Visie op historische vorming

4 Opvattingen in de maatschappij en in het vervolgonderwijs

 

in de opdracht van de commissie is bepaald dat zij de verwachtingen van 'de samenleving', inclusief het vervolgonderwijs, ten aanzien van het geschiedenisonderwijs bij haar advies zou moeten betrekken. Gezien de korte termijn waarbinnen de commissie geacht werd haar advies uit te brengen, heeft zij er voor gekozen om in de vorm van een reeks gesprekken nader inzicht te verwerven in opvattingen die in de samenleving over het belang en de inhoud van het vak geschiedenis leven. Bij de keuze van gesprekspartners is rekening gehouden met een zekere mate van spreiding over verschillende maatschappelijke sectoren: de cultuurwereld werd mede gerepresenteerd door de sector media/ uitgeverij (via de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond en het Genootschap van Hoofdredacteuren); het bedrijfsleven werd benaderd via de Sociaal Economische Raad. Daarnaast heeft de commissie overwogen dat het juist voor het vak geschiedenis van belang is om kennis te nemen van opvattingen van verschillende geestelij1c-maatschappelijke stromingen; vanuit deze optiek werden gesprekken gevoerd met de wetenschappelijke bureaus van politieke partijen. Het multiculturele perspectief kwam onder meer aan de orde in een gesprek met de directie Coördinatie integratiebeleid Minderheden van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Met het vervolgonderwijs werden afzonderlijke gesprekken gevoerd, ten dele in combinatie met schriftelijke standpuntbepaling: voor het wetenschappelijk onderwijs werd gesproken met de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU), voor het hoger beroepsonderwijs met de HBO-raad, voor het beroepsonderwijs met de adviesgroep maatschappelijke en culturele kwalificaties van de BVEraad. Voor het internationale perspectief nam de commissie kennis van de publicatie Youth and History in Nederland ('s-Hertogenbosch 1997) en informatie van de vereniging Euroclio, de overkoepelende Europese organisatie van verenigingen voor docenten geschiedenis.

Met de gesprekken werd een open gedachtenwisseling over de hoofdpunten van de adviesopdracht van de commissie beoogd om la ngs die weg kennis te nemen van opvattingen over en verwachtingen van het geschiedenisonderwijs; tegelijkertijd boden zij de gelegenheid voor een eerste toetsing van onderdelen van de standpuntbepaling van de commissie. De gesprekken werden met het oog op een zo open mogelijke gedachtenwisseling gevoerd op persoonlijke titel en vonden plaats aan de hand van een vragenlijst die aansloot bij de adviesopdracht van de commissie (een volledige lijst van de gesprekspartners is opgenomen in de bijlagen).

De commissie realiseert zich ten volle dat het aantal gesprekken beperkt is geweest en dat er derhalve geen sprake kan zijn van dé opvatting van dé maatschappij. Niettemin is het opvallend dat de genoemde gesprekken op hoofdlijnen in dezelfde richting wijzen, of men nu dichtbij of verder weg van de actuele onderwijspraktijk staat.

opvallend is de grote waarde die de gesprekspartners zonder enige uitzondering aan het vak geschiedenis hechten. Als algemene functie of doelstelling van het geschiedenisonderwij s werd het belang van het verwerven van 'historisch besef en zo mogelijk ook het wekken van 'historische interesse' genoemd. Overwegingen van verschillende aard liggen hieraan ten grondslag. Een belangrijk motief betreft de bijdrage van historische kennis aan de noodzakelijk geachte algemene ontwikkeling. Daarnaast wordt gewezen op het belang van kennis van het verleden als vereiste om in een democratisch bestel als volwaardig staatsburger te kunnen functioneren. Voorts blijkt geschiedenis te worden beschouwd als kernvak voor de overdracht van waarden en normen van de samenleving ('democratische houding', 'tolerantie', 'relativeringsvermogen'). Tenslotte wordt veel waarde gehecht aan het inzicht dat geschiedenis kan geven in de wortels van de nationale identiteit tegen de achtergrond van zich wijzigende staatkundige verbanden en sociaal-culturele globaliseringstendensen.

Tegelijkertijd bleek dat een aantal gesprekspartners niet of slechts matig op de hoogte is van de implicaties van de onderwijsveranderingen - zoals die door de minister van OC en W en het parlement zijn overeengekomen - voor het vak geschiedenis, zowel die van de laatste tijd als die in aantocht zijn. Men verkeert veelal in de veronderstelling dat in het basis- en voortgezet onderwijs een globaal overzicht van de geschiedenis tot stand komt. Accentverschuivingen die inmiddels hebben plaatsgevonden (pogingen tot vakkenintegratie in de vorm van wereldoriëntatie in het basisonderwijs; verschuiving naar vaardigheidsaspecten en thematische ordening van de leerstof in het voortgezet onderwijs) worden desgevraagd in het algemeen kritisch beoordeeld, in die zin dat men van mening is dat hiermee afbreuk gedaan wordt aan het primaat van het globale overzicht. In samenhang hiermee blijkt veel waarde te worden gehecht aan een voor alle leerlingen zoveel mogelijk gemeenschappelijke inhoud van het vak geschiedenis gedurende een aantal jaren - in concreto de leerplichtfase - van het onderwijs. overwegingen van gedeelde burgerschapsvorming vormen hierbij een belangrijk argument.

