Visie op historische vorming

3 Doel en functie van het geschiedenisonderwijs

 

In de adviesopdracht die de staatssecretaris van OC en W aan de commissie heeft toebedacht wordt de positie van het vak geschiedenis in het voortgezet onderwijs als zodanig niet aan de orde gesteld. De commissie beschouwt dit als indirecte uitdrukking van de brede consensus over het belang van geschiedenisonderwijs, die zij ook in de reeks gesprekken met representanten van verschillende maatschappelijke sectoren heeft aangetroffen.

Niettemin zou de commissie in dit kader enkele nadere overwegingen willen aanvoeren die naar haar oordeel een adstructie vormen van de noodzaak om alle leerlingen in het voortgezet onderwijs met het vak geschiedenis in aanraking te brengen. In de meest algemene zin kan de commissie zich verenigen met de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (-VVRR) die in haar rapport over de basisvorming (1985) het bijbrengen van historisch besef als centrale functie voor het vak aanduidde en dit nader omschreef met 'kennis van en inzicht in de historische processen die aan de hedendaagse samenleving ten grondslag liggen'. Binnen deze algemene functie stelt de commissie het systematisch bijbrengen van besef van tijd en chronologie voorop, dat wil zeggen het besef dat personen, gebeurtenissen en processen zich alleen laten begrijpen in hun historische context. Dit uitgangspunt zal als het ware het permanente kader dienen te zijn waarbinnen de overdracht van historische kennis in het onderwijs dient plaats te vinden.

In de genoemde definitie van de WRR wordt gerefereerd aan de betekenis van historische kennis voor inzicht in de hedendaagse samenleving. Hierbij wordt gedoeld op de constituerende betekenis van het verleden voor het heden, ook van factoren die ver in de geschiedenis terug kunnen reiken. Vanuit deze benadering kan het geschiedenisonderwijs naar de mening van de commissie bijdragen aan een algemener begrip van langlopende veranderingsprocessen en vraagstukken van continuiteit versus discontinuiteit. Naast de betekenis van het geschiedenisonderwijs voor inzicht in de wording van het heden wijst de commissie op het aandeel van het vak voor de overdracht van cultuur. Daarbij gaat het ook om de wisselwerking met andere culturen, waarvan de betekenis gelet op het multiculturele karakter van de moderne samenleving slechts kan toenemen.

Voorts wil de commissie het belang van het geschiedenisonderwijs voor de overdracht van waarden en normen afzonderlijk noemen. Enerzijds gaat het daarbij om het bieden van inzicht in het tijdgebonden karak,ter van normen en waarden, anderzijds gaat het om overdracht van waarden waaraan in het huidig tijdsgewricht mede op grond van recente ervaringen (onder meer WO 11) een haast absolute betekenis wordt toegekend (bijvoorbeeld de rechten van de mens, anti-racisme). Langs deze weg levert het vak ook een onmisbare bijdrage aan de 'sociale cohesie'van de maatschappij.

Tenslotte wijst de commissie op de rol van het geschiedenisonderwijs voor 'burgerschapsvorming': historische kennis dient als één van de bouwstenen om als volwaardig staatsburger in de Nederlandse democratie te kunnen functioneren.



Copyright © 1998 VLG, 03.10.1998