenheid, hetgeen weer betekende dat een groeiende bevolking kon worden gevoed door dezelfde hoeveelheid land. ...
Achteraf kunnen we stellen dat het slechts om een korte-termijnvoordeel ging. Toen de generaties die de kennis bezaten over de wilde planten en dieren niet meer in leven waren, kon de mens niet meer terug."
(Beleven wij tegenwoordig geen analoge situatie met agro-industrie versus biologische landbouw? Denk aan varkenspest, dolle-koeienziekte, dioxinecrisis...)
Landbouw zorgde ook voor de eerste grote mileurampen, minstens reeds vanaf 7000 jaar geleden. Ook in Europa hebben geologen en archeologen zeer vroege sporen van fatale bodemerosie aangetroffen."

(p. 51).

"Landbouw betekent roofbouw. Als de bodem niet nu en dan braak ligt of bemest wordt met organische meststoffen zal hij zijn vruchtbaarheid en zijn capaciteit om vocht vast te houden verliezen en daarmee de belangrijkste voorwaarde voor een goede oogst." Dit onderdeel is in de overeenkomstige televisiesequenties veel beter gedemonstreerd dan in het boek, met resultaten uit het Donaugebied.
 
Nog enkele voorbeelden om af te ronden. Zonder de zilvermijnen van Laurion had Themistocles geen vloot triremen kunnen bouwen om de Perzen te verslaan bij Salamis; Hitler had zijn Blitzkrieg niet kunnen voeren zonder een voorraad petroleum en zonder het Zweedse ijzererts om zijn tanks te produceren. Je kunt er niet omheen: de geologische fundamenten van Europa hebben hun invloed gehad op het lot van volkeren, industrieën en naties. Ze verklaren waarom de Industriële Revolutie in Engeland begon en waarom Europa via de kolonisatie in het begin van deze eeuw uitgroeide tot het "Machtige Werelddeel" (zoals de titel luidde van een andere magistrale BBC-reeks van John Terraine). Maar ook waarom het continent veroordeeld was tot een reeks vernederende knievallen voor de Arabische oliepotentaten tijdens de twee crises en 1982. En tenslotte waarom het loskomen uit de petroleumafhankelijkheid en het afwenden van de ecologische wereldramp "De mundiale uitdaging" van morgen vormt (zoals de titel luidde van het geruchtmakende boek van J.J. Servan-Schreiber en van de gelijknamige televisiereeks, gepresenteerd door Peter Ustinov)."

 

Nog nooit werd de wording van Europa verteld vanuit dit gezichtspunt, wat zeer vaak leidt tot verrassende nieuwe inzichten in het verloop van de geschiedenis. Op deze manier koppelt Andrews de geologische tijdschaal aan de menselijke, de zeer langzame en lange duur van Braudel aan de evenementiële geschiedenis. Is het toevallig dat Andrews van vorming geen historicus, archeoloog of geoloog is, maar werktuigbouwkundige, zoals Bronowski eerst faam verwierf als wiskundige?

Dit werkelijk fascinerende werk is rijk geïllustreerd met schitterende kleurenfoto's, kaarten enz. die momenten tonen uit de ontwikkelingsgeschiedenis in de loop van duizenden en zelfs miljoenen jaren. De vertaling is vermoedelijk uitsluitend in handen gelegd van Nederlanders en niet nagekeken door historici, wat meer dan eens irritante afwijkingen oplevert als "De Kerk ... zijn rijkdom" (p. 151) en "de graaf van Berry door de gebroeders Limbourg" (p. 146). O ja, en op de kaart op p. 88 zijn in de legende "Minoïsch" en "Mykeens" met elkaar verwisseld.

Desondanks, het boek (her)lezen, als je het in een bibliotheek binnen je bereik aantreft. Anders fluks op stap naar De Slegte of andere tweedehands boekenwinkels!

 

Didactische verwerking

 

Deze reeks is o.i. de best denkbare illustratie van Braudels interdependentie tussen de drie "snelheden" van de geschiedenis. Hoe kun je beter de wederzijdse beïnvloeding tussen structurele, conjuncturele en evenementiële geschiedenis aanbrengen(1)? Jammer genoeg laat de tijdsdruk van het programma niet toe veel van deze 50 minuten durende uitzendingen te gebruiken. De eerste aflevering, over de ijstijden is o.i. te moeilijk voor een eerste jaar, waar ze volgens het programma thuishoort. Collega's op andere scholen hebben dat opgelost doordat ze onderdelen hebben opgenomen en aan elkaar gelast. Maar in een eerste jaar lijken mij de uitzendingen van de Schooltelevisie uit 1990 over de prehistorie (met werkboekjes) toch beter aangepast voor deze doelgroep. Wij hebben die eerste aflevering gedeeltelijk, samen met fragmenten van de tweede en de derde aflevering gebruikt in zesde jaren, gedurende drie volledige lessen aardrijkskunde, voor geologie, dat voor leerlingen meestal helaas als saaiste leerstofonderdeel wordt beschouwd van hun volledige curriculum voor dit vak. De aflevering "Voedsel voor de steden" ( over de evolutie vanaf de 15de eeuw, in het boek, hoofdstuk acht, p. 160) hebben wij in de les geschiedenis een lesuur lang geprojecteerd in een vierde jaar (toen hadden wij nog enkele minuten film over: een lesuur duurt nooit de volle 50 minuten), die over "Koning steenkool" (hoofdstuk negen, p. 180, over de Industriële Revolutie) in het vijfde jaar en die over "De triomf van de olie" (hoofdstuk elf, p. 220) in een zesde jaar, gevolgd later op het jaar door een gedeeelte van "De wurggreep van de olie" (hoofdstuk twaalf, p. 244). Of dacht je dat je leerlingen het concept van Braudel voorgoed beet hebben als je het één keer hebt vermeld in een les? Telkens kregen zij enkele bladzijden uit het boek gekopieerd mee plus opdrachten, afhankelijk van de plaats van de projectie in de leereenheid. (Braudel hebben wij nogmaals van stal gehaald in het laatste jaar bij een lange termijnbehandeling van Rusland als aanloop naar de Revolutie van 1917 en bij de verklaring van het succes van het fascisme. En toen had iedereen het wel door!)

Signaleren wij even kort een ander praktisch probleem: wij namen die uitzendingen op op een Philips 2000 (bouwjaar 1986) die in 1998 zonder verwittiging plotseling onherstelbaar de geest gaf. Nu moeten wij laten omzetten naar VHS, want tegen onze verwachtingen in hebben wij de De wording van Europa nooit als koopvideo aangetroffen.

 


1. Van de Voorde, H., De didactische relevantie van Fernand Braudel. Digo, XVIII-2, (1994), p. 50-61.

 

Jos Martens



Copyright © 2000 VVLG, 07.02.2000