De gesprekspartners geven, gezien deze cruciale functies, een sterke voorkeur aan een zelfstandige positie van het vak geschiedenis waarbij staatsinrichting als natuurlijk complement wordt beschouwd. Weliswaar wordt betere afstemming van de leerstof van verschillende vakken gewenst geacht, maar vakkenintegratie ziet men daartoe niet als oplossing.

De opvattingen van het vervolgonderwijs wijken niet wezenlijk van af van deze samenhangende oordelen, al zijn er accentverschillen. De VSNU kent aan het vak geschiedenis in het voortgezet onderwijs vooral de functie toe van algemene ontwikkeling en vorming van de toekomstige academicus. Wat betreft de invulling van het geschiedenisonderwijs wordt het belang van een zo volledig mogelijk chronologisch overzicht voorop gesteld, waarbinnen grote thema's hun plaats kunnen krijgen. Het gehele verleden zou moeten worden bestreken, met een zekere nadruk op de moderne periode. Vaardigheden worden beschouwd als methoden/hulpmiddelen tot het bijbrengen van een intellectuele, kritische attitude voor de omgang met historische kennis. De aparte status van het vak, in nauwe verbinding met staatsinrichting, wordt onderschreven, waarbij overigens een betere afstemming met andere vakken wordt bepleit.

Vanuit het HBO werd onder de aandacht gebracht dat geschiedenisstudenten in het HBO over onvoldoende chronologische (voor)kennis zouden beschikken ten gevolge van het thematische karakter van het huidige geschiedenisonderwijs. Bepleit werd dat de basisvorming met name het chronologisch overzicht zou moeten bijbrengen, waarna dit in de bovenbouw in de vorm van thema's zou kunnen worden uitgediept.

Vanuit de BVE-sector is gesteld dat het accent in het geschiedenisonderwijs zou moeten liggen bij het verwerven van kennis en het via die weg bevorderen van inzicht; vaardigheden worden veel meer gezien als een algemeen onderwijsdoel. Chronologisch inzicht in de grote perioden van de geschiedenis wordt centraal gesteld, met een accent op de algemene geschiedenis van de 20e eeuw en de geschiedenis van Nederland na de middeleeuwen.

Overigens kan in dit verband ook gewezen worden op het artikel 'Ze moeten weten dat Napoleon voor Bismarck kwam' in het Historisch Nieuwsblad van december 1997, waarin de uitkomst van een peiling van opvattingen in de samenleving en de wetenschap over het ideale geschiedenisonderwijs wordt beschreven op basis van een enquéte onder 'opiniemakerslcultuurdragers' en hoogleraren geschiedenis. De uitkomst hiervan bevestigt het beeld dat de commissie op basis van de hier genoemde gesprekken heeft gekregen: overdracht van historische feiten en inzichten in de vorm van een overzicht van vooral grote gebeurtenissen en ontwikkelingen wordt centraal gesteld waarbij het belang van chronologie wordt benadrukt; vaardigheden worden nuttig geacht, maar van bijkomstig belang.

Alles overziende - met het eerder gemaakte voorbehoud ten aanzien van het beperkte karakter van de gesprekken - kan de commissie zich niet aan de indruk onttrekken dat er op bepaalde punten een verwijdering lijkt te zijn ontstaan tussen maatschappelijke opvattingen over het vak geschiedenis (inclusief die in het vervolgonderwijs) en dat wat momenteel binnen het geschiedenisonderwijs in algemene zin van belang wordt geacht, tot doelstellingen is uitgewerkt en in lesmethoden zijn neerslag heeft gekregen. De commissie wil bij haar aanbevelingen met de hier geschetste teneur van de maatschappelijke opvattingen ernstig rekening houden.

Zoals uit het voorgaande overzicht van de opvattingen in de maatschappij inclusief het vervolgonderwijs naar voren is gekomen is er een zeer breed draagvlak voor handhaving van geschiedenis als apart en zelfstandig vak. Integratie in de vorm van een nieuw vak'mens en maatschappij'wordt door niemand bepleit. Ook in het buitenland laat zulk een vergaande vorm van vakkenintegratie zich niet aanwijzen.

De commissie kan zich geheel verenigen met handhaving van geschiedenis als apart en zelfstandig vak. Wel wijst zij op de noodzaakvan betere samenwerking en onderlinge afstemming tussen de verschillende vakken in de basisvorming en de bovenbouw, met name ten aanzien van het aanleren van de algemene vaardigheden. De verantwoordelijkheid voor dit laatste zou nader afgebakend moeten worden tussen de vakken onderling, waarbij de commissie in overweging zou willen geven een en ander in het schoolwerkplan vast te leggen. Wat betreft de samenwerking van geschiedenis met andere vakken wil de commissie hier specifiek het combinatievak geschiedenis-maatschappijleer noemen, waaraan momenteel voor de bovenbouw van havo/vwo vorm wordt gegeven. Hierop zal later in dit rapport worden terug gekomen.



Copyright © 1998 VLG, 03.10.1